Het eb en vloed van ons leven

Het eb en vloed van ons leven #SweekStars2018kort

Het eb en vloed van ons leven

Het eb en vloed van ons leven


Verloren loop ik langs de vloedlijn over het strand. De wind waait rond mijn oren en ik kruip een beetje dieper weg in de kraag van mijn jas. Ik had een sjaal om moeten doen, maar ik stond er niet bij stil dat het zo koud was toen ik het niet meer uithield op die kamer en daar zo snel mogelijk weg wilde.
Bij het paalhoofd zoek ik met de zaklamp van mijn mobiel naar twee palen die ver genoeg uit elkaar staan om mezelf erdoor te kunnen wurmen. Het is pikkedonker en ik wil zien te voorkomen dat mijn jas onder de groene smurrie komt te zetten door de resten zeewier die aan zeepokken aan de palen hangen. Ik loop een stukje naar links en vind een opening waar ik door kan. Ik duw mijn jas tegen mijn buik en maak me zo dun mogelijk. Een opening in de tweede rij palen is snel gevonden, waarna ik mijn wandeling vervolg.
Er loopt geen mens op het strand, waarschijnlijk zit iedereen gezellig thuis aan een warme maaltijd. Lekker bij de verwarming, of beter nog, de openhaard. Ik niet. Ik heb geen honger. En ook geen openhaard trouwens.
Boos schop ik tegen een kluwen verdroogd zeewier. Het is mijn eigen schuld dat ik hier alleen loop. Er waren genoeg mensen die me uitgenodigd hebben om de kerstdagen met hen door te brengen, maar mijn hoofd stond er niet naar. Ik had geen zin om mezelf beter voor te doen dan ik me voelde. De schijn op te houden om de sfeer niet te verpesten voor anderen. Dus wimpelde ik iedereen vriendelijk, maar vastberaden af met de mededeling dat ik tijdens de feestdagen een weekje weg zou gaan. Zodra die smoes over mijn lippen kwam, bedacht ik me dat dat inderdaad was wat ik ging doen. Op internet zocht ik een B&B aan de kust en boekte een kamer. Wat op dat moment een slim idee leek, voelt nu niet meer zo geweldig.
Mijmerend kijk ik uit over de zee, die zo zwart als de nacht is. Ik zie alleen de koppen van de golven glinsteren in het maanlicht en verderop in het water zie ik af en toe een groen of rood lichtje van een boei. Het was dom van mezelf om juist hiernaartoe te komen. Deze plek staat bol van de mooie herinneringen. Herinneringen van vroeger toen ik hier met mijn ouders en mijn zusje kwam, meestal in een zomervakantie. Maar ook herinneringen aan weekendjes samen met hém.
Er loopt een rilling over mijn ruggengraat en ik loop weer door, in mezelf mopperend dat ik had kunnen bedenken dat fijne herinneringen op dit moment alleen maar des te meer pijn doen en me genadeloos confronteren met hoe alleen en ellendig ik me eigenlijk voel op dit moment.
Ik had beter het vliegtuig kunnen pakken om mijn zusje op Sicilië te bezoeken. Maar het vooruitzicht om als het vijfde wiel aan de wagen met haar gezin Kerst te vieren, trok me niet direct aan. Op dit moment weet ik zo net nog niet wat erger was geweest: een paar dagen met Anne, haar man Luca en die twee schattige kindertjes doorbrengen of alleen in een half verlaten B&B aan de Zeeuwse kust. Ik zou zeggen het laatste, maar ik weet dat als ik naar Anne was gegaan, ik me daar ook diep ellendig had gevoeld. Met name door de meisjes, die gek op me zijn en niets liever doen dan tijd met hun tante doorbrengen. Ik denk alleen dat ik ze op dit moment niet om me heen zou kunnen verdragen. Hun lieve snoetjes, sprankelende bruine oogjes en schattige krulletjes.
De koude wind blaast mijn tranen richting mijn oren en ze bevriezen bijna op mijn huid. Nijdig wrijf ik met de mouw van mijn jas over mijn wangen.
Met een brok in mij keel denk ik terug aan het gesprek met Anne, die niet begreep waarom ik deze Kerst niet naar haar wilde komen. Ik kon toch maar moeilijk zeggen dat haar leuke gezin me op dit moment zoveel verdriet doet? Dat ik na het vertrek van Mart, met wie ik een toekomst op wilde bouwen, niet verwacht dat ik ooit nog een gezin zal krijgen. Dat ik waarschijnlijk nooit de vreugde van het moederschap mee zal mogen maken. Ik ben al achtendertig en alleen…
Nee, het is beter zo. Beter dat ik nu op mezelf ben. Pas als ik mijn wonden heb gelikt en mezelf weer een beetje bijeengeraapt heb, stap ik op het vliegtuig en bezoek ik de enige familie die ik nog over heb.
Een stukje verderop zie ik de lichten van een strandpaviljoen. Verbaasd kijk ik om me heen, maar ik zie natuurlijk vrijwel niets in het donker. Wel ken ik de omgeving hier goed genoeg om te weten dat ik veel verder gelopen heb dan ik dacht, als ik al zo dicht bij het grote strandpaviljoen ben. De kleinere strandtenten zijn op avonden als deze helemaal niet open, maar dit oude paviljoen wel. Ik moet eerlijk toegeven dat ik het steenkoud heb en toch een beetje honger begin te krijgen. Ik besluit dan ook een klein stukje verder te lopen en naar binnen te gaan. Dan kan ik een beetje op temperatuur komen en misschien iets warms eten.
Ik zet er stevig de pas in en kom al snel bij de trap die me het paviljoen op leidt. Ik haal mijn hand uit mijn jaszak en pak de leuning vast, want ik voel onder mijn voeten dat de eerste treden half bedekt zijn door het zand. Zonder mijn nek te breken kom ik boven. Ik haast me naar binnen. Zodra ik de deur opentrek, komt de warmte me tegemoet, vergezeld door een van de bekende kerstdeuntjes die de hele dag op de radio te horen zijn.
Tot mijn verbazing zijn er best nog wat mensen binnen. De zaak zit niet bomvol, maar het is ook geen trieste bedoening met maar één zielige zuipschuit aan de bar zoals ik even vreesde. Opgelucht door de gezellige sfeer die me omringt, adem ik een keer diep in en uit. Ik zoek een leeg zitje en schuif op de bank. Mijn jas leg ik naast me en ik wrijf in mijn handen om ze een beetje warm te krijgen.
‘Zo, jongedame. Vrolijke Kerstfeest. Wat kan ik voor je doen?’
Als ik opkijk, zie ik een man van middelbare leeftijd aan mijn tafel staan. Hij heeft een grote snor en lachrimpeltjes sieren zijn gezicht. Als vanzelf vormt zich een glimlach rond mijn lippen.
‘U ook vrolijk Kerstfeest, meneer. Ik lust wel een kop thee en vroeg me af of ik toevallig een hapje kan eten hier.’
‘Natuurlijk kan dan, zolang je geen sjiek kerstdiner verwacht,’ zegt hij met een vrolijke knipoog.
‘Nee hoor, als het maar iets warms is.’
‘Prima, ik haal die thee en neem gelijk de menukaart voor je mee.’ Met een klopje op mijn schouder draait hij zich om en loopt terug naar de bar. Als de telefoon gaat, zegt hij iets tegen het meisje achter de bar en loopt met de hoorn aan zijn oor de keuken in. Ik zie het meisje een kop thee maken en met de menukaart en mijn thee mijn kant op komen.
‘Goedenavond. Uw thee en de kaart,’ zegt ze vriendelijk.
‘Dankjewel. Lekker.’ Ik leg mijn handen om het heerlijk warme glas en voel hoe mijn vingers daardoor beginnen te tintelen. Ook mijn neus begint te gloeien van de aangename temperatuur hierbinnen.
Voordat ik de kaart open, bekijk ik de ruimte om me heen. Tussen de vissersnetten en -boten aan het plafond hangen kersttakken met glinsterende kerstballen in allerlei verschillende kleuren. Boven de bar hangt een kitscherige slinger met knipperende lampjes erdoorheen gedraaid. Het is een bonte verzameling en niet bepaald van een decoratief hoogstaand niveau, maar in mijn ogen heeft het wel wat.
Ik zucht en voel langzaam de sombere bui van net op het strand van me afglijden. Al snel zie ik op de kaart dat er erwtensoep is, dus ik klap het boekje weer dicht; mijn keuze is gemaakt. Als de klapdeuren van de keuken met een bons opengaan, schrik ik op. De man die net met een vrolijk gezicht aan mijn tafel stond, komt nu boos naar binnen gedenderd. Hij kijkt mijn kant op en als hij de dichtgeklapte menukaart ziet, komt hij met grote passen naar mijn tafel.
‘Keuze gemaakt?’
‘Uh, ja.’ Met een schuin oog kijk ik naar mijn horloge en zie dat het al na achten is. Misschien kreeg hij protest uit de keuken dat ik nog iets wil eten?
‘Zeg het maar dan.’ Hij wrijft met zijn duim en wijsvinger over zijn neusbrug.
‘Als de keuken dicht is en ik niks meer kan bestellen, heb ik daar alle begrip voor hoor,’ zeg ik aarzelend.
‘Wat?’ Hij trekt zijn borstelige wenkbrauwen op. ‘O, nee. Jemig, sorry hoor. Je kunt gewoon iets bestellen.’
‘Oke… de erwtensoep dan graag.’
‘Prima, een kom snert voor de jongedame. Brood of friet erbij?’
‘Brood graag.’
Hij knikt en voordat hij zich omdraait perst hij er een glimlach uit, maar die bereikt niet zijn ogen zoals dat eerder wel het geval was. Ik kijk hem na en zie hem tegen het meisje praten, die met een rood hoofd “nee” schudt en hem verontschuldigend aankijkt. De man loopt boos naar de keuken en duwt weer hardhandig het klapdeurtje open. Onmiddellijk komt hij terug en graait de telefoon van de bar, voordat hij ermee de keuken in verdwijnt.
Ik pak zelf ook mijn telefoon en open Facebook. Er staan enkele gezellige foto’s op van mensen aan het kerstdiner en met weemoed denk ik terug aan vorig jaar rond deze tijd. Mijn moeder leefde toen nog…
Naast mijn telefoon wordt een bord met een grote kom dampende erwtensoep gezet met twee grofgesneden stukken bruinbrood erbij. Heerlijk! Dankbaar kijk ik op en glimlach naar het meisje. ‘Eet smakelijk,’ zegt ze vriendelijk. Voordat ik iets terug kan zeggen is ze al naar een lege tafel gelopen om die af te ruimen. Ze heeft het druk.
Met smaak begin ik van mijn soep te eten. De warmte die zich door mijn lichaam verspreid geeft me een loom gevoel. Ik moet er eerlijk gezegd niet aan denken om dat hele stuk weer terug te lopen door de kou. Als mijn soep op is, schuif ik de kom verder de tafel op en leun met een voldaan gevoel achterover.
‘Volgens mij hoef ik niet te vragen of het gesmaakt heeft.’ Meneer snor is weer terug, nog steeds met een frons op zijn gezicht.
‘Het was heerlijk, dank u wel.’
‘Mooi zo, jongedame. Nog iets anders?’
‘Nee, ik zit voor nu helemaal vol. Als het mag blijf ik nog even zitten om uit te buiken voordat ik terug naar het dorp loop.’
‘Dat meen je niet! Ben je lopend naar hier gekomen? Over het strand of over de duinen?’
‘Over het strand.’
‘Het is hartstikke koud en pikkedonker! Het lijkt me echt geen goed idee dat je terugloopt. Ik kan een taxi voor je bellen?’
‘Nee hoor, dat hoeft niet.’
‘Hm, ik vind het maar niks. Je kunt ook even wachten. Er zijn niet veel mensen meer, dus straks breng ik Sophie,’ hij wijst naar het meisje achter de bar, ‘ook naar huis. Je kunt meerijden?’
‘O… nou…’ Ik kijk naar het raam, maar zie alleen de weerspiegeling van de lichtjes hierbinnen.
‘Echt, je moet niet alleen over dat strand lopen nu,’ dringt meneer snor aan, waarschijnlijk heel goed mijn aarzeling opmerkend.
Het klinkt wel aanlokkelijk, eerlijk gezegd. ‘Als u het zeker weet? Ik wil u niet tot last zijn.’
‘Dat ben je niet, ik rijd toch.’
En zo komt het dat ik een goed uur en twee koppen thee later in de Jeep van meneer snor, die Sjors blijkt te heten, de duinen over rijd.
Als we net onderweg zijn vraagt Sophie of het probleem voor morgen opgelost is. Het blijkt dat er eerder vanavond iemand afgebeld heeft en schijnbaar is het op Tweede Kerstdag altijd een gekkenhuis in het strandpaviljoen. Er is koud, maar mooi weer voorspeld en dus worden er veel wandelaars verwacht. Daarnaast komen er op Tweede Kerstdag ook altijd veel mensen van de omliggende dorpen een kop koffie of een borrel drinken.
‘Ik begrijp dat je morgen niet kunt, Sophie. Het is jouw schuld ook niet, maar we stonden al krap en met nog één minder wordt het echt een ramp,’ zucht Sjors.
Voordat ik erover heb nagedacht, flap ik eruit: ‘Ik kan morgen wel komen helpen?’
Sjors gooit zijn hoofd in zijn nek en schatert het uit. ‘Ik denk niet dat je daar echt op zit te wachten, toch? Je bent toch op vakantie?’
‘Ja, dat klopt. Maar ik verveelde me eerlijk gezegd vandaag al een beetje en heb toch niks beters te doen.’ Ik moet er niet aan denken om morgen weer een dag alleen op die kamer te gaan zitten piekeren. ‘Vroeger heb ik vakantiewerk in de horeca gedaan, dus ik kan vast wel iets voor jullie betekenen. Al is het maar tafels afruimen, glazen spoelen of afwassen.’
Sjors strijkt met zijn duim en wijsvinger over zijn snor. ‘Meen je het serieus?’
‘Ja.’ Ik knik er driftig bij. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer zin ik erin krijg. Ik werk nu als lerares op een basisschool, maar een dagje horecawerk lijkt me best wel weer eens leuk.
‘Als je het zeker weet…’ zegt Sjors aarzelend. ‘Ik zou je rond de middag op kunnen komen halen, maar het wordt waarschijnlijk wel een lange dag voordat iemand je naar huis kan brengen.’
‘Geen probleem’, zeg ik snel.
Inmiddels zijn we bij Sophie’s huis aangekomen. Ze wenst me morgen veel plezier en zegt gedag, voordat ze snel de Jeep uitspringt. Waarschijnlijk opgelucht dat zij morgen gewoon haar vrije dag heeft.
Sjors zet me af bij de B&B en we spreken af dat hij me morgen kwart voor twaalf op zal halen. Ik bied nog aan lopend naar het paviljoen te komen, maar daar wil hij niks van weten. ‘Spaar je energie maar voor de rest van de dag, je zult het nodig hebben,’ zegt hij met een knipoog.

***
Als Sjors en ik rond twaalf uur de volgende dag het strandpaviljoen inlopen, zit het binnen al stampvol. Achter de bar geeft hij me een sloof en stelt me voor aan de twee meiden die al aan het werk zijn. Ze groeten me gehaast en gaan snel weer aan het werk. Wat een verschil met gisteren! Het is een drukte van jewelste met kinderen die rondrennen, soms ligt er een hond half onder een tafel, de bar zit vol met kletsende mensen en overal klinkt gelach. De kerstdeuntjes die gisteren duidelijk te horen waren, komen nu niet echt boven de gezelligheid uit.
Ik heb nauwelijks mijn schort om als de klapdeuren opengaan en er iemand de keuken uitkomt. ‘Zo, oom Sjors, dat werd eens tijd! Jij een beetje met een knappe vrouw in je Jeep de blits maken en wij lopen hier het vuur uit onze sloffen,’ zegt hij met een scheve grijns.
‘Lisa, deze nietsnut hier is mijn neef Rutger. Blijf maar bij hem uit de buurt, want hij houdt ervan om mensen in de maling te nemen.’
Rutger geeft me een stevige hand, nadat hij hem aan de theedoek die aan zijn riem hangt afgepoetst heeft. ‘Niets van waar hoor. Tof dat je ons vandaag een handje komt helpen,’ zegt hij waarna hij direct weer de keuken in verdwijnt.
Maar Sjors heeft gelijk. Terwijl ik probeer me staande te houden in een overvolle zaak waar ik niets weet te staan, de kaart niet ken en geen prijzen weet, krijgt Rutger het voor elkaar om me een paar keer goed voor de gek te houden. Zo laat hij me een keer in de keuken zoeken naar de wafeltang, die niet blijkt te bestaan. Ook laat hij me een bestelling naar tafel zestien brengen, maar tafel zestien en zeventien blijken een jaar geleden opgeofferd te zijn voor een grote tafel die ze de stamtafel noemen en daar is de bestelling ook niet voor. Terug in de keuken staat Rutger te schudden van de lach, want de bestelling waar ik mee weggestuurd ben, blijkt ook nog eens geen echte bestelling te zijn.
Als ik hem met een knalrood hoofd verbijsterd aan sta te kijken en een grijns van de keukenhulp krijg, duwt Rutger me op een kruk naast het werkblad van de salades. ‘Ga even zitten, schoonheid. Die tosti en die soep zijn voor jou. Ik denk dat je wel een hapje kunt gebruiken.’ Als ik aanstalten maak om van de kruk af te komen, steekt hij zijn hand op en kijkt me streng aan. ‘Zitten, Lisa. We willen heel graag dat je het nog een paar uurtjes volhoudt, dus dan heb je echt even een pauze nodig.’
‘Het zou ook helpen als jij haar niet voor niets laat lopen, Rutger,’ bromt Sjors die met een stapel vuile borden de keuken in komt. ‘Je moet echt stoppen met die stomme geintjes van je, we hebben daar echt geen tijd voor.’
‘Ja, ja, ik zal me gedragen. Als ik beloof dat ik je nu genoeg ingewijd heb, blijf je hier dan even braaf zitten om wat te eten?’ Hij kijkt me even snel aan, ondertussen razendsnel drie borden voor een volgende bestelling klaarmakend.
‘Oké,’ zeg ik verlegen. Rutger is een leuke man om te zien. Hij is denk ik iets ouder dan ik, heeft sterke armen met op zijn rechterarm een tattoo die onder de mouw van zijn shirt vandaan komt. Met dezelfde ondeugende ogen als zijn oom kijkt hij me goedkeurend aan als ik van de tosti begin te eten.
Terwijl hij onverstoorbaar verder gaat met het klaarmaken van bestellingen en instructies geeft aan de keukenhulp, vraagt hij naar mijn vakantieplannen. Ik houd me een beetje op de oppervlakte, want ik heb geen zin om mijn trieste verhaal hier te vertellen. Snel eet ik de tosti en de helft van de soep op, om vervolgens van de kruk te springen en de net klaargezette bestelling mee te nemen voordat hij op de bel kan drukken.
De rest van de dag houdt Rutger zich inderdaad aan zijn belofte en haalt geen geintjes meer met me uit. Rond zeven uur is de ergste drukte achter de rug en stelt Sjors voor dat ik ermee stop voor vandaag. Ik moet zeggen dat ik mijn benen goed voel als ik aan de bar ga zitten. Dit ben ik niet meer gewend! In de klas sta ik ook de hele dag, maar toch is dat niet zo zwaar als dit.
‘Wil je dat ik een taxi voor je bel of wacht je nog heel even tot ik je naar huis kan brengen?’ vraagt Sjors die een bord met een lekkere salade met verschillende soorten vis en een schaaltje friet voor me op de bar zet. ‘Met de complimenten van Rutger,’ voegt hij eraan toe als hij het bord mijn kant op schuift.
‘Oooo, wat heerlijk! Nu kan ik zeker wel wachten!’ Verlekkerd doop ik een frietje in de mayonaise. Ik geniet van mijn maaltijd en als mijn buik vol en het bord leeg is, laat ik me van de kruk glijden om mijn jas te pakken. Tegen een van de meiden zeg ik dat ik even een frisse neus op het terras ga halen. Ik loop naar de rand van het terras en leun met mijn voorhoofd tegen het glas. Ik sluit mijn ogen en luister naar het ruisen van de zee. Op de achtergrond hoor ik de muziek en het geroezemoes uit het paviljoen komen. Ik ben moe, maar voel me zoveel beter dan gisteren. Ik heb echt een leuke dag gehad.
‘Alles goed, Lisa?’ hoor ik ineens Rutgers stem vlak achter me.
‘Jemig, ik schrik me kapot!’
‘Sorry,’ lacht hij. ‘Ik wilde gewoon even weten of het wel goed gaat met je. Het is steenkoud, wat doe je hier?’
‘Naar de zee luisteren. Een frisse neus halen. Nadenken…’
Rutger komt dichtbij me staan en zegt dan voorzichtig: ‘Volgens mij is dit geen gezellig-naar-zee-vakantietje voor je, of wel?’
‘Nee, niet echt…’
‘Dat dacht ik al.’ Hij strijkt mijn haar achter mijn linkeroor. ‘Kan ik iets voor je doen?’
‘Behalve mij een wafeltang laten zoeken?’ probeer ik met een grapje van onderwerp te veranderen.
Er verschijnt een trage glimlach rond zijn mond. ‘Ja, behalve dat.’
Ik kijk hem recht in zijn prachtige ogen. Hij is knap, vriendelijk, grappig… en zó niet mijn type met de tattoo op zijn arm en zijn warrige haardos. Ik val normaal meer op nette kantoortypes, maar moet je kijken wat dat me opgeleverd heeft. Ik slik de brok emoties in mijn keel door. Ik wil nu niet aan Mart denken en aan hoeveel verdriet hij me gedaan heeft. Ik forceer een glimlach en zeg: ‘Nee hoor, het gaat wel.’
‘Zal ik je naar je kamer brengen? Je zult wel moe zijn.’
Ik kijk naar binnen en zie Sjors nog druk om de rommel achter de bar op te ruimen. ‘Uhm… ik weet niet… Oké…’
Rutger grinnikt en zegt: ‘Dat kostte moeite.’
Ik voel mijn wangen vuurrood worden, maar gelukkig is het donker buiten. ‘Ik ga Sjors even gedag zeggen.’ Meteen vlucht ik naar binnen. Sjors wil me geld geven voor het werk dat ik vandaag verzet heb, maar ik wil er niets van weten. Ik zou hém geld moeten geven. Ik voelde me vandaag sinds lange tijd weer een beetje mens. Pas als ik beloofd heb om deze week nog een paar keer, gratis, te komen eten, laat hij het er bij zitten en kan ik gaan.
In tegenstelling tot Sjors heeft Rutger geen Jeep, dus lopen we eerst een stukje over het strand tot we op een boulevard komen. Daar staat zijn auto geparkeerd. Hij opent het portier aan de bijrijderskant en ik stap in. Als Rutger ook in de auto zit, legt hij zijn hoofd tegen de hoofdsteun en laat een diepe zucht.
‘Moe?’ vraag ik hem.
Hij draait zijn hoofd mijn kant op en kijkt me aan. Even is het stil en er hangt een vreemde spanning in de lucht. ‘Een beetje.’
Ik knik, weet niet wat ik moet zeggen.
‘Soms heb ik het gevoel dat mijn leven stilstaat, of erger nog, compleet in elkaar gedonderd is.’ Het lijkt of hij meer tegen zichzelf praat dan tegen mij, maar zijn woorden beschrijven precies hoe ik me voel. ‘Maar als ik dan naar de zee kijk en zie dat elke dag de golven hun weg weer vinden en eb en vloed elkaar onverstoorbaar blijven afwisselen, dan weet ik dat het leven gewoon doorgaat.’ Ik volg zijn blik naar de zee en in stilte zitten we allebei verzonken in onze eigen gedachten.
Na een poosje komt Rutger ineens overeind en start de auto. Met een schorre stem zegt hij: ‘Ik zal je naar huis brengen.’ Zodra we de boulevard afgereden zijn en de doorgaande weg opdraaien, schraapt hij zijn keel. ‘Tot wanneer blijf je?’
‘Dertig december.’
‘Hm, oud en nieuw ben je weer thuis. Ook van die dagen waar je als een berg tegenop kunt zien.’
‘Ja… Jij ook?’ vraag ik aarzelend.
‘Hm, ja. Ben blij dat ik de Kerstdagen overleefd heb.’
‘Echt waar?’ Verbaasd kijk ik zijn kant op. Een knikje is zijn antwoord en ik zie zijn adamsappel op en neer gaan als hij slikt. ‘Mag ik vragen waarom?’ Ineens wil ik het weten. Ik had namelijk absoluut niet gedacht dat hij zich net als ik door deze feestdagen heen probeerde te worstelen.
Hij haalt zijn schouders op. ‘Waarschijnlijk hetzelfde als jij; verdriet en verlies voel je op deze dagen nog meer dan anders.’
‘Ja, dat klopt.’ Ik kijk hem aan, maar meer dan dat zegt hij niet.
Verdriet en verlies. Dat is precies waar het om draait. Mijn moeder werd ziek, Anne zat op Sicilië dus ik zorgde voor haar. Mart ‒ met wie ik al ruim vier jaar samen was en de volgende stap in onze relatie, in de vorm van kinderen of trouwen, maar uit bleef stellen omdat hij ons te jong vond en eerst nog allerlei dingen wilde “doen” in het leven ‒ kreeg een baan in het buitenland aangeboden en vertrok simpelweg zonder mij toen ik zei dat ik mijn moeder nu niet alleen achter kon laten. Zomaar, alsof onze relatie niets voorstelde. Alsof ík niets voorstelde. Dus ja, verdriet en verlies. Van een relatie, van mijn moeder die een paar weken daarna overleed, maar ook en misschien wel vooral van vertrouwen en van een toekomst waar ik naar uitkeek. Dat alles doet inderdaad op deze dagen nog meer zeer dan op andere dagen. Een traan glijdt over mijn wang, via mijn kaak de kraag van mijn behaaglijk warme jas in.
‘Mij helpt het om naar de zee te kijken, want ik geloof dat het met het leven net zo is als met de zee.’ Vragend kijk ik hem aan, maar hij kijkt recht voor zich op de weg. Toch hoef ik niet te vragen wat hij bedoelt, want hij praat alweer verder. ‘Er drijven voorwerpen weg door de stroming in de zee, maar er spoelen ook dingen aan. Ik geloof er heilig in dat het met het leven ook zo is. We raken dingen kwijt, maar er zal ook weer wat moois, iets nieuws voor terugkomen.’
‘Dat is een mooie gedachte, Rutger. Ik weet alleen niet… of dat het verlies minder pijnlijk maakt.’
‘Nee, misschien niet. Maar mij geeft het wel hoop voor de toekomst.’
Ik geef geen antwoord, want er is denk ik een groot verschil tussen hoop en vertrouwen in de toekomst. Of vertrouwen in jezelf. En alsof Rutger mijn gedachten kan lezen, zegt hij: ‘Ik weet natuurlijk niet wat er gebeurd is, maar twijfel niet aan jezelf. Je bent een prachtige vrouw en dan heb ik niet alleen over je uiterlijk. Ik heb gezien hoe je vandaag met mensen omging en hoe je je aanpaste aan een onbekende, hectische situatie.’ Hij grinnikt even en voegt er dan aan toe: ‘En hoe je daarbij het geklier van een botte kok over je heen liet komen.’
Ik glimlach door zijn woorden. Inmiddels staan we voor de B&B en kijken we elkaar aan.
‘Dank je wel. Voor je bemoedigende woorden en het thuis brengen. En voor het lekkere eten. En oh ja, ook voor de gezelligheid vandaag, juist door je geklier.’ Met mijn handen maak ik aanhalingstekens bij het woord geklier.
Rutger lacht. Met zijn duim wrijft hij over mijn jukbeen. ‘Ga naar binnen, schoonheid. Voordat ik iets doe waar je op dit moment helemaal niet aan toe bent.’
‘Oké,’ fluister ik, zonder in beweging te komen. Ik kijk naar zijn volle lippen.
‘Jezus, Lisa, ga mijn auto uit,’ kreunt Rutger.
Geschrokken kijk ik op, maar ik zie zijn ogen schitteren en zijn mondhoek komt in een glimlach omhoog. ‘Het spijt me,’ zeg ik als ik aan de gordel begin te frunniken.
Rutger legt zijn warme hand op de mijne om mijn zenuwachtige bewegingen tegen te houden. Met de duim en wijsvinger van zijn andere hand tilt hij mijn kin omhoog, zodat ik hem aan moet kijken. ‘Nee, het spijt míj. Dat ik je leer kennen op een moment waarop je nog het een en ander af te sluiten hebt. Ik heb het gevoel dat je anders…’
‘… aan zou zijn komen spoelen op je strand?’ vraag ik voorzichtig met een ondeugende glimlach om alle emoties die door mijn lichaam gieren te verbergen.
Een grote grijns verschijnt op Rutgers gezicht. ‘Dat is wel heel plat uitgedrukt, maar zoiets, ja.’ Dan kijkt hij weer serieus. ‘Jij hebt nog geen vrede met wat je kwijt bent geraakt en daardoor is er nog geen ruimte voor iets nieuws. Als dat ergens in de toekomst gaat veranderen, dan weet je me te vinden.’ Na die woorden buigt hij zich mijn kant op en even stokt mijn adem omdat ik denk dat hij me gaat kussen. Maar heel teder drukt deze “botte kok” een kus op mijn voorhoofd. Ik sluit mijn ogen en neem het lieve, troostende gebaar in me op, voordat ik de auto uitglip en naar binnen ga. Wie weet kom ik ooit in de toekomst hier nog eens terug om nieuwe herinneringen te maken en aan een nieuwe toekomst te beginnen.