Gok

Gok

Gok

Wat in zijn hand zat, bleek een dobbelsteen te zijn. Het witte tussen zijn wijsvinger en duim reflecteerde de straatverlichtingen die hij keer op keer voorbij ging. Door de regen wandelde hij op een abnormaal tempo, maar hij liep niet weg, hij ontvluchtte geen gebeurtenis. Het was een normale avond voor hem. Ik observeerde hem door mijn autoraam. Af en toe durfde hij de dobbelsteen naar boven te gooien, niet hoog, en dan te vangen met dezelfde hand. Het vangen was eerder een gok voor hem, want zijn hand was hevig beschadigd. Donkerrood bloed reflecteerde geen licht, maar het vermengde mooi met de regenplassen op de grond. Ik probeerde geen oogcontact met hem te maken, maar het lot stond ook niet aan mijn kant. Hij begaf zich richting mijn auto. Ik probeerde mijn motor te starten en de wagen op slot te doen, maar hij zat in die tijd al op mijn achterbank. Met een bloedende hand, waarin een dobbelsteen zat, leunde hij tegen de lederen bekleding van mijn autozetel. De andere hand hield een geweer vast, gericht naar mijn slaap.

“Laten we gokken”, zei hij, “Een getal van 1 tot 6”.

Met ingehouden adem antwoorde ik met een vijf. Hij wierp de dobbelsteen omhoog, ving hem op, en opende zijn hand. Ik bewoog mijn hoofd niet, maar keek mee vanuit mijn ooghoek. Een vijf.

“Bedankt”, was het laatste woord dat uit zijn mond kon ontsnappen, voor het wapen van mijn slaap tot te zijne draaide.