Een Skyline of gescheurde vlag?

De Kapitein en de Piraten

Een Skyline of gescheurde vlag?

De kapitein knippert met zijn ogen als in de verte de skyline van New York zichtbaar wordt.
Een mondhoek krult omhoog. Tevreden denkt hij aan de langbenige, blonde vrouw in de paarse bikini op het zonnedek. Ze knipoogde even toen hij haar zijn breedste lach toonde.
Echt turbulent was de oversteek dit keer niet.
Ja, er was gedanst, gedineerd, geflirt. Er was een vervelende, dronken gast geweest. Er had een echtelijke ruzie plaatsgevonden. Een klein jongetje had zijn knie geschaafd en één van de nieuwe meisjes in de bediening had een glas rode wijn over één van de eerste klas opvarenden laten vallen toen de jazzband de eerste noten inzette en ze schrok.
Maar verder.
Niks noemenswaardig.
Terwijl de kolossen van wolkenkrabbers zich losmaken uit de streep die het einde van de Atlantische Oceaan betekent, kan hij niks anders dan glimlachen en tevreden terugkijken op deze oversteek.
Hij schraapt zijn keel, wrijft zijn handen in elkaar en veegt een lok haar onder zijn kapiteinspet.
Rustig stuurt hij het SS Rotterdam tussen Sandy Hook en Rockaway Point waar het SS Rotterdam vanuit de Lower New York Bay in de New York Harbour aan de monding van de Hudson zal aanleggen om alle passagiers van boord te laten gaan.
Maar zover zal het niet komen.
Alleen weet de kapitein dat nog niet.
Achter het SS Rotterdam doemen andere schepen op.
Schepen met gescheurde zeilen.
OP de brug gaat de noodtelefoon. De kapitein schrikt op van het geluid. In gedachten zat hij al aan een martini in New York te wachten tot de terugreis kon beginnen.
Een stem klinkt opgewonden door de telefoon; “Kapitein, uw aanwezigheid wordt verzocht op het achterdek… “ Hij gromt even. Antwoord met een bevestiging en hangt de telefoon op.
De eerste stuurman krijgt instructies vaart te minderen en rustig koers te blijven volgen.
Met stevige passen loopt de kapitein naar het achterdek. Dat is een behoorlijk eind, maar hij is een grote, stoere man. Dus hij kan dit best heel snel.
De vrouw in de paarse bikini is opgestaan en wijst naar open zee. “Dáár!” roept ze. In haar hand een glas cola waar de ijsblokjes in rinkelen. En een rietje. Haar blonde haren wapperen in de wind.
De kapitein tuurt in de verte en andere gasten op het terras van het Lido-dek kijken in de richting waar de vrouw  naartoe wijst.
Piraten.
Een doodskopvlag wordt aan de mast gebonden en ze komen sneller dichterbij dan de kapitein ooit een schip heeft zien varen.
Open monden staren hem aan vanuit de ligstoelen en het zwembad.
De kapitein pakt het mobieltje van zijn moeder en vraagt haar te bellen naar het benedendek.
“De kanonnen moeten geladen worden!” buldert hij.
Dan wordt er een grote hand op zijn schouder gelegd. De hand steekt uit een pak met gouden revers.
“Rustig aan, kleine man.” zegt de man die bij de hand hoort.
“Piraten hadden we niet meer in de tijd dat wij met de SS Rotterdam de oversteek naar New York maakten.”
De kleine kapitein steekt zijn hand in de rugtas die zijn moeder vasthoudt en trekt een speelgoedzwaard tevoorschijn.
“Jawel!” roept hij.
“Ik ben Kapitein Syllezar, en ik ga jullie enteren!”
De man in het kapiteinspak lacht, schuift zijn hand onder de stevige peuterbenen en tilt de kapitein op. Samen kijken ze over het dek naar de achtersteven van het SS Rotterdam. De andere gasten richten hun aandacht weer op hun borden.
Gelukkig. Er staan geen piraten op het menu.
De vrouw  -het is eigenlijk een meisje- met de paarse bikini wipt van haar strandstoel af. Haar blonde paardenstaart slingert ze over haar schouder.
“Gek broertje heb ik, hè kapitein. U bent de échte kapitein toch?”
De échte kapitein knikt.
Het is een heerlijk, rustige zomerdag in augustus. Voor Kapitein Syllezar en zijn Grote Zus is het SS Rotterdam een avontuur van wereldreizigersformaat.
We hebben een rondleiding over het schip gekregen en de fantasie van de Kleine Kapitein en Grote Zus is stevig geprikkeld.
Tijdens de tour zijn we overvallen door Jack Sparrow, de kroketten zijn geroosterde haaien en hun beste vriend is een pratende zeemeeuw. Al denk ik dat het een Havenmeeuw is.
Maar het aller- allerleukst zijn toch de échte mensen van het SS Rotterdam.
De mensen met hun mooie pak, hun verhalen. Hun geduld. De passie waarmee ervaring en kennis tot leven wordt gebracht voor de kleine toehoorders in piratenpak en tropische avondkleding.
Zeemonsters in trapleuningen die tot leven komen, de vissen opjagen en ze laten verstrikken in de netten. Mysterieuze wezens uit de Oceaan in glas. (“die wil ik op mijn kamer, mama!”)
Er klonk jazz vanaf het podium in de lounge, we wanen ons eersteklas reizigers op het zachte leer van de fauteuils. Terwijl de verhalen onze oren instromen, kunnen we ruiken, zien en proeven hoe het leven aan boord geweest moet zijn.
Grote ogen, open monden. Eigenwijze vragen. Handjes die over relingen glijden.
De geur van de zee, een levend geschiedenisboek, olie… touw, en in de verte geuren uit de keuken voor het diner.
Elke keer als we het SS Rotterdam met een gevoel van heimwee en een beloofd snel weerzien verlaten, hopen we stiekem op een kleine schok.
Dat zij zich rustig losmaakt van het Katendrechtse Hoofd, en ons meeneemt op haar reizen, met spannende verhalen, nieuwe avonturen en een bestemming ergens ver weg…