Malus Malleus Maleficarum

Malus Malleus Maleficarum

Malus Malleus Maleficarum

De vlammen torenden tot ver in de hemel. De maan was verdwenen achter een dikke laag wolken, die fel verlicht werden door het beneden liggende vuur en bijna rood leken te gloeien. Grootinquisiteur Naare Manne keek toe op de vele brandstapels en knikte tevreden. Een ijskoude wind trok langs en hij bibberde. Met een paar stappen stond hij naast een van de vuurzuilen en begon zijn handen eraan te verwarmen. In zijn mening ging er niks boven een gezellige, warme brandstapel. Hij gaf een diepe, vervulde zucht. Het afgelopen jaar was weer een geweldig succes geweest voor de Machtige Inquisitie Tegen Alle Werken Duivels, Hekserij En Andere Irritante Figuren bv. Tweeduizenddriehonderdtwee heksen, zevenenveertig door demonen bezeten personen, negenhonderdelf cultleden, drie niet meewerkende lokale ambtenaren en één echte tovenaar, had de organisatie succesvol vervolgd. Al met al, zelfs rekening houdend met een onfortuinlijk percentage onschuldigen tussen dit kwaad dat nog wel eens op de brandstapel eindigde, een goed resultaat. Toch kon het nog beter dacht hij, het volgende jaar zouden ze de succesratio verdubbelen. Hij had de afgelopen maanden lopen rekruteren en met deze nieuwe Inquisiteurs zou het hele Rijk worden gezuiverd. Emotioneel veegde hij een traan van zijn wang en gooide het in de vlammen waar het met een luide sis verdween.

Thomas Rupert melde zich de eerste dag van het nieuwe jaar bij het M.I.T.A.W.D.H.E.A.I.F bv. Hoofdkwartier. Nog geen maand hiervoor was hij slechts een arme molenaar geweest, maar toen zag hij een van de wervingsposters in zijn vaste kroeg en binnen een paar dagen was hij al geaccepteerd en doorgestuurd naar een van de trainingsscholen en nu, een spoedcursus later, zou hij eindelijk erop uit worden gestuurd om het kwaad te bestrijden. Zijn jonge open gezicht vol blijdschap en zijn zakken al leeggemaakt voor het beloofde hoge loon, stapte hij de wapenkamer in, waar alle Inquisiteurs met het benodigde materiaal werden uitgerust. Tot zijn verbazing was de ruimte bijna geheel leeg op een paar mannen na, die tussen de leeggemaakte kasten stonden.
   ‘Ah, daar ben je dan eindelijk!’
Een oudere, chagrijnig uitziende man in een paars gewaad kwam op Thomas af.
   ‘Een paar uur te laat jongeman’, hij bracht een gemene lach voort die klonk als iets wat tussen een hoest en een stervende kip inzat, ‘maar geen zorgen, deze andere idioten zijn blijkbaar net zo slordig, dus jullie kunnen mooi samen gaan.’
   ‘Eh, ik dacht dat het gebruikelijk was één Inquisiteur per streek te sturen, wat een zekere status zou moeten geven’, zei Thomas.
   ‘He, hach, huche, ja, maar ik heb niet genoeg materiaal meer voor jullie, dus je zal moeten delen.’
Hij stapte naar een van de kasten.
   ‘Hier zijn voor jullie alle drie nog wel de officiële Inquisiteurs werkkleding, vuurvaste rode gewaden en vuurvaste rode bolhoeden.’
Uit een andere lade haalde hij een tondeldoos en een aantal witte kubussen, een uitvinding van de Inquisitie, die ze Brandblokjes noemde (die inderdaad goed branden, maar vaak zo snel alweer op zijn dat ze niks verder aansteken).
   ‘Alsjeblieft’, hij duwde de voorwerpen in de handen van een van de andere twee nieuwe leden, een man van middelbare leeftijd met een kaal hoofd en een snor die tot ver over zijn kin hing en waar overduidelijk op werd gekauwd in tijden van stress.
Toen pakte hij een houten staak van de muur (normaal kregen Inquisiteurs een zilveren, maar deze waren dus inmiddels op) en greep hij een flesje met groenig water uit een krat.
   ‘Een staak en waarheidsserum’, met deze woorden gooide hij het spul naar de andere nieuweling, een man van ongeveer dezelfde leeftijd als Thomas, met kort rood haar en een gezicht vol sproeten, die de voorwerpen nog net ving.
Ten slotte nam de man een boek in handen wat hij met een voor zijn doen bijna eerbiedige behandeling door de kamer droeg en aan Thomas gaf.
   ‘De Heksenschroevendraaier, ons handboek voor het bestrijden van het kwaad’, hij nam een paar passen terug.
   ‘Nou dat was het dan wel, loon wordt uitbetaald elke laatste van de maand, vanaf het moment dat jullie je eerste vijand hebben veroordeeld. Het zal dan per postduif worden verstuurd naar de locatie waar jullie zijn gestationeerd. Oh, ja, komend jaar zullen jullie dienst doen in het dorp Pittoresque, veel succes!’

Binnen minder dan een minuut had het drietal zich omgekleed en met gedeelde wapens en handleiding gingen ze gauw op weg.
   ‘Hans Kreizer, is de naam’, zei de oudere man, ‘veteraan van de Zuideroorlog, maar nu nodig toe aan het opbouwen van een degelijk pensioen. Ik bedoel, het is handig dit gelijk maar te zeggen het gaat mij vooral om het geld.’
Hij begon zenuwachtig op de punten van zijn snor te kauwen.
   ‘Edward Cal Er’, zei de roodharige jongeman, ‘en ik zal eerlijk zeggen dat ook mijn dienst het gevolg is van financiële problematiek.’
   ‘Thomas Rupert, zelfde motivatie.’
De mannen keken elkaar aan.
   ‘Nou dat maakt het dan vrij makkelijk nietwaar’, zei Edward, ‘we zijn allemaal soort van in dezelfde schuit, dus we zullen het vast goed kunnen vinden en ik denk dat jullie het met mijn idee eens zullen zijn.’
Hij zweeg even om te bedenken hoe hij zijn idee het beste kon verwoorden.
   ‘Wat ik voorstel is dit, we worden pas betaald na het eerste succes, dus we vinden zo snel mogelijk een heks, of wat dan ook en zitten dan de rest van de tijd rustig uit, waarbij het geld binnenkomt. Ik bedoel jullie hebben vast ook geen zin om te veel moeite in zaken te steken en als er echt veel problemen in dit dorpje, Pittoresque zouden zijn, zou dit vast al wel bekend zijn geweest bij de Inquisitie.’
   ‘Klinkt logisch, maar als het echt zo rustig is vinden we dan wel iets kwaads?’, vroeg Hans, tussen zijn drukke kauwen door.
   ‘Tuurlijk, er zal vast wel een heks zijn, bijna elk dorp moet er toch wel één hebben zou ik denken en we hebben de Heksenschroevendraaier, dus moeten we erin slagen dat te kunnen bewijzen en dan eenmaal met haar uit de weg, zitten we daar wel goed.’
Thomas en Hans knikten instemmend. Thomas opende het boek.
   ‘O, o dat is niet goed!’
Het boek dat ze hadden gekregen was in feite een zelf-gekopieerde versie, het enige reserveboek van de organisatie, maar helaas voor hen herschreven in een lokaal dialect van een verre uithoek van het Rijk, door een Inquisiteur genaamd, Jan de Analfabeet. Thomas en Edward bekeken de tekst en vloekten. Hans begon de punten van zijn snor vlijmscherp te maken.

De reis duurde uiteindelijk twee weken, waarin het drietal verschillende tussenstops maakten in boekenzaken op zoek naar een woordenboek om de Heksenschroevendraaier te kunnen vertalen. In een met tabaksrook gevulde winkel, verstopt in een steeg in een van de steden waar ze langskwamen, vonden ze uiteindelijk een vergeeld, oud en gedeeltelijk vergaan exemplaar, dat nog net goed genoeg was om het handboek te vertalen. Zonder materiaal en tijd om dit uit te schrijven, hadden ze enkel de keuze het te gebruiken zoals toeristen die naar het Rijk kwamen dit zouden doen en moesten ze alles keer op keer los opzoeken. Ondanks dit wisten ze toch het een en ander te onthouden en op deze manier kwamen ze met een illusie van verstand van zaken aan in Pittoresque.

Pittoresque was een oeroud dorp aan de noordgrens van het Rijk. Het bestond uit een stuk of dertig kleine houten huizen, een klein tempeltje voor de goden en een enkel groot stenen gebouw dat dienst deed als zowel gemeentehuis, herberg en bakkerij. Twee keer in de week werd er ook een spellenavond georganiseerd, waarin een spel werd gespeeld dat vooral de ouderen van het dorp en de omgeving leuk vonden en wat ze de naam, Bingo, hadden gegeven. Het dorp had een keer in de maand een marktdag en was het centrum van kleinschalige houthandel en agrarische productie in de streek. Tot nu toe hadden ze nooit veel contact met de rest van het Rijk gehad, behalve voor de jaarlijkse belastingfraude, die ze pleegden als een ambtenaar van de Keizer langskwam. De Inquisitie was iets waar ze wel vaag van hadden gehoord, maar dit was het eerste jaar dat vertegenwoordigers ook daadwerkelijk ernaartoe waren gestuurd.

Ze werden begroet door een potige dame met bruin haar dat net grijs begon te worden.
   ‘Ha, welkom.’
Toen liep ze weg. Voor Anna Nas, burgemeester van Pittoresque, was aan alle beleefdheden voldaan en ze zag niet in waarom ze verder zou moeten socialiseren met voor haar onbekende personen. De drie Inquisiteurs staarden haar na.
   ‘Nou dat was interessant, wat nu?’
   ‘Eerst maar onderdak zoeken denk ik.’
   ‘Maar niet te duur, we hebben nog geen loon gehad.’
Na lang zoeken, vragen en smeken, waarbij de dorpsgenoten zo min mogelijk met de Inquisiteurs probeerden te communiceren en de Inquisiteurs uit principes weigerden om tot omkoping te vervallen (deze principes natuurlijk gebaseerd op moraliteit en zeker niet op persoonlijk geldbejag), vonden ze uiteindelijk een leegstaande plaggenhut aan de rand van het dorp om in te verblijven. Ze stalden hun spullen uit en bekeken de laatste restanten van de noodrantsoenen waarop ze de afgelopen weken hadden geleefd.
   ‘We moeten echt snel succes hebben’, zei Edward.
   ‘Morgenvroeg dan maar gelijk aan de slag, of niet?’, vroeg Hans zenuwachtig.
   ‘Mannen, geen zorgen, morgen vinden we een heks en dan zal het allemaal goed komen.’, zei Thomas.

Het kwam niet goed. Ondanks hun pogingen het dorp bijeen te brengen voor het gemeentehuis/herberg/bakkerij dwaalden velen alweer weg voor ze konden worden toegesproken, anderen waren niet komen opdagen en de paar die bleven waren niet echt onder de indruk van iets wat was gezegd. Dit kwam vooral doordat geen van de Inquisiteurs ervaring had met spreken in het openbaar en hun slecht overgebrachte waarschuwing voor hekserij niet echt als beangstigend fenomeen overkwam. Iedereen in het dorp wist immers dat Dove Netel, de oude vrouw die aan de bosgrens net buiten Pittoresque woonde, een heks was en niemand vond dit een probleem zolang ze geen magie gebruikte om vals te spelen tijdens de bingoavond. Het enige wat indruk maakte was een afkeuring van duivenswerk (een ongelukkige verspreking), die lokale duivenmelkers, bekend om de beste halfvolle zuivelproducten, diep kwetste, waarop ze beledigd terug naar hun vogels gingen. Na een aantal uur spreken, werden ze uiteindelijk verdreven met gegooid fruit en groenten, wat in elk geval weer voor een voorraad proviand had gezorgd, waarmee de dag niet een totale mislukking was in de ogen van de Inquisiteurs.
   ‘Morgen moeten we het anders aanpakken’, zei Edward, ‘ze luisteren niet, weigeren mee te werken en hoewel we van eten zijn voorzien, lijkt het mij niet dat dit een succes wordt als we zo door gaan.’
Ze dachten na over hun opties en bekeken de Heksenschroevendraaier, die, in hun editie, bij dit soort problematiek voorstelde om met ijzeren puist op te treden. Nu geen van hen in bezit was van een puist, ijzer of enige ervaring in het theater, besloten ze dat dit niet veel hielp.
   ‘We moeten misschien maar mensen gaan vervolgen.’, zei Thomas.
   ‘Dan kunnen we in elk geval druk uitoefenen en dan vertellen ze ons wel wie een heks is, dat moeten ze met zo’n kleine gemeenschap toch wel vermoeden.’
Edward knikte.
   ‘Of we eisen een proeverij van alle drank om erachter te komen welke zuur is gemaakt en dan weten we wie in elk geval slachtoffer is en kunnen we via deductie de heks ook achterhalen.’
   ‘Ja maar ze laten ons nooit zoiets doen met hoe ze over ons denken.’
De discussie ging nog even door, maar uiteindelijk wisten ze niets te bedenken wat te doen en gingen de Inquisiteurs maar weer slapen.

Dove Netel keek in de ketel, paarse rook dwarrelde uit het oranje mengsel en werd als groen ijs afgezet op de schouw. Ze had haar gehoor al vroeg verloren, maar had hierbij ook geleerd haar andere zintuigen ten volle te gebruiken. Vooral haar reukvermogen was over de jaren toegenomen totdat ze met een beetje concentratie zelfs de toekomst kon ruiken. Een niet onhandige gave, al zei ze het zelf (dit deed ze echter niet, want met een gebrek aan gehoor had ze ook spreken opgegeven). Nu rook ze haar einde. Ze gaf een diepe zucht. Het moest er een keer van komen. De afgelopen veertig jaar had ze Pittoresque en omgeving voorzien van brouwsels en spreuken om het een beetje goed te laten functioneren, maar het was tijd om de pollepel neer te leggen. Ze sloeg een zwarte mantel om, plakte een wrat op haar neus en zette een punthoed vol spinnenwebben op. Haar kat, verfde ze zwart en de halfvolle duivenmelk die ze nog bij zich had maakte ze zuur met wat azijn. Toen pakte ze een stuk papier, schreef hierop en trok de nacht in. Bij een plaggenhut, waar het gesnurk van drie mannen in te ruiken viel, plaatste ze de brief. Toen ging ze terug naar haar hut en wachtte af.

De volgende ochtend zagen de Inquisiteurs de brief. Ze raadpleegden de Heksenschroevendraaier, die voorstelde om op de passen te tellen, want het kon immers een strikval zijn. Ondanks dat ze niet precies wisten wat het handboek bedoelde, besloten ze toch voorzichtig te zijn en met de houten staak werd de brief geopend. Ze lazen het... toen lazen ze het nog een keer… toen nog maar eens. Hans opende het waarheidsserum en schonk het uit over het papier. Het vocht trok erin, maar niks gloeide op. De inhoud van de brief was de waarheid en zonder plagiaat geschreven. Ze begonnen te lachen, het zou toch goedkomen. Na hun spullen te hebben gepakt trokken ze naar het huis van heks.

Die middag was alles gereed gemaakt voor het gemeentehuis/herberg/bakkerij. Alle tekenen voor hekserij volgens de handleiding (Jans editie) waren er. Ze hadden Netel zelfs nog gewogen om zeker te zijn en ook haar gewicht leek te kloppen. Ze gingen hier verder niet op in omdat allen het onbeleefd vonden een opmerking over het gewicht van een dame te maken en in plaats daarvan waren ze gelijk doorgegaan met het bouwen van een brandstapel. Een stapel hout was hoog opgebouwd en hieruit stak een enkele houten staak. Tussen de kleinere takjes lagen ook de Brandblokjes. Onder boegeroep en vele klachten werd Netel geketend aan de staak. Als er niet militaire acties ondernomen werden bij tegenwerking van de Inquisitie, iets wat zelfs hier bekend was, zouden ze in verzet zijn gegaan. Nu konden de dorpelingen echter niets anders doen dan klagen. Thomas drukte de knop in van de tondeldoos, een klein vlammetje ontsproot en met een dramatisch gebaar en een gebed aan de goden stak hij de stapel aan. Tot iedereens verbazing bleef Netel zonder tegenstribbelingen stil staan, maar voor iemand hier te lang over na kon denken vloog het hout in een flits in de fik. De vuurzee rees op en veranderde Dove Netel in een Brand Netel. Ze gaf geen schok. De Inquisiteurs hadden de streek gezuiverd.

Grootinquisiteur Naare Manne was tevreden, het jaar was pas een paar maanden bezig en nu al hadden ze de dubbelle resultaten van het jaar ervoor. Hij hield de stok met een aantal zoetigheden bij de brandstapel, die kalm begonnen te smelten. Een nieuwe uitvinding, maar een goede. Het was hem gestuurd door een anoniem persoon als dank voor de uitroeiing van hekserij in het Rijk. Hij glimlachte, zelfs in Pittoresque, een dorp waar hij dit jaar pas iemand naartoe had gestuurd, omdat het zo klein en afgelegen was geweest, was een heks vervolgd. Vol gelukzaligheid nam hij een hap van het snoep. Hij verstarde, een raar gevoel trok door zijn gehele lichaam, toen gebeurde het… In een enkele witte flits ontbrande de man en nog voor iemand met zijn ogen had kunnen knipperen was hij verdwenen en waar de Grootinquisiteur had gestaan, was nu enkel een klein hoopje as.

Thomas deed de deur van de hut open en gooide zijn gekapte mantel over de kapstok. Edward en Hans keken op van het kaartspel waar ze mee bezig waren.
   ‘Weer gelukt?’
   ‘Ja hoor’, grinnikte Thomas, ‘ik ben niet herkend en ze waren precies op tijd.’
Hij gooide de zak met loon op tafel. Inmiddels de derde die ze ontvangen hadden van een nog nader te bepalen aantal dat ze zouden krijgen tot hun overplaatsing en onverwachte “verdwijning” direct na nieuws van deze overplaatsing. Telkens ging een van hen in vermomming naar het dorp om daar het geld op te halen, de bewoners waren namelijk nog altijd kwaad en zouden misschien gevaarlijke ideeën kunnen krijgen als ze werden herkend. Met het kapitaal dat ze in dit jaar opbouwden konden ze een tijd vooruit en zodra het op was, tsja, dat was iets voor de toekomst. Thomas wees op een brief                                                                                                                                                                                                                                             'Ze heeft weer geschreven.'                                                                                                                                                                                                          Edward gaf het aan hem door. De brief bevatte een kort dankbericht, een groet en een schets van een palmboom op een strand. Dove Netel had hen er nu een aantal gestuurd sinds ze haar plan hadden gevolgd om haar verbranding in scene te kunnen zetten. Het was voor allen een goede onderneming geweest. De drie binnenkort ex-Inquisiteurs konden hun geld binnenkrijgen, iets wat hen anders waarschijnlijk nooit was gelukt in deze omgeving en Netel kon eindelijk met het pensioen waar ze stiekem toch aan toe was geweest. Na de vuurspreuk was ze snel van de brandstapel afgesprongen en had ze zich bij de wegrennende Inquisiteurs gevoegd, die haar hadden begeleid naar een nabijgelegen havenstadje. Hier was ze met een boot naar de Westerse Eilanden gevaren om de rest van haar leven te kunnen genieten van een tropisch pensioen. Thomas dacht dat het misschien ook een optie voor hen was als ze de termijn hadden uitgezeten. Hij keek naar zijn collega’s en inmiddels zeer goede vrienden.
   ‘Deel mij ook in!’
Zo zaten ze te kaarten in een afgelegen hut aan een instabiele tafel, rechtstaand door een boek onder een van de poten. Uiteindelijk was de Heksenschroevendraaier nog nuttig gebleken ook.