Proloog: Eerste licht

Home

Proloog: Eerste licht

Het was als vallen, alleen aangenamer. Lichter. Zachter. De lucht deed geen pijn. Eigenlijk leek er helemaal geen lucht te zijn. Alleen ik. En dat was mooi. Het vallen was meer een zweven, fladderen, of zelfs naar beneden dwarrelen, als een geel blad in de herfst dat zijn veilige thuisbasis, de boom, achter moet laten en weg zeilt door de lucht, op de golven van de wind, die niet schuimen bij storm. Een nieuwe wereld die geopend wordt, onbekend, maar niet onbemind. Er is enthousiasme om deze nieuwe wereld te verkennen. De boom gaf ons leven, we groeiden uit de knop, kregen voedsel en water van de stam en groeiden. We werden prachtig, iedereen bewonderde ons en wachtte tot we volledig open gebloeid zouden zijn, want dan zouden we oogverblindend stralen. En we straalden ook, genietend van de zon op onze huid. Tot de tak ons losliet, ons afstootte omdat we teveel van de boom vroegen. De boom kon ons niet onderhouden in de winter. En dus werden we geel en dreven we op de wolkeloze, windloze dag naar beneden, naar die hele nieuwe en verrassende wereld toe.

Het doet geen pijn. Je zinkt gewoon zachtjes weg, in het niets. In het alles. Duizenden bladeren die samen door de wind omhoog worden gesmeten en angstig willen inschatten waar ze zullen neerkomen. En ze komen altijd neer op de juiste plek, de plek voor hen voorzien. Ik zie hem. Zijn prachtige, rode schijn verbaast me, en hij komt onbekend voor, maar ik weet dat hij het is. Hij komt naar me toe. Ik voel zijn warmte, zijn lach en zijn goedheid die me verwarmen. Ik wil niet meer weg. Ik wil hier blijven, bij die warmte. Warmte, laat me nooit meer gaan. Jij, laat me nooit meer los. Je omarmt me, en het voelt nog veel mooier dan ooit. Alles is vager, de wereld lijkt te bestaan uit niets dan jij en lucht, die geen wind bevat. Die zacht mijn blad streelt. Die me zacht toefluistert, zodat ik weet dat ik veilig ben. Dat het goed is. Hier ben ik nu, en hier zal ik blijven. De wereld omvat me, en ik omvat de wereld. Nergens meer pijn, en geen verdriet. Alleen jij. Je hebt op me gewacht, en je weet het, je knikt en lacht. En zo zinken we samen weg, want zo moest het zijn, en zo is het nu.

Niet verdrietig zijn. Niet huilen. Je kende me lang, en je hield van me en ik van jou. Dat moest, zo moest het zijn en zo was het ook. Nu ben ik hier, en jij houdt nog steeds van me en ik ook van jou, en dat voel je, want dat doet je pijn. Nu kan je het me niet meer zeggen. Maar zeg het maar. Roep het, huil het, snik het, fluister het of denk het maar. Ik hoor het wel. Geen wind is hier, maar ik hoor het wel. En ik fluister het terug, je zult het horen, als je maar wil luisteren. Dan hoor je het wel. Dus huil maar niet. Ik was er, ik ben er, nu en altijd.

Camilla