1. Dagmar

Duizend Sterren Boven Ons

1. Dagmar

MIJN THEEKOP HAD een kring op de voorkant van mijn boek achtergelaten. Een oude kopie van Dostojevski’s Misdaad en straf, nog in het Russisch geschreven.

Ik sprak geen woord Russisch. Erg veel gaf het dan ook niet.

Ik kon me herinneren waar ik het gekocht had. In dat kleine antiekwinkeltje in de buurt van de Vismarkt. Of de Grote Markt? Misschien had ik het wel gekocht tijdens een tripje naar Amsterdam, of Rotterdam, of misschien wel een heel ander land. Soms bedroog mijn geheugen me gruwelijk, ging het met me op een loopje. Zoveel herinneringen die door elkaar liepen als mieren in een hoop. Maar mieren hebben een plan, de juiste paden te bewandelen. Een gestructureerde chaos. Mijn hoofd was vaak gewoon een chaotische chaos.

Nee, St. Petersburg, ik wist het alweer. Dat is waar ik dat boek gekocht had. Ik was naar St. Petersburg gegaan omdat Tia er vandaan kwam en toen ze doodging had ik iets moeten doen om haar te eren. Samen met een vriendin die Russisch sprak maar een hekel had aan Russen gingen we naar de stad gebaseerd op een tsaar zijn liefde voor Nederland. In een klein boekwinkeltje zag ik dit boek staan en gefascineerd door de diepgroene kaft had ik haar gevraagd wat het was.

‘Dostojevski,’ had ze gezegd, maar dan zoals de echte Russen het zeggen, niet van die buitenlanders zoals ik. ‘Ik weet de vertaling van de titel niet in het Nederlands, maar iets met criminelen?’

‘Misdaad en straf.’ Ik had het ogenblikkelijk begrepen. Ooit had ik de Nederlandse vertaling gelezen. ‘Zeg, hoeveel is die? Denk je dat je hem voor me kunt kopen? Ik maak je zo snel mogelijk het geld over.’ Die ochtend waren we enkel de deur uitgegaan met wat contant geld op zak.

‘Ja, natuurlijk,’ had ze gezegd. Maia, poppenspeelster. Touwtjes in haar handen en met een zachte trek wist ze alles gedaan te krijgen. Waanzinnig intelligent, enkel niet op papier. Leren lag haar niet, dus was ze na ons vwo een hbo-opleiding gaan doen. Nu werkte ze bij het ministerie; ik zag haar nog weleens premier worden.

Maia had dat boek voor me gekocht, toen op die winterdag in St. Petersburg. Nu lag het nog steeds op mijn koffietafel, want ik sprak geen woord Russisch en had het nooit kunnen lezen. Desalniettemin gaf ik om het boek, meer vanwege het symbool dan vanwege het verhaal. Ooit had ik het verhaal gekend, maar het lag ergens verborgen in die chaos in mijn hoofd. Er waren dagen waarop ik me voornam te gaan liggen, ogen gesloten en te gaan graven tussen al die opgestapelde dozen.

Ik heb het nog nooit gedaan. Simpelweg de tijd niet voor gehad.

Nu zat er een theekring op dat boek dat van Rusland naar Nederland naar Londen en weer terug was gegaan. Ik wist niet zo goed hoe ik me erbij moest voelen. Ik liet overal theekringen achter. Was dat iets slechts?

Er speelde muziek op de achtergrond, maar ik hoorde het niet. Iemand praatte tegen me, maar dat hoorde ik ook niet. Misschien wilde ik het ook niet horen – dat leek me alleszins waarschijnlijker. Ik was daar goed in, Oost-Indisch doof zijn. Mijn moeder maakte daar graag een punt van, zei dat dat toch echt niet meer hoorde bij mijn leeftijd. Dat was misschien ook wel waar. Had er alsnog schijt aan.

Op een zeker moment in je leven begin je je meer en meer te gedragen naar de normen en waarden van anderen, die standaard die de maatschappij je oplegt. Je verft je haar niet meer in belachelijke kleuren, gaat niet zomaar op de bonnefooi naar Rusland en dat boek dat je ooit kocht en dat symbool stond voor de mysterie van een ander land, verliest haar magie. Je staat niet meer stil bij de geur van nieuw wasmiddel als je op zaterdagen je kleding wast en een randje stof op de lampenkap wordt ergerlijk. Misschien neem je wel een hond, of een kat, of een kind. Hoe het ook zij: de tijd waarin je volslagen egoïstisch kon leven en je eigen geluk voorop stond, is voorbij.

‘Mar,’ vroeg iemand me.

‘Ja?’ Ik keek half op.

Een bekend gezicht; dat waren ze tenslotte allemaal. Mijn huis, mijn negenentwintigste verjaardag. Er stond een aangesneden taart op de tafel. Dat boek lag daar maar tussen de halflege wijnglazen. Waarom lag het hier? Ik had het op moeten ruimen.

‘Waar is de wc?’ Het was Cas, van werk.

Ik maakte een vaag gebaar richting de deur naar de gang. ‘Enige andere deur aan de overkant van de gang die niet de voordeur is.’ Cas keek me aan en knikte toen. Hij plaatste zijn halflege wijnglas op het boek en liep de gang op.

Een plotselinge beschermdrang tegenover die herinnering aan Rusland overviel me en ik verzette gauw het wijnglas. Ik pakte het boek vast alsof het een kind was en drukte het tegen mijn borst. Er waren zo veel mensen in deze ruimte en toch had ik het gevoel volledig alleen te zijn.

In Londen was het allemaal makkelijker geweest, want daar was ik gewoon een nummer in een eindeloze brei aan individuele zielen. Daar kon je verdwalen tussen de mensen en de oude, Victoriaanse huizen en er was niemand om je te missen. De eerste paar weken had ik het doodeng gevonden om daar te moeten zijn, maar na een zekere tijd was ik er aan gewend. Toen ik twee jaar later terugvloog naar Nederland had ik enerzijds het gevoel thuis te komen, terwijl ik anderzijds niet van me af kon schudden dat ik nooit meer ergens thuis zou zijn.

Het was alsof ik een deel van mijzelf had achtergelaten in dat land aan de andere kant van het Kanaal. Het land waar Mar een Mary werd en Dagmar gewoon vergeten was. Het is gemakkelijk om iemand anders te worden als er niemand is om je eraan te helpen herinneren wie je werkelijk bent.

Negenentwintig. Wanneer ze de kans zagen, vroegen ze het.

Of ik een relatie had. Een vriend.

Of ik eventueel al aan het hebben van kinderen dacht.

De wereld verwachtte zo veel van me en ik zou er niet aan kunnen voldoen. Dat wist ik nu al, geen twijfel over mogelijk. Of het me nog wat kon schelen? Misschien. Soms. Wanneer ik ’s avonds met mijn laptop in de roodfluwelen stoel in het hoekje van de woonkamer zat, een kop thee naast me op een kruk, de tv aan op de illusie op de wekken dat ik nog enig gezelschap had. Dan vroeg ik me weleens af of ik het niet anders had moeten doen met mijn leven. Nog niet zo lang geleden vluchtte ik naar een ander land waar ik de sterren kuste en neerstortte op vies asfalt. Nu had ik een eigen huis.

Negenentwintig was ik, en daarnaast nog een hele hoop dingen meer. Arts, vriendin, bijna tante. Promovendus met een IQ van 135. Er waren zoveel dingen die ik was in dit leven, die ik was geworden en was geweest. Maar er was één ding wat ik niet van me af kon schudden, die middag op mijn negentwintigste verjaardag in mijn eigen appartement.

‘Zeg Dagmar, zullen we nou eens gaan proosten op je?’ vroeg iemand me.

‘Speech!’ joelde weer een ander.

Ik grijnsde, plakte het masker op en kwam overeind. Met een glas wijn in mijn hand praatte ik mijn leven aan elkaar. De mensen in de kamer zongen lang zal ze leven.

Voor morgen stond de wekker om kwart over zes.

2. Noud