De avond van de vissen

CARPA 3521

De avond van de vissen

Het had bijna alle dagen van november geregend, in Nederland, Frankrijk, Duitsland, België en de rest van Europa. Ook december was inmiddels hard op weg om de natste maand sinds het begin van de metingen te worden.

Het regende niet op de avond van de vijftiende december.

In de literatuur is het een ongeschreven regel, dat je een hoofdstuk niet met het weer begint.

Dit verhaal is geen fictie. De regen viel, doordrenkte de aarde, stroomde door beken en sloten, en vulde de rivieren. Elke dag opnieuw. Eerlijk gezegd werd ik er zo langzamerhand behoorlijk sikkeneurig van. Daarom herinner ik me dat die avond helder en droog was. Het was de avond dat heel televisiekijkend Nederland zich realiseerde dat er iets aan de hand was.

 

Ik kwam uit Hilversum, waar ik redactiewerk besproken had met een uitgever. Alles leek te wijzen op een lucratieve samenwerking. Dat was fijn, want mijn laatste kinderboek, hoe goed ontvangen ook, had me nog niet veel opgeleverd.

Zelfs door de autoruit kon ik de sterren in de schoongespoelde hemel zien staan, boven het lint van geeloranje natriumlampen en de gloed van Utrecht. In het zuiden brandde uiterst scherp de grootste kerstboom van Europa, de zendmast in IJsselstein. Opeens viel me een kantoorflat op, aan de rechterzijde van de snelweg. Er scheen licht uit een aantal ramen, in het patroon van een grote vis. Dat moest bewust gedaan zijn.

Waarom geen kerstboom, dacht ik, of een ster?

Ik volgde de afslag naar de A12, richting Nieuwegein. En daar, achter de glazen gevel van het gebouw van Rijkswaterstaat, brandde nog een vis. Schuin boven het gebouw hing de halve cirkel van de maan. Eerste kwartier, dacht ik, dood tij. Het was een poëtisch moment.

 

Geus stond al bij de bushalte van Westraven op me te wachten. Hij was ontspannen, en hij lachte terwijl hij instapte.

‘Heb je de vis gezien? Op Rijkswaterstaat?’

‘Ja,’ zei ik. ‘Gaaf. Er was er nog een op een kantoorgebouw in het oosten van Utrecht.’

‘Echt?’

Hij keek door de ruit tot het gebouw van Rijkswaterstaat uit het zicht verdwenen was. Toen ik bij de verkeerslichten naar hem keek, zat hij tevreden en ontspannen in de stoel. Het was half december, en ik vond het een mooi voorteken. Mijn droom was in duigen gevallen, maar Geus’ voldane gezicht was de voorbode voor een betere kerst.

‘Het is gelukt,’ zei hij. ‘Ik heb de puzzels opgelost, de eerste proef gehaald, en nu ben ik binnen.’

 

Quint Ruys werd vlak voordat hij de deur uit wilde gaan gebeld. De beveiligingsman van Rijkswaterstaat, Jafar Massoud, verontschuldigde zich uitgebreid.

‘Ik weet dat het zaterdag is, maar we hebben zo iets geks. Kun je naar ons kantoor op de Griffioenlaan komen?’

Een moment twijfelde hij. Op zaterdagavond ging hij altijd naar de bordspelavond in The Joker, en hij week niet graag af van zijn plannen. Maar Jafar was een goede opdrachtgever, die een paar woorden gebruikt had, die hij niet weerstaan kon: ‘iets geks’.

Hij liep niet naar de Oudegracht, maar naar het station, en nam de tram. Twintig minuten later stapte hij uit op halte Westraven. Het was droog en het kunstlicht gaf alles een gele gloed. De tram belde vals dat de deuren sloten, en reed weg. Quint liep nog op het perron, toen er een aftandse Toyota bij de bushalte stopte. Het leek Geus wel, die instapte. Anja had net zo’n autootje. Onwillekeurig zette Quint een paar stappen naar de rand van het perron, maar het licht was te slecht om het kenteken te lezen. Anja was de enige waarvoor hij wel al zijn plannen had willen loslaten. Dat was voorbij. Quint had niets te maken met wat Anja in haar vrije weekend deed. Hij had andere dingen te doen, hem lokte ‘iets geks’.

Hij draaide zich om en stak de weg over. Pas nadat hij langs de P&R-garage gelopen was, zag hij het probleem waarover Jafar had gesproken. Het was een vis, samengesteld uit de verlichte ramen van meerdere etages.

‘Aan beide zijden,’ had Jafar gezegd. ‘Iemand heeft de verlichting gemanipuleerd, en wíj waren het niet. De fabrikant van de lampen zit met zijn handen in het haar.’

 

Het duurde tot diep in de nacht voordat ze alle lampen weer in het gareel hadden. Quint en een jonge programmeur hadden de oorzaak snel gevonden, maar de oplossing kostte enige hoofdbrekens.

‘Het gebouwbeheerssysteem is gehackt,’ verklaarde Quint aan een opgetrommelde public-relations-manager, ‘iemand heeft een valse firmware-update naar de verlichting gestuurd. Zo kon hij de apparatuur gericht manipuleren.’

De PR-man trok zijn wenkbrauwen op. ‘Zeg dat nog eens een keer?’

Quint maakte het knellende elastiekje los, dat zijn paardenstaart bijeenhield, en schudde zijn haar naar achteren. ‘Misschien heb je thuis ook wel zoiets. Lampen, die je kunt programmeren om op bepaalde tijden aan of uit te gaan, of om een andere kleur licht te geven.’

De PR-man knikte. ‘Mijn zoon heeft dat. Hij bedient ze met zijn iPhone.’

‘Precies.’ Quint masseerde zijn hoofdhuid. ‘Drie dingen zijn van belang om te weten: al die lampen hebben een adres, je kunt ze aansturen vanuit een bepaald punt, je telefoon bijvoorbeeld, en ze communiceren met elkaar.’

Hij draaide zijn haar weer tot een staart en draaide het elastiek er omheen. ‘Dat is eigenlijk wat hier gebeurd is. Iemand heeft het netwerk gehackt en contact gemaakt met de controller van de lampen. Het wachtwoord is met enig geduld wel te achterhalen. Daarna heeft hij of zij er nieuwe firmware heen gestuurd. De lampen hebben die firmware verder verspreid, zoals ze geprogrammeerd zijn om te doen. Daarna kon de hacker de lampen vanaf een andere plek besturen.’

Achter hem raceten de vingers van de programmeur over het toetsenbord. ‘We hebben nu bijna overal de nieuwe firmware staan, met spoed geleverd door de leverancier.’

Inmiddels was duidelijk geworden dat de kantoorflat van Rijkswaterstaat niet het enige gebouw in Nederland was met hetzelfde probleem. Meerdere leveranciers van verlichtingssystemen hadden een slechte nacht.

‘Wat ik niet zou vertellen, als ik jou was, is dat het veel erger had kunnen zijn. Het beheerssysteem bestuurt ook de beveiligingscamera’s, de toegang, de verwarming.’

‘Wie zit hierachter?’ vroeg de jonge vrouw die ‘persvoorlichter’ op haar badge had staan. ‘Zoiets doe je niet in je eentje.’

‘Een Christelijke actiegroep?’ opperde Jafar.

‘Rotjongens,’ zei de PR-manager.

‘Gamers. Die types van negentien, die banken platleggen,’ zei de vrouw die hen net van koffie had voorzien. Quint wist niet wat haar functie was. Een vrouw die koffie bracht kon net zo goed een manager zijn als een receptioniste.

Eerst zei hij niets. Hij wist niet of het kwam doordat hij Geus die avond gezien had, of omdat het beeld van een vis nog op zijn netvlies stond. Het enige waaraan hij kon denken was de internetpuzzel die jonge hackers als Geus en Rob, en nog een paar andere jongeren die hij kende, al wekenlang bezig hield. Een puzzel waarvan hij zich een tijdlang had afgevraagd of de mensen van Rijkswaterstaat hem gemaakt hadden.

Hij keek naar de programmeur en de beveiligingsman. ‘Kennen jullie CARPA 3521?’

Carpa 3521