Captains Dinner

Captains Dinner #ssRotterdam

Captains Dinner

‘Slaap je al?’
‘Nee, ik ben helemaal niet moe.’
‘Ik ook niet, zullen we eruit gaan?’
‘Mag niet, pap heeft ons gewaarschuwd.’
Er klinkt een diepe zucht uit het bovenste bed. Vreselijk om hier te liggen, terwijl er zoveel te beleven valt buiten deze kleine hut. Het licht valt door de ronde patrijspoorten achter de gebloemde gordijnen, het is nog niet eens donker!
‘We gaan gewoon. Vanavond mogen pap en mam toch bij de kapitein aan tafel? Die zijn voorlopig nog niet terug!’
Boed springt uit bed en trekt de dekens van zijn broer Niko af.
Niko twijfelt niet meer, hij klimt via het trapje uit bed. Even later staan de twee jongens in de gang.

Het is september 1964. Een paar weken geleden zijn ze met hun ouders, broers en zusje vanuit Aruba naar New York gereisd, waar het grootste schip dat ze ooit hebben gezien in de haven lag te wachten.
De SS Rotterdam zal hun gezin naar Nederland brengen, het land dat ze alleen kennen uit verhalen en van een enkele zwart wit foto.
‘Nederland is een koud land,’ vertelde pap. ‘In de winter ligt er ijs op de sloten en het sneeuwt. Je moet warme kleren aan en in de huizen branden kachels.’
Honderden mensen zwaaiden het schip na toen het vertrok vanaf de kade van New York. Het Vrijheidsbeeld en de wolkenkrabbers werden steeds kleiner, tot er niets anders meer te zien was dan water.

‘Pas op,’ fluistert Niko. Hij wijst naar een steward die aan het einde van gang staat.
De jongens blijven tegen de muur gedrukt staan, ze houden hun adem in. Tot hun opluchting verdwijnt de man.
Op hun hoede lopen ze verder, gelukkig, er is niemand meer te zien. Via de blauwe trappen met het prachtige glas in loodwerk komen ze op bekend terrein. Daar is de speelkamer waar ze elke dag een paar uur moeten doorbrengen.
Vandaag hebben ze voor het eerst in hun leven dolfijnen gezien. Alle kinderen stonden met hun neus tegen de langwerpige ramen gedrukt om te kijken naar de capriolen van de glanzende grijze beesten. Wat waren ze groot van zo dichtbij.
Nu  is het donker en de deur zit op slot.

‘Laten we in het theater gaan kijken,’ stelt Boed voor.
De deur gaat piepend open. De gele gordijnen voor het podium zijn gesloten, alle stoelen zijn leeg. Niko klapt een grijze zitting naar voren en verdwijnt bijna in de stoel.  Boed gaat naast hem zitten. Ze kijken een tijdje naar de dichte gordijnen, maar er is niet veel aan. Het theater is alleen leuk als er voorstellingen zijn of wanneer er films gedraaid worden.

‘Kom, we gaan naar het zwembad.’
De jongens zijn echte waterratten. Zoals alle Arubaanse kinderen leerden ze zwemmen in het heldere, warme water van de Caraïbische Oceaan. Het kleine, donkere binnenbad van de Rotterdam was even schrikken! Het water was koud en het rook naar chloor. Ze durfden pas in het bad te springen toen ze zeker wisten dat die rare figuren op de bodem geen gevaarlijke vissen waren, maar mozaïek tegeltjes.
Het zwembad ziet er overdag al niet zo gezellig uit, nu is het ronduit griezelig. Door het deinen van de boot klotst het water tegen de kant en de paarse muurtegels maken het nog donkerder.
‘Ik denk dat alle grote mensen eten en dat alle kinderen slapen,’zegt Niko. ‘Wat een saaie boel.’

‘Zullen we naar de machinekamer gaan!’  De ogen van Boed beginnen te glinsteren.
‘Nee joh, daar mogen we toch niet komen,’ zegt Niko.
De machinekamer ligt dicht bij het zwembad en is verboden terrein voor de passagiers.
‘Alle grote mensen eten toch, zei je net.’
Niko kijkt om zich heen, er is niemand in de buurt. Boed heeft gelijk, laten ze het er maar op wagen. 
Met z’n tweeën openen ze de zware stalen deur naar de buik van het schip. Enorme stoomturbines dreunen dag en nacht om de Rotterdam over de oceaan te vervoeren.
Hier brandt volop licht. Lange leidingen lopen langs de muur en over het plafond. Het is benauwd, de zware geur van stookolie vult de ruimte.

‘Wat een kabaal,’roept Boed. Hij kijkt zijn ogen uit. Overal staan groene pompen, en metertjes geven aan of alles goed verloopt. Mannen in overalls staan bij enorme ketels, ze draaien aan gele wielen. Ineens kijkt één van de mannen Boed recht aan. ‘Hé, wat moet dat hier?’
Zijn sigaret blijft in zijn mondhoek hangen terwijl hij schreeuwt: ‘Hier mogen geen kinderen komen, en al helemaal niet ’s avonds laat!’
De jongens schrikken zich rot. Ze rennen langs de machines en openen de eerste de beste deur die ze tegen komen. Ze stuiten op een metalen trap en zo snel ze kunnen nemen ze de treden omhoog. Aan het einde zien ze een deur. Op slot… Verder rennen ze, de volgende trap op. Het zweet breekt hen uit, komt de man achter ze aan? Weer een smalle, stalen trap, weer een deur. Ook die is op slot.
‘Ik ben bang,’ bibbert Boed.
‘Zie je nou wel!,’ Niko leunt hijgend voorover met zijn handen op zijn knieën.
Verder gaan ze, nog twee trappen. Aan het einde is weer een deur, dit keer met een raampje. Niko duwt de klink naar beneden en dan rollen twee hijgende, bezwete jongentjes in hun pyjama de gang naast de eetzaal binnen. Hun ouders zitten aan de Captains Table en zijn net aan het voorgerecht begonnen. 

Zo snel ze kunnen staan de jongens op, en rennen gebukt langs de ramen van de eetzaal.
Ze zien niet dat hun moeder rood aanloopt en zich verslikt in haar eerste hap Waldorfsalade. Ze merken niet dat hun vader de kapitein afleidt met een vraag over Engelse literatuur, en ze horen niet het verbaasde geroezemoes van de gasten in de zaal.

‘Ik hoop niet dat papa ons gezien heeft.’
‘Nee joh, die is veel te druk met eten.’
Snel zoeken ze hun hut weer op, en duiken direct in bed. Met bonkend hart en de dekens tot hun neus opgetrokken wachten ze op de boze stem van vader.
‘Hij komt niet…’ fluistert Niko na een paar minuten.
‘Ik zei toch dat ze ons niet gezien hebben,’ antwoordt Boed.
‘Laten we maar gauw gaan slapen.’

‘Wakker worden jongens, het is half acht.’
Vader opent de deur van de hut, in zijn hand heeft hij de Ocean Post.
Boed en Niko draaien zich slaperig om.
‘En zorg ervoor dat jullie met schone voeten aan het ontbijt verschijnen.’ Met een glimlach verdwijnt hij weer.
Ze zijn direct klaarwakker, en kijken allebei tegelijk naar hun pikzwarte voetzolen. Zou pap toch…?