Worstdag

Worstdag

Worstdag

Vandaag is het worstdag. Moortje sluipt vlot langs de auto’s over de parkeerplaats. Worstdag is een dag van beloften en avonturen. Even schrikt ze van een beweging in de regenplas. Het is de weerspiegeling van haar eigen staart. Ze heeft een goede staart, glanzend zwart, met een witte kwast aan het einde. Langs de bakstenen muur loopt ze, en langs de containers. Snel door het gat in de schutting, in één sprong op de vuilnisbak, en dan in twee sprongen omhoog.

Door het raam kan ze de messenslijper zien. Urenlang kan ze kijken hoe het licht langs het staal flitst, hoe het staal lichtvlekken weerkaatst, die omhoog en omlaag over de muren schieten. De slijper heeft verschillende messen, lange en korte, smalle en brede. De lange glimmen het beste.

 

Op de werktafel ligt een berg vlees. Met zekere halen snijdt het korte mes lappen vlees van botten af. Hak, hak, hak, met het hakmes, tot alles niet meer dan brokken is. Flats, flats, brokken in de emmer.

Liggend op de achterste paal van de schutting wacht Moortje tot de deur opengaat en de vleeshakker de emmers naar de worstschuur brengt. Dat is haar kans, kort nadat de laatste emmer gevuld is. Ze poetst de modder van haar pootjes en geniet van het spel van handen en messen. Haar staart slaat tegen het hout in het ritme van het hakmes.

 

Langzaam wordt de geur van vlees en bloed sterker dan schoonmaaklucht die eerder nog over het erf hing. Gisteren was het schoonmaakdag, dan blijft ze altijd uit de buurt. Het chloor prikt in haar ogen en de emmers heet sodawater vormen een te groot risico. Op schoonmaakdag gaat Moortje naar de supermarkt.

Klompen klepperen over de vloertegels. De werktafel is leeg. Nu moet ze kiezen. Worstschuur of werkplaats? Er zijn meer emmers dan de worstmaker in één keer dragen kan.

Onhoorbaar springt ze naar beneden.

Daar gaat de deur open. Het grote mannenlijf vult de deuropening. De emmers ruiken verrukkelijk. Ze volgt de man niet naar de schuur. Achter zijn brede rug glipt ze de werkplaats in.

Naast de deur, juist over de drempel, staan zijn schoenen. Hoge leren schoenen met frutselveters, groot genoeg om helemaal in te kruipen. Ze moet even snuffelen. Wat ruikt lekkerder, die schoenen of de overgebleven emmer?

Eén moment van twijfel.

‘Rotkat!’

Emmers kletteren op de stoeptegels. Moortje schiet de werkplaats uit. Midden op haar vluchtweg staat de vleeshakker. Hij bukt om zijn klomp uit te trekken.

Omhoog, omhoog! Klauwen in zijn broek, de meppende hand ontwijken, een sprong op zijn schouder, bovenop de schutting, rennen naar het dak van de schuur.

En dan kijken.

Balancerend op de nok van het dak is ze groter dan de worstmaker. Ze zwaait met haar staart en springt via de dakgoot de veilige steeg in. Achter haar bonkt de klomp tegen de stenen.

 

Vanmiddag heeft ze nog een kans, wanneer de klompensmijter klaar is, wanneer hij de darmen met fijngemalen vlees heeft gevuld, en de restjes nog aan de molen hangen, vlak voordat de vloer geschrobd wordt.

Nu is het tijd voor ander vermaak. Aan de overkant van de parkeerplaats staat de achterdeur van de supermarkt op een kier. Zal ze even een blik werpen op het muizenhol dat ze gisteren ontdekte? Goed plan. Ze rent over de straatstenen, springt over een plas– 

Een klap, gierende remmen, een gil.

 

Stilte.

‘In je laatste ogenblikken zie je elke dood langskomen,’ had de muizer van verderop wel eens gezegd, met meel aan zijn snorharen. ‘Dan zie je alle acht keren dat je gestorven bent.’ De kater kon het weten, hij was minstens aan zijn negende leven toe toen hij op de motorkap van het witte busje van zijn baas in slaap viel, en niet meer wakker werd.

Voor Moortje is er geen warme motorkap, zijn er geen herinneringen. Geen slaap ook, op de natte straatstenen, waarover schoenen en broekspijpen naderbij komen. In haar oren echoën de klap en het geluid van piepende remmen. Ze ruikt bloed, haar eigen bloed. Haar neus en ogen werken nog. De rest voelt… niet goed. Alsof ze het gewicht van de auto die nu verderop staat, met open deuren en lopende motor, nog steeds bovenop zich voelen kan.

De mensen rondom haar geknakte lijf bewegen en gebaren. Iemand heeft het over een doos halen, anderen spreken tegen het blauwe schijnsel in hun hand.

 

Het is koud. Als ze het kon, zou ze rillen.

Boven haar hoofd praten de mensen over dierenartsen. Nutteloos. Zelfs de vrouw die de voorpoot van de bakkerskat gerepareerd heeft, kan de puzzelstukjes van haar botten niet meer in elkaar zetten.

 

In haar hoofd bliksemt de pijn. Alles wordt zwart. Het voelt of er een heel leven wegspoelt over de straatstenen. Wanneer ze bijkomt staan er nog meer voeten om haar heen. Is ze door de klomp van de worstmaker geraakt? Maar dat kan niet. Ze was over hem heen gesprongen, de schutting op. De klomp was weer te laat, te ver weg om haar te raken.

Gisteren heeft ze een nieuw muizenhol ontdekt. Trippelende, wegglippende, dikbuikige snoepjes. Daar had ze nog graag even willen kijken toen– 

 

Haar hoeveelste leven is dit?

Had ze er al vier achter de rug toen ze in het voorjaar jaar van het balkon viel? Dat was een flinke klap. Toen was haar baasje er snel bij geweest. Met aaien en optillen, hoewel ze daar eigenlijk niet van houdt.

Baasje is er niet. Nu zou ze wel willen dat iemand haar afleidde van  koude stenen en pijn. Ze proeft bloed. Ademen wordt steeds moeilijker. De mensen praten nog steeds. Met elkaar en de blauwe dingen. Ze bukken, en zeggen zachte woordjes, van ‘och’ en ‘ach’ en ‘wat zielig’. Maar niemand raakt haar aan.

 

Mijn staart– waar is mijn staart?

Het enige wat ze bewegen kan, is haar oor, en zelfs daar is ze niet zeker van. De pijn is feller dan wit, even zilverwit als het flitsen van staal. Is dit wat messen voelen, wanneer ze geslepen worden?

 

Dan beeft de grond. Ze hoort een gehate stem.

Als de klompensmijter loopt, dreunt de vloer onder zijn voeten. Hij kan niet lopen zonder te stampen. Niet alleen met de klompen die hij in de werkplaats draagt, ook op straat stampt hij, met zijn zware leren schoenen. Eenmaal heeft ze hem over het erf horen rennen, klap-slof-klap-slof, op één klomp en een sok. De andere klomp miste haar ternauwernood. Dat was in haar derde leven. Sindsdien hangt de onderste plank van de schutting scheef, en speelt ze niet meer met de schoenveters. Althans, niet zo vaak. De scheve plank maakt het een stuk gemakkelijker om binnen te sluipen, en de verboden geuren op te snuiven.

De mensen gaan uiteen om de voetenstamper door te laten. Haar lijf trilt mee met zijn stappen. De twee schoenen stoppen vlakbij haar kop. Ze ziet de broekspijp waarin de gaten van haar klauwen staan.

Vreemd. Ze heeft zijn gezicht nooit eerder van zo dichtbij gezien. Zijn wangen zijn haarloos en rood dooraderd, net als zijn neus. Zwarte stoppels bedekken zijn kin en zijn twee onderkinnen.

‘Godsamme, het beest leeft nog.’

Ze wou dat hij luider sprak, zodat hij de pijn kon verdoven, die in haar oren krijst.

‘Waar wachten jullie op?’

 

Zijn hand is net zo groot als zijn voeten zijn. Die hand kan messen slijpen, vlees snijden en hakken, en schoenen en klompen gooien. Zijn handen kent ze wel, de dikke vingers die altijd naar vers vlees ruiken. Maar zijn ogen… zijn ogen kent ze niet.

Zo dichtbij, ze zou de oogbollen kunnen krassen. Haar klauw werkt niet.

Zijn pupillen zijn zwarte regenplassen die haar pijn spiegelen, en de hopeloosheid van haar verbrijzelde lijf.

Zijn hand komt dichterbij. Twee vingers, een duim, de hele hand. Er zit bloed onder zijn nagels.

Ze ontbloot haar tanden. Blazen wil ze, maar de adem ontbreekt. Ze voelt de vingers om haar nek. Eerst zacht, dan harder.

‘Kleintje,’ zegt de messenslijper, ‘je bent klaar met vechten.’

Op het moment dat hij het zegt, is het nog niet waar.

Dan drukken de vingers harder. Alle pijn stopt. Het voelt zo goed dat ze zou willen spinnen.

Het laatste wat ze ruikt zijn rundersaucijzen.

Het is worstdag vandaag.