Gebroken huis

Gebroken huis

Gebroken huis

    Mama en papa riepen vooral tegen elkaar als ik in bed lag. Ze zeiden lelijke dingen - die ik eigenlijk niet altijd begreep - maar waarvan ik wist dat ze pijn deden, omdat ze er allebei van moesten huilen. Soms hoorde ik hoe papa daarna 'het spijt me,' zei op de trap. De spleet licht die onder mijn deur glipte, werd dan even zwart. Mama antwoordde nooit, huilde enkel harder. 

    Op een dag stonden ze in de keuken toen ik in de deuropening verscheen. Papa had grote, zwarte ogen en mama was wit als een spook. Ze leken allebei bang, toen ze naar me keken. 'Engel,' zei papa. 'Slaap je niet?'

    'Nee.'

    'Het is al laat.' Dat was mama. 'Kom.'

    'Mama,' zei ik.

    'Ja, engel?'

    'Waarom maken jij en papa ruzie?'

    Mama moest plots huilen. Papa slikte en liep naar me toe, legde zijn grote handen als warme wanten rond mijn gezicht. Zijn ogen waren nu wel papa's ogen: licht en blauw en lief. 'Omdat papa en mama een spel spelen,' legde hij uit. 'En de verliezer moet vertrekken.'

    Ik snapte het niet. 'Dat is toch geen leuk spel?'

    'Sommige spelletjes zijn niet leuk.' Papa drukte een kus op mijn hoofd. 

    Uiteindelijk vertrok papa. Hij had verloren, zei mama, maar ik mocht hem nog wel bezoeken.

    Ik vroeg of het spel nu echt gedaan was en mama zei: 'Ja, nu zullen we nooit meer ruzie maken.'