Het spoedgeval

Een spoedgeval in het woud achter de zeven heuvels

Het spoedgeval

Hier ben ik niet voor opgeleid, denderde voortdurend door mijn gedachte. Ik hoopte alvast dat ik er professioneel genoeg uitzag, zo heen en weer schijnend met die lichtpen in de ogen van de jonge vrouw, maar eigenlijk had ik niet het minste idee van wat ik hiermee aan moest.

Ik draaide me om naar de zeven kleine mannen die me hadden opgeroepen en fronste mijn wenkbrauwen. ‘Hoelang zeiden jullie dat dat stukje appel daar gezeten heeft?’ Ik geloofde werkelijk geen reet van wat ze me net verteld hadden.

‘Niet echt heel lang’, sprak de eerste dwerg, terwijl hij peinzend met zijn wijsvinger tegen zijn lip tikte.

‘Nou, maar ook niet heel erg kort,’ sprak de tweede hem aarzelend tegen.

‘In elk geval lang genoeg om die glazen kist te maken,’ voegde de derde toe.

De vierde dwerg wreef nadenkend door zijn baard. ‘Die bloemenkrans was ook niet op één, twee drie gemaakt. Dat zijn zeldzame bloemen, die hebben we aan de rand van het woud geplukt.’

Ik staarde hen ongelovig aan: waren ze met me aan het sollen of waren ze echt zo naïef als ze lieten uitschijnen?

‘Toen moesten we haar ook nog in die kist naar de top van deze heuvel dragen. Dat was best een hele karwei,’ vulde nummer vijf nog aan. Hij leek opnieuw een beetje te zweten bij de herinnering alleen al.

‘En toen duurde het nog een hele poos voordat hij kwam!’ De zesde dwerg wees naar een jongeman die onderaan de heuvel een steentje over het waterspiegel van het meer probeerde te ketsen. Alsof hij het voelde dat er over hem werd gepraat, draaide hij zich om, keek even naar mij en het gezelschap dat zich rondom de comateuze jonge vrouw had verzameld en schokschouderde. Hij gooide een nieuw steentje dat – tot zijn zichtbare genoegdoening – wel vijf keer over de waterspiegel stuiterde vooraleer het naar de bodem zonk. Daarna wreef hij zijn handen schoon aan een satijnen doekje en stopte die in de met gouddraad omrande broekzak van zijn kleurrijke kostuum. Verveeld slenterde hij in onze richting.

‘Wat denk je, dokter? Wordt het nog wat?’ In de stem van de jongeman klonk weinig geduld.

Verbouwereerd negeerde ik zijn vraag en wendde me opnieuw tot de zeven dwergen.

‘En had dan werkelijk niemand van jullie het idee om te kijken of er iets in haar keel zat?’ Ik kon het nog steeds amper geloven. ‘Er lag immers een appel naast haar waar een stukje uit gebeten was...’

De dwergen keken me aan alsof er bleekselderij uit mijn neus groeide. Dit was geen toneelstukje, ze hadden echt geen flauw idee wat er hen overkomen was. Ik kreeg het vermoeden dat ik hun gezamenlijke IQ op één hand zou kunnen tellen.

‘Als dat stukje appel sneller uit haar keel was geraakt, dan was de prognose mogelijk iets gunstiger geweest,’ benadrukte ik.

De zevende dwerg keek indringend vanonder zijn ruwe wenkbrauwen. ‘Nou... uzelf had ook geen haast om hier te geraken, doc.’

Dat deed de deur dicht. Ik keek streng naar de dwerg die als laatste had gesproken. Deze opmerking spoelde het minieme restantje geduld dat bij me overbleef als een fikse stortbui weg.

‘Nou moeten jullie even goed naar me luisteren.’ Ik deed mijn best om geen ergernis te laten weerklinken in mijn woorden. ‘Jullie kiezen er zelf voor om in een ondoordringbaar woud achter zeven heuvels te gaan wonen, ver van alle mogelijke beschaving. Jullie sturen een duif die onze balie eerst half onderschijt en vervolgens de assistente aanvalt. Als we uiteindelijk die duif gevangen hebben, blijkt er een brief rond zijn nek te hangen, handgeschreven in een soort kalligrafie – een noodkreet in sierletters – waaronder een ingewikkelde landkaart getekend staat met stippellijntjes en een grote X er op. Een simpel belletje – of een adres – was handiger geweest.’

Ik zweeg even en keek de dwergen één voor één onderzoekend aan. Er kwam geen reactie. ‘En daarbij...’ gefrustreerd wees ik naar het blauwe kruis dat groot op de zijkant van mijn wagen pronkte. Eronder stond in dansende letters “Dierenarts B. de Wolf”.

De dwergen keken enkele seconden naar de wagen, en vervolgens weer naar mij. Er ging duidelijk nog steeds geen lichtje branden.

Een dokter voor dieren dus, zoals ik jullie al een half uur duidelijk probeer te maken. Dat een verdomde duif die vergissing maakt, dat kan ik nog enigszins begrijpen. Maar dat zeven volwassen mannen niet inzien dat ze dit anders hadden moeten aanpakken, dat snap ik dan weer niet!’

De dwergen staarden me onbewogen aan. Ik voelde mijn gezicht ondertussen rood aanlopen. Achter de dwergen stond de nette jongeman het achtergebleven zand van tussen de nagel van zijn rechter middelvinger te pulken.

‘Ik bedoel… waarom stuurde je hém niet om hulp te halen?’ Zeven hoofden volgden mijn wijsvinger opnieuw die deze keer in de richting van de jongeman wees. Met opgetrokken wenkbrauwen staarden de dwergen enkele ogenblikken eerst naar hem – verrast door zoveel plotse aandacht keek hij vrolijk op van zijn gepruts – en vervolgens weer naar mij.

‘Maar dat is een prins,’ stamelde één van de dwergen.

De jongeman knikte instemmend en mompelde: ‘Inderdaad. Een prins, dat ben ik.’ Hij stak zijn rechterhand voor zich uit en monsterde zijn vingertoppen. ‘Een prins met prachtig schone nagels.’

‘Een prins met een páárd!’ riep ik, gefrustreerd door zoveel dwaasheid, en wierp mijn armen – en daarbij ook het lichtpennetje – de lucht in waarna die laatste genadeloos tegen de rotsachtige ondergrond stukviel.

‘Je lampje is stuk,’ zei een dwerg. Het vergde me best wat zelfbeheersing om hem niet op zijn bek te slaan.

Ergens in de verte hinnikte het paard van de prins, dat even verderop het bos in was gewandeld op zoek naar vers gras. Voor de rest bleef het doodstil, niemand gaf verder nog een kik. Iedereen keek weer afwachtend naar mij.

Uiteindelijk schraapte de prins zijn keel en herhaalde met irritatie in zijn stem zijn eerder gestelde – doch onbeantwoord gebleven – vraag. ‘Wordt het nog wat, dokter? Met haar daar bedoel ik.’ Hij wees met zijn kin naar het verdwaasde meisje met zwarte haren, rode lippen en een huid zo wit als sneeuw dat tussen ons in het gras zat, met haar rug leunend tegen de glazen kist waar ze daarnet nog in opgebaard lag. De bloemenkrans die naast haar lag, oogde even verlept als het meisje waarvoor hij gemaakt was.

Achttien ogen staarden haar aan. Vervolgens draaiden er zestien van in mijn richting.

Daar gingen we weer.

‘Een zuurstoftekort van drie dagen veroorzaakt best wat hersenschade.’ Ik sprak langzaam en benadrukte elke lettergreep alsof ik iets tegen een kind van vijf uitlegde. De sarcastische ondertoon van mijn boodschap leek het gezelschap te ontgaan.

‘Zal ze ooit nog kunnen zingen?’ vroeg de eerste dwerg verwachtingsvol.

Ik schudde vermoeid mijn hoofd. Ik kon duidelijk niet tot hen doordringen, we spraken een andere taal. Ik besloot het over een andere boeg te gooien en probeerde me in hun leefwereld te verplaatsen. ‘Als er al iets uit haar keel komt, dan zal het eerder een paringskreet van een oger lijken.’ Tot mijn verrassing begonnen enkele dwergen te knikken alsof ze mijn antwoord begrepen hadden. Ik besloot deze tactiek nog even vol te houden.

‘Zal ze ooit nog kunnen lachen?’ vroeg de tweede.

Ik schudde opnieuw mijn hoofd. ‘Ze zal geen besef meer hebben van vreugde en plezier. Daarin zal geen gouden gans meer redding kunnen brengen.’ Nog meer geknik bij de dwergen. Ik was stiekem best wel trots op mezelf.

‘Zullen we nog met haar kunnen dansen?’

Ook de vraag van de derde dwerg beantwoordde ik met hoofdgeschud. ‘Er is te lang geen circulatie geweest in haar lichaam. Ze zal nooit meer op haar benen kunnen staan. Zelfs met gloeiende ijzeren muiltjes krijg je ze niet meer in beweging.’

‘Kan ze nog koken?’

‘Geen zoete pap of gewokte toverbonen zal ze nog kunnen bereiden. Haar armen ontberen simpelweg de kracht.’

‘Zal ze nog...’

‘Kijk,’ onderbrak ik, ik schrok zelf van de irritatie in mijn stem. ‘Dit werkt dus blijkbaar ook niet. Luister goed, ik herhaal het voor de laatste keer: al haar ledematen zijn verlamd. Haar hersenen hebben zo lang zonder zuurstof gezeten dat ze niets meer kan, niets meer beseft en nergens meer over nadenkt. Ze kan niets meer zelfstandig. Iemand gaat haar moeten wassen, voeden, aankleden, helpen bij ontlasten,...’

Terwijl ik de onprettige prognose meedeelde aan het gezelschap, was ik de enige die in de gaten had dat de prins ondertussen kort op zijn vingers floot en vervolgens op zijn aangestormde paard sprong. Zonder omkijken reed hij het dichte woud in, waarschijnlijk op zoek naar een andere jongedame die hij het hof kon maken. Het was pas toen ze opnieuw in de verte gehinnik hoorden, dat de dwergen leken te beseffen dat de prins verdwenen was en niet meer zou wederkeren.

Ik veegde de restanten van mijn betreurde lichtpen in de palm van mijn hand, bedacht me toen en liet de stukjes opnieuw op de grond vallen. Ik sloot mijn dierenartstas en kuchte enkele keren in mijn vuist.

‘Nou, ik wens jullie allemaal erg veel sterkte hiermee.’ Ik schudde de hand van alle zeven dwergen, waarbij ik telkens de wens tot sterkte herhaalde. ‘Ik moet gaan. Ik had ook nog een oproep voor een buikoperatie bij een wolf, geloof ik,’ verontschuldigde ik me. ‘Ik laat mijn assistente een factuur opmaken.’

En weg was ik, op naar het volgende spoedgeval.

Ergens had ik toch wel medelijden met die zeven kleine kereltjes. Ze leken geen van allen echt te beseffen wat er nu eigenlijk gebeurd was of wat hen nog te wachten stond.

Ik heb het me lange tijd nog afgevraagd hoe het hen vergaan zou zijn, maar nooit echt de moed gevonden om zelf nog met hen contact op te nemen. Het was pas vele jaren later dat ik via de dochter van een tante van een verre neef van één van de vertegenwoordigers in mijnwerkersmateriaal die bij hen over de vloer kwam, vernam wat er gebeurd was nadat mijn auto uit het zicht van de dwergen was verdwenen.

Volgens haar hadden ze elkaar eerst een poos stilzwijgend aangekeken. Af en toe krabde er eentje door zijn baard of wriemelde een dwerg aan zijn muts. Vervolgens kwamen ze langzaam in beweging en tilden ze uiteindelijk met z’n zessen Sneeuwwitje van de grond. De zevende dwerg ondersteunde haar hoofd terwijl ze de roerloze jonge vrouw voorzichtig over het pad dat van de heuvel naar hun huisje liep droegen. Daar aangekomen legden ze haar in haar eigen bedje.

‘Ze is nog steeds erg mooi,’ zei de eerste dwerg.

‘De mooiste van het hele land!’ sprak de tweede beslist.

‘Dit kan niet het einde zijn,’ zo zei de derde.

De vierde dwerg schudde instemmend met zijn hoofd en klemde zijn muts bedroefd in beide handen.

‘Als we maar ons best doen, dan worden we vast beloond,’ hoopte de vijfde.

De zesde dwerg maakte een tijdstabel op en verdeelde de zorgtaken.

De zevende dwerg nam de eerste nachtdienst voor zijn rekening.

Zo zwoegden de zeven dwergen jarenlang in de hoop dat er ooit een wonderlijk verlossing uit de lucht zou vallen in de vorm van een goede fee, een helende tovenaar, een magische wensput of een andere beloning voor hun uitzonderlijke werk. Toen die uitbleef veranderde af en toe – zonder het van elkaar te weten – hun eerste verlangen in de wens dat een boze wolf, een kwade draak of een stampende reus hen zou komen verlossen van de vervloekte taak die ze eens zo nobel op zich hadden genomen. Het schuldgevoel dat deze opwelling veroorzaakte, maakte dat de dwergen achteraf nog vlijtiger dan eerst zorg droegen voor Sneeuwwitje, zich voornemend nimmer zulke gedachtes nog toe te laten.

En zo werkten, in een klein huisje in het dichte woud achter de zeven heuvels, zeven naarstige dwergen zich jarenlang zodanig uit de naad voor één jonge vrouw die zo naïef was geweest om in een betoverde appel te bijten, dat alle andere klusjes erbij inschoten.

Het onkruid woekerde, boktor tierde welig en Vadertje Tijd nam terug wat mens en dwergen in bruikleen hadden. Of Sneeuwwitje veel weet had van de offers die zij voor haar brachten is mogelijk voor slechts weinigen ooit echt duidelijk geweest, maar af en toe meenden de dwergen een korte glimp van dankbaarheid te ontwaren in haar verder lege en emotieloze ogen.

En zo gebeurde het ook nog vele jaren dat in een kasteel in een land hier ver vandaan, een toverspiegel na al die jaren nog altijd hetzelfde antwoord gaf op die ene, prangende vraag: ‘U bent mooi, maar de mooiste is nog steeds Sneeuwwitje.’ En zowaar er geen prins in het hele land haar ooit ten huwelijk vroeg, werd ze door zeven ijverige mannen tot haar dood zo liefdevol behandeld als een echte prinses.


EINDE