Krasjes

Krasjes

Krasjes

Hoe lang is het geleden? Ik blaas kringen in m’n thee en zoek het antwoord in de damp. Toch minstens twintig jaar, zeg ik hardop en mijn woorden doen mijn brillenglazen beslaan. Een voor een worden alle krasjes zichtbaar. Van de coating is weinig meer over. Krasjes zitten er ook in mijn geheugen. Jouw naam en gezicht staan als in marmer in m’n hersenen gebeiteld. We waren op jouw kamer aan het spelen. Je trok aan mijn lichtblauwe sjaal, zette je schrap als een touwtrekker en je lachte omdat je, ondanks je ziekte, toch net zo sterk was als ik. Je had een groot LEGO-schip met blauwwitte zeilen. En een spelcomputer: een SEGA.

Is dat al vijfentwintig jaar geleden? Ik adem in m’n theeglas. Nog meer stoom. Nog meer krasjes. Flarden van fragmenten dansen voor mijn ogen: de treinreis naar het ziekenhuis (net een dagje uit!), jouw kale hoofd in een steriele tent. Enkele weken later moesten we met de hele klas in een kring gaan zitten. De meester kreeg het hoge woord er bijna niet uit: je was ‘s nachts overleden. Door de klas ging een voelbare schok. We wisten wel dat je ziek was, maar dat je dood zou kunnen gaan was een klap die ons kinderbestaan op z’n grondvesten deed schudden. We waren door de volwassenen zorgvuldig in bescherming genomen en jouw dood liet een diepe kras in onze kindercoating achter.

Nee, het is drieëntwintig jaar geleden. Ik schenk een vers glas thee in en poets m’n brillenglazen. Dan schiet me iets te binnen: je bent alweer bijna jarig! Op 5 mei, Bevrijdingsdag, zou je 33 zijn geworden. Al drieëntwintig jaar klim je op Bevrijdingsdag uit mijn achterhoofd omhoog.

  ‘Ik ben er nog,’ zeg je dan.

  ‘Ja, ik weet het,’ zeg ik terug. ‘Gefeliciteerd, ouwe.’

  ‘Kom je weer eens langs?’

  ‘Gut zeg, moet ik dat hele eind reizen om naar jouw grafsteen te kijken?’

  ‘Nee, je hebt gelijk. Zo eens per jaar op m’n verjaardag is beter.’

Soms slaap je een paar jaartjes achterelkaar door je verjaardag heen. Dat gebeurt tegenwoordig steeds vaker.

  ‘Zeg, nu ik je toch spreek: herinner je nog de dag van je uitvaart?’

  ‘Ja, hoezo?’

  ‘Iedereen stond te huilen, maar ik was blij dat je niet meer in die steriele gevangenis van vier vierkante meter zat opgesloten. Ik was opgelucht: je was eindelijk vrij.