Als de tuin klaar is

Als de tuin klaar is

Als de tuin klaar is

Zondag 

Ze hadden je moeten laten afschieten. 

Zijn ogen schoten vuur naar mij vanuit de tuin, ik kromp ineen in de bijkeuken. Hij meende het niet zo. Ik had het tuingereedschap niet op de juiste plek opgeborgen. Ik was heel zorgvuldig geweest, maar niet zorgvuldig genoeg. Bovendien was het nog lang niet af. De perkjes kostten veel meer werk dan ik had verwacht.

Hoe kon ik dit goedmaken? Ik stamelde. De volgende keer... Het spijt me... Je weet dat ik... 

Niks volgende keer. Stomme trut. 

Ik knikte. Men zegt dat je gekwetst wordt door anderen door het deel van jezelf dat het eens is met de belediging. 

Op het balkon aan de overkant ontwaarde ik door mijn tranen heen de gestalte van mijn overbuurvrouw die de was ophing. Het was een wat aparte vrouw met een bos bruine krullen die samenwoonde met een man die langer haar had dan zijzelf. 

Soms zag ik ze samen in de tuin zitten met hun katten en een fles wijn. Ze leken zo gelukkig. Hij zou haar nooit slaan, hooguit wat jolig op de kont als de wijn op was. Zij was zijn koningin en hij was haar koning. Ze moest mijn man hebben horen schreeuwen. Misschien dacht ze wel, ga toch weg bij die vent. En misschien heeft ze gelijk. Ja, misschien stond ze daar wel extra lang aan de was te pulken om een oogje in het zeil te houden. 

Dat was vanmiddag. Vanavond is alles goed. 

Vanavond masseert hij mijn schouders en voel ik me als een prinses in Zwitserland, met een glas rosé en toastjes met kruidenroomkaas. Zijn ogen zo oprecht vol liefde toen hij duizendmaal excuses aanbood bij het roze boeket dat op de tafel prijkt. Hij houdt van me. Vanavond voel ik me veilig. 

Morgen ga ik bij hem weg. 


Maandag 

Ik wil een gordijn als keukendeur. 

Een zithoekje met planten. 

Katten, net als de overburen. 

Een laag tafeltje met een wijnfles die dienstdoet als kaarsenstandaard. Chardonnay. 

Een extra slot op de voordeur. 

Een balkon waar de zon zo'n gouden streep maakt op een witte stoel waar ik na het werk mijn krantje lees met een glas wijn, vlak voordat hij ondergaat. 

Japanse mix wil ik eten. Die te dure van Albert Heijn die ik nu maar zelden kan kopen omdat hij van ons laatste geld drank koopt. Gewoon een klein bakje wil ik. En kokoskoeken. Die zoete troep die niemand lust behalve ik. In mijn eentje in mijn ondergoed, zittend op een kleed naast de salontafel waar een gammele stapel boeken op ligt, terwijl ik met een half oog een huilfilm op RTL4 volg. 

Ik wil om acht uur 's ochtends opstaan op zaterdag. Ik wil vroeg boodschappen doen, de gordijnen open - vooral dat, de gordijnen open. Ik wil dat het licht naar binnen kan. Of eigenlijk wil ik vooral dat het donker naar buiten kan. Eruit, weg, uit mijn gefantaseerde huis, uit mij. Ik wil vers brood eten bij mijn zaterdagmiddaglunch, ik wil vrienden kunnen uitnodigen die ook overdag wakker zijn. 

Ik wil dat mijn keukentafel een plek wordt met een fruitschaal en zo'n leuk rond plateautje met drie kleuren stompkaarsen van Ikea, niet een plek waar een dronken man me ondanks tegenstribbelen vooroverbuigt, met een honende lach mijn broek naar beneden trekt en me zo zielloos en hardhandig neukt dat ik er drie dagen niet wil eten. 

Klavierstraat 44. Aantal reacties: 194. Uw positie: 12. Ik maak kans als ik reageer op deze huurwoning. Ik zou het moeten doen. 

Maar niet vandaag. Straks ziet hij dat ik onze account heb gebruikt om op woningen te reageren en zet hij me eruit. 

Ik kan het niet riskeren. 

Morgen. Morgen ga ik bij hem weg. 


Dinsdag 

Soms denk ik dat ik nooit meer wil spreken. Dat ik veiliger ben als geen woorden mijn mond nog verlaten. 

Dat ik nooit meer mijn mond opentrek over hoe hij om drie uur 's middags opstaat, mijn zelfgemaakte kaassaus voor de lasagna over twee boterhammen met ei en spek giet en zo ver onderuitzakt op onze leren bank dat zijn buik het hoogste punt vormt. 

Soms zie ik voor me hoe bij een overstroming hij voorbij zou dobberen, zich om niets bekommerend, nog precies in diezelfde houding maar dan met het bierblik iets opgericht om te voorkomen dat er water in loopt. 

Hooguit zou hij het blik nog naar mijn hoofd smijten, me van de overstroming beschuldigend. 

Maar dan open ik toch mijn mond. 

Zal ik wat lekkers voor je koken liefje? 

En hij smelt. Voor even is hij weer die jongen, met die heldere ogen. 

En dan hou ik van hem, zo intens veel. Van zijn handgebaren, van zijn lach. Van zachte geluidjes die hij maakt als hij slaapt. Van het geluid als hij boven de douche dichtdraait. Van de geur van zijn huid. Van de zachtheid van zijn haar. Van zijn mooie woorden, hoe zijn ogen kunnen fonkelen als hij glimlacht. Van het geluid van zijn auto als hij weer thuis komt. Van hoeveel langer hij is dan ik als ik op blote voeten mijn hoofd tegen zijn schouder leg. Van zijn eindeloze liefde voor onze hond. Van zijn kleine woordgrapjes. Van hoe zacht zijn handen kunnen zijn op mijn lichaam. Van dat ik weet dat hij ook weet hoe het voelt als muziek door je ziel snijdt. Van hoe hij me kust zoals hij altijd gedaan heeft en niemand anders kan. Van hoe hij geniet van lekker eten. Ja, ik hou zelfs van het geluid van zijn handen die een blikje bier opentrekken. 

Morgen verlies ik mijn alles. 


Woensdag 

Het is mijn vaders verjaardag. Elk jaar vier ik dat, ook al is hij er al tien jaar niet meer. Ik kook zijn favoriete eten - bourgondische biefstukpuntjes - en drink het witbier dat we altijd samen dronken. Ik ben gestopt te rouwen op zijn overlijdensdag, maar zijn verjaardag weiger ik los te laten. 

Ik zit aan de keukentafel met mijn handen voor mijn ogen. Een van mijn tranen spat uiteen op de sportpagina van de krant onder mij. Op de aanrecht liggen de biefstukjes zij aan zij te rusten, een voor mij en een voor mijn man. 

Zo, is het weer janktijd?, had hij gezegd toen hij de biefstukken zag liggen. Hij wil het vlees, maar niet de tranen. Ze hebben elkaar nooit ontmoet. Mijn vader zou hem niet hebben gemogen. Mijn lieve vader, die me onder zijn vleugels nam toen mijn eerste vriendje het uitmaakte en ik ontroostbaar was. Hij zette me in de auto, reed naar een pitoresk dorpje en kocht een grote mok warme chocola voor me. Daarna hebben we eindeloos gewandeld en gepraat, voor het eerst in mijn jonge leven als twee volwassenen. Papa en ik. 

Maar papa, denk ik, ik hou van deze man. 

Nee, zou mijn vader hebben gezegd, hoofdschuddend boven die grote mokken met warme chocoladedrank. Hij is niet goed voor je. Morgen ga je bij hem weg. 


Donderdag 

Mevrouw? 

Mijn linkeroog wil niet open. Toch zie ik direct dat het een arts is. Kan niet missen. Hij is volledig in het wit gekleed en draagt zo'n dun zilveren montuur. Bovendien bevind ik me onmiskenbaar in een ziekenhuis. 

Wat doe ik hier? 

Kunt u me horen? 

Ja, ik hoor je. Ik heb enorme hoofdpijn. 

Dat geloof ik graag mevrouw. Blijft u nog maar even rustig liggen. 

Het gaat wel weer. 

Wat doe ik hier? 

U mag vanavond nog naar huis, maar u heeft wel een stevige hersenschudding. Is er iemand die vannacht bij u kan zijn om u te wekken? 

Mijn man. Waar is mijn man? 

Uw man? 

Ja. 

Wilt u geen aangifte doen? 

Opeens begrijp ik het. En voor het eerst zeg ik zeg het hardop. 

Niet nu. 

Morgen doe ik aangifte. 

Morgen ga ik bij hem weg. 

Nou ja, ok, als de tuin klaar is dan. Ik kan hem toch niet met deze puinhoop laten zitten.

Maar dat gaat nooit gebeuren