Bijna

Bijna

Bijna

De klok tikt de seconden tergend langzaam weg, het laat de minuten lijken op uren en de uren op dagen. Een dag duurt tegenwoordig bijna langer dan een jaar. Met haar ogen nog gesloten ligt ze bovenop de sprei te luisteren naar de secondewijzer. Met mijn gehoor is nog niets mis, denkt ze quasi opgelucht.
Ze opent haar ogen en gaat voorzichtig rechtop zitten, haar benen, strak in de steunkousen gehesen, bungelen zachtjes heen en weer over de rand van het bed. Enkele minuten blijft ze zo zitten; tot dat de duizelingen geweken zijn en haar stramme spieren het aankunnen om te gaan staan.
Haar eeltige, schilferende voeten schuift ze in haar grijze pantoffeltjes en haar blauw dooraderde rechterhand reikt naar haar wandelstok.
Welke dag was het ook al weer? Ze kijkt op naar de klok, alsof deze meer dan alleen de uren, minuten en seconden aan zou geven.
Altijd na het middagdutje is ze het even kwijt: de dag, de datum. De tijd niet, die ziet ze. Het is tien over half vier. Met haar vrije linkerhand wrijft ze over haar gezicht, huidschilvers dwarrelen in de lome najaarszon naar het bruine tapijt. Als het zo doorgaat verdwijn ik vanzelf; dan verschilfer ik langzaam tot stof. Ze glimlacht licht om haar eigen grapje en schuifelt voetje voor voetje naar de keuken. Daar hangt de kalender. De kalender met steeds meer kruisjes achter de namen, sommige niets meer dan een lichte potloodkrabbel. Wie ze waren weet ze vaak niet helemaal zeker meer.
Met een ferme ruk, haar taaie spieren kunnen nog heus wel wat, trekt ze de la open. Verbaasd staart ze naar de inhoud: vorken, messen en lepels in plaats van haar pennen en notitieblokjes. Haar blik gaan nog eens naar de lege spijker aan de muur, alsof op miraculeuze wijze de ontbrekende kalender er weer zou hangen. Nee, ze had het goed gezien de eerste keer. Rammelend bestek klinkt als ze de la weer dichtdrukt.
“Die meiden zullen het wel weer veranderd hebben,” mompelt ze terwijl ze met een grote stap over de drempel naar de woonkamer stapt. Met beleid, want als je eenmaal ligt heb je ongetwijfeld iets gebroken als je vierennegentig bent, hoort ze in gedachte haar jongste dochter zeggen. Zij zal het ook wel geweest zijn; degene die de kalender heeft weggenomen. Ik geloof dat ze een nieuwe voor me zou meebrengen? Wanneer zou ze ook al weer komen? Zaterdagavond? Welke dag was het nou toch vandaag?
Haar oude botten zitten stijfjes rechtop met drie kussens in haar rug op haar grote lederen stoel. Ze wil de televisiegids van het bijzettafeltje pakken maar haar grove hand pakt slechts lucht. “Nu ook nog mijn tafeltje weg,” moppert ze wat harder. Langzaam, tergend langzaam vindt ze zelf, staat ze op van de stoel om de televisie aan te drukken. Met een zucht laat ze zich weer achterover vallen, tevreden met de afstandsbediening in haar schoot.
Telkens als ze van zender wil veranderen gaat het hele toestel uit. Of hij verspringt zelf van zender in het midden van een praatprogramma dat ze net aan kan volgen. Deze mensen praten precies langzaam genoeg, dacht ze verrast, en duidelijk. Daar zouden meer zenders een voorbeeld aan moeten nemen.
Even denkt ze geluiden te horen. Bij de voordeur? Op de trap? Of boven, waar ze zelden nog komt, haar slaapkamer is beneden. Met haar oren is niets mis, ze spitst ze maar kan de geluiden niet meer vangen. Ze klinken in haar hoofd en op de televisie maar nergens in huis. Denk ik, denkt ze. En anders doen ze maar, ik zal toch ergens aan moeten sterven. Ze knijpt haar ogen, met de flinterdunne huid, een beetje toe om de felle lichtflitsen van de reclames wat te temperen.
De klok in de slaapkamer tikt de seconden nog altijd weg. Langzamer dan ooit en in zo’n schril contrast met de voorbije jaren. Ze staat tussen de half open gordijnen en kijkt de schaars verlichte tuin rond. Ze ziet zichzelf in het gras zitten, de meiden, meisjes nog toen, om haar heen met hun poppen en boekjes en blokken. Haar haren nog donker en opgestoken, de meisjes nog klein en onschuldig. Hun donkere haren in vlechtjes en knotjes. Ze zucht, even denkt ze hun aanwezigheid weer te voelen. Misschien zelfs te ruiken. Of te horen?
“Zaterdagavond. Het is zaterdagavond en Els komt zo,” zegt ze stellig om het niet nog eens te vergeten. “Zaterdagavond,” herhaalt ze nog eens zachter terwijl ze zich omdraait. Even vangen de half open gordijnen wat wind en bewegen mee.
“MAM!, MAMA!”
Snelle stappen door de keuken en de gang. Met een zwaai vliegt de slaapkamerdeur open en een felle baan licht uit de hal verbreekt de duisternis.
“Wat is er Eefje?” Mama gaat naast haar op het bed zitten en slaat haar arm om de schokkende schouders van het kleine blonde meisje met het natte gezichtje.
Haar ademhaling schokt zo dat ze met moeite kan praten.
Haar kleine vingertje richt ze, naar het raam en de half openstaande gordijnen.
“Ze was er weer,” een dikke snik volgt na deze woorden. Ze rilt.
“Wie, lieverd?”
“Daar voor het raam, mama, daar was ze weer. De oma.”
Zachtjes, heel zachtjes, wiegen de gordijnen nog wat na. Heen en weer. Bijna onzichtbaar, maar bijna is niet helemaal. Bijna telt niet.