s.s. ‘Rotterdam’. De achterkant van de glamour.

s.s. ‘Rotterdam’. De achterkant van de glamour.

s.s. ‘Rotterdam’. De achterkant van de glamour.

De ‘La Grande Dame’ voer in volle glorie over de wereldzeeën en deed tal van havens aan.
Het verhaal van het stoomschip ’Rotterdam’ is het verhaal van mensen, de scheepsbouwers, de zeelieden en passagiers.
De werfmensen van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij die vanaf het eerste ontwerp op papier, stap voor stap, het schip van kiel tot het topje van de mast tot leven brachten.
De zeelieden, van kapitein tot de stoker, die het schip veilig over de oceanen naar vreemde havens lieten varen.
De passagiers, van landverhuizers tot toeristen, die van het schip een levendige legende maakten.

Ik woonde op Heijplaat en werkte in de gieterij van de RDM. Samen met talloze anderen liep ik ‘s-morgens de poort van de werf binnen naar mijn werkplek, de gieterij.
Hier maakte ik de gietvormen voor de scheepsonderdelen. Dit is een helse herinnering
van smeltend ijzererts tot scheepsonderdeel.
Een herinnering van een helse onderwereld met zwart gele rookwolken, zwaveldampen, fel oplichtend vuur en intense hitte die mijn werkplek vormde . In deze op de hel lijkende omgeving bevond ik mij tussen grote potten waarin smeltend roodgloeiend ijzer opborrelde. Als het ijzer voldoende vloeibaar was begon een gevaarlijk karwei want bij het overhalen van de pot vloeibaar ijzer om de gietvormen te vullen, spette de gloeiende massa uiteen en verwondde vaak menig arbeider.
Bij de stapelloop van het schip stond ik in de voorste rij en toen het schip de helling afgleed keek ik met trotsheid toe. Het was een ter waterlating van noeste arbeid.
Toen het schip verder was afgebouwd begon haar eerste zeereis. Voor mij een moment uit mijn leven om de gevaarlijke helse plek van de gieterij te verlaten. Ik monsterde aan op de s.s. ‘Rotterdam” waarbij ik als tremmer in de machinekamer mijn nieuwe werkplek had gevonden. Mijn taak was het om samen met andere tremmers kolen uit de bunkers te scheppen naar de vuurplaats, zodat de stokers het vuur in stoomketels brandend konden houden. De scheepsmotoren maakten een hels lawaai en het stonk naar smeerolie. In deze denderende en turbulente wereld diep in het schip had ik de ene hel omgeruild voor de andere. Het werk dat ik deed, samen met anderen, was zwaar en vuil en halwegere de shift zagen wij er zwart en bezweet uit en leken wij meer op mijnwerkers dan op zeelui. Het waren lange en vermoeiende dagen en soms gevaarlijk als het schip door een storm en hoge golven stampte en slingerde. Dan was het moeilijk om bij het scheppen overeind te blijven. Aan het einde van de shift konden wij ons wassen en omkleden. In het donker van de nacht, als de passagiers sliepen, mochten wij aan dek op het voorschip een luchtje scheppen.
De gage voor dit harde werken was laag en de arbeidsomstandigheden slecht. Als het schip in een haven afmeerde mocht ik soms met mijn maten voor korte duur van boord gaan om een biertje of borreltje te halen in de dichtstbijzijnde havenkroeg. Lang konden we daar niet blijven want de stoomketels moesten worden gevoed om de aggregaten draaiende te kunnen houden.

Ons leven als stoker stond in een schril contrast met dat van de passagiers. Zij lagen op de dag lui naar de horizon te staren en in de avond werden zij verwend met lekker eten en alle egards.
Voor hen was het verblijf aan boord een heerlijke en tijdelijk tijd, maar voor mij was het de knoet van arbeid en een deel van mijn leven.
Toen het schip in andere handen overging en tot ‘Rembrandt’ werd omgedoopt ben ik toch met heimwee afgemonsterd. Voor mij werd de ‘La Grand Dame’ een herinnering.

Een herinnering die nog even boven kwam in 2008 toen het schip na een lange periode van allerlei technische problemen, als Hollands Glorie hangend aan sleepboten door de pieren van Hoek van Holland binnen kwam varen. Het schip werd groots onthaald en verwelkomd door duizenden mensen die langs de oevers van de Nieuwe Waterweg, het Scheur en de nieuwe Maas stonden. Onder luid getoeter van de bootjes die om haar heen voeren werd zij afgemeerd in haar thuishaven aan de kade in de Maashaven. Nu zie ik haar met enige droefheid geboeid met landvasten aan bolders geketend liggen bij Katendrecht. De scheepsmotoren in haar hart zwijgen en ze is ,gelijk mijn herinnering, geworden tot de achterkant van de glamour.

Geschreven uit overleveringen door Nico Sannes.