Hoofdstuk 1

Zwierend

Hoofdstuk 1

De zolder was leeg en somber. Het zag eruit zoals hij zich voelde.

Zijn ogen staarden nietsziend voor hem uit en zijn gedachten stonden stil. Het enige geluid dat te horen was, was het kraken van de oude planken die onder zijn gewicht zachtjes bogen.

In zijn handen hield hij een foto, vergeeld en oud. Vervagende herinneringen, enkel levend gehouden door dat ene vastgelegde beeld. Zonder die foto was hij al lang vergeten dat hij ooit gelachen had.

Daar was het bewijs.

De wind huilde om het huis, tranen die hij zelf niet kon of wilde laten. Zijn ogen waren droog, zijn mond was droog.

De trouwring om zijn vinger brandde alsof het van gloeiendheet ijzer was gemaakt.

Het deed pijn te weten dat zij er nu niet was om hem op te vangen, ze was er al een tijdje niet meer geweest voor hem. De moed om de ring af te doen kon hij echter niet vinden in de diepten van zijn leegte, er was immers niks meer om naar te zoeken daarbinnen.

Zijn ogen keken omhoog naar het touw dat aan het plafond hing, ooit was het wellicht van een schommel geweest, zwierend, heen en weer.

Vermoeid klom hij op de houten stoel die voor hem klaar stond, of stond hij al klaar voor de stoel? Wie zal het zeggen.

Als het spel het spelen niet meer waard is, is de speler verloren. Hij klemde de foto tegen zich aan en liet zich vallen.

Zwierend, heen en weer.