I. De verdwenen Maandag

Jouw morgen die ooit zal komen

I. De verdwenen Maandag

I.

ER ONTBRAK EEN dag uit Louise’s leven.

    Ze had gegraven en gegraven in haar geheugen, maar het was alsof de maandag nooit had plaatsgevonden. En tegelijkertijd wist ze zeker dat ze dit verkeerd had, want waarom zou de wereld anders gewoon doorgaan alsof er niets gebeurd was? Er waren geen alarmerende berichten op haar mobiel, geen bezorgde familieleden om haar heen en geen doctoren aan haar bed.

    Niets.

    Helemaal niets.

    Alles was (ab)normaal.

    Vanochtend, vlak voordat ze naar de universiteit zou gaan, had ze op het punt gestaan om haar moeder te vragen wat er gisteren was gebeurd. Maar ze kon het niet. Niet zodra ze haar moeder vrolijk had horen neuriën terwijl ze in de keuken koffie maakte voor haarzelf en Louise. Het was lang geleden dat de vrolijke deuntjes het huis vulden.

    En al helemaal niet toen haar moeder zich naar had omgedraaid en met een warme glimlach vroeg: ‘Hoe was je eerste dag op de universiteit eigenlijk gegaan, schat? Leuk? Je ging gisteravond zo snel naar je kamer dat ik niks heb kunnen vragen.’

    Louise’s vingers duwden zich harder in een hengsel van haar vaalgroene rugzak terwijl ze naar de glazen hoofdingang van het grijze universiteitsgebouw liep. Hoe kon er uit het niets een dag uit haar leven gewist zijn? Of, nog wel beangstigender, waarom kon ze het zich niet herinneren?

    ‘Gast, kun je je eigenlijk wel herinneren wat er gebeurd is?’ vroeg er een jongen vlak voor haar aan zijn vriend, die schaapachtig zijn schouders ophaalde.

    ‘Is er behalve de drank dan nog iets gebeurd dat belangrijk genoeg is om te onthouden?’

    Louise ging rechter staan. Haar hand viel langs haar lichaam. Dat was het; ze had vast mensen leren kennen, was met hen naar een café gegaan en had zoveel gedronken dat ze zich niets meer van de vorige dag kon herinneren. Ze had dan misschien geen knallende hoofdpijn of een droge mond, maar dat… dat zei vast niets.

    Ze was inmiddels aangekomen bij de zaal waar ze haar eerste hoorcollege zou bijwonen en keek met lichte ontzag om zich heen. Het was haar eerste dag – gisteren was haar eerste dag – en ze had niet verwacht dat de zaal zo ontzettend groot zou zijn. Er konden makkelijk vijfhonderd studenten in kwijt.

    ‘Louise!’

    Ze keek opzij – verrast dat er een persoon was met dezelfde naam als haar. Maar het was niet iemand anders die geroepen was. Een meisje van haar leeftijd met donkerrood haar kwam op haar afgesneld. Vlak achter haar liep een jongen die met kop en schouders boven haar uit torende en zijn hand naar Louise ophield.

    ‘Come sit with us,’ zei het meisje nog even enthousiast en met een glimlach trok ze Louise mee de treden op. Ongeveer halverwege de trap glipte ze een rij in en zakte al neer op één van de opklapstoelen met blauwe bekleding.

    Louise volgde haar voorbeeld een stuk trager en keek onwennig van het meisje naar de jongen die aan weerskanten van haar zaten. Ze had geen idee wie ze waren.

    ‘How's your grandma?’ vroeg het meisje met de donkerrode haar terwijl ze een laptop uit haar tas haalde en haar tafel openklapte.

    Louise knipperde slechts glazig met haar ogen.

    ‘Yesterday you said you had to leave early because you were going to visit your grandma,’ verduidelijkte ze. ‘You told us she was sick.’

    ‘I… did?’ mompelde Louise zo zacht dat de anderen haar niet konden horen. Haar handen, die ze op haar benen tot vuisten had gebald, voelden klam aan. Wat was er gisteren in hemelsnaam gebeurd? Ze slikte. Wie waren deze mensen?

    De lichten in de zaal dimden tot een schemering en vooraan ging een scherm aan. Vlak voor het scherm stond een gedrongen vrouw in een zwart broekpak op een verhoging. Haar al even donkere haar was tot net onder haar oor afgeknipt en ze keek in stilte naar de zee van verwachtingsvolle studenten voor haar.

    ‘Oh it’s starting, it’s starting,’ fluisterde het meisje naast Louise. Ze boog zich langs Louise heen en tikte tegen de arm van de jongen. ‘Geef me eens een pen, wil je?’

    Louise keek met een ruk op. Ze waren Nederlands?

    ‘Serieus, Kathy?’ vroeg hij nors. In tegenstelling tot haar had hij een collegeblok en pennen meegenomen om aantekeningen te maken. ‘Je hebt een laptop meegenomen.’

    Ze porde nog eens tegen zijn arm. ‘Kom op, Paul. Doe niet zo vervelend en geef me een pen.’

    Paul zuchtte overdreven en reikte haar een pen aan, die ze tevreden in ontvangst nam. Louise slikte moeizaam en wende zich tot Kathy. ‘Jullie… spreken Nederlands?’ vroeg ze op gedempte toon, omdat het geroezemoes in de zaal langzaam wegzakte tot een verwachtingsvolle stilte.

    Kathy staarde al even verbaasd terug. ‘Ik dacht dat jij geen Nederlands verstond? Gisteren sprak je alleen in het Engels.’

    ‘Met een accent,’ vulde Paul aan, ‘die ik niet helemaal kon plaatsen.’

    ‘Ladies and gentlemen,’ zei de vrouw op gebiedende toon vooraan de zaal, waardoor ze Pauls gestaar en Kathy’s ongelovige blik voor even verbrak. ‘Let’s start with your very first class. My name is Lupita Espinoza and in this course I will tell you about the basic structural, functional and biological unit of all known living organisms: cells.’

    Louise’s vingers stuntelden met de rits van haar rugtas. Haar wangen, hoofd en nek voelden warm aan. Haar vingers waren zweterig. Ze probeerde zichzelf tot kalmte te manen en de bevreemde blikken van de personen aan haar weerskanten te negeren. Het was niet alsof ze haar geheugen helemaal kwijt was; alleen haar herinneringen van gisteren. Het was geen ramp om een dag uit je leven te missen. Hoe bizar het dan ook aanvoelde. Ze kon nog steeds met haar leven doorgaan alsof er niets was gebeurd.

    Haar collegeblok gleed met een klap op de grond en ze mompelde een ‘sorry’ waarna ze onder de tafel dook om hem te pakken. Ze zette hem zonder goed te kijken op haar tafeltje en grabbelde in haar tas naar een pen. Lupita Espinoza begon uit te leggen wat er voor dit vak allemaal van hen verwacht werd.

    Kathy wierp steelse blikken op haar.

    Paul probeert niet haar kant op te kijken.

    Louise negeerde hen.

    Ze ging rechter zitten, bladerde door haar collegeblok en bevroor. Onleesbare tekens waren in haar collegeblok gekrabbeld, terwijl ze hem gisteren – eergisteren – pas uit de plastic verpakking had gehaald. Tekens die leken op letters; woorden. Ze bladerde met bonzend hart verder en haar adem stokte in haar keel toen ze Engelse woorden ontdekte tussen de exotische letters.

 

    Who am I?

 

    En een paar regels daaronder:

 

    Who are you?

II. Vier wazige vingers