Oskar

Oskar

Oskar

Het spel begint zodra de deur opengaat.

De behoedzame, haast geruisloze manier waarop de nachtelijke bezoeker naar Klaartje toe sluipt, verraadt dat het Oskar is. Zo noemt ze hem, omdat hij haar steevast aan haar stoute puppy doet denken.

Hij streelt Klaartjes haren en kruipt naast haar in bed als ze haar hoofd naar hem toe draait. Vroeger deed ze alsof ze sliep wanneer Oskar langskwam, maar dat maakte hem kwaad. Telkens wanneer dat gebeurde, dook er ruzie op in huis. Dat probeert ze voortaan te vermijden. Van haar klasgenoten heeft Klaartje immers gehoord dat mama’s en papa’s uit elkaar gaan als het thuis niet leuk meer is. Brave kinderen maken blije ouders, hebben ze haar verzekerd.

Oskar sabbelt aan haar zoals de puppy aan een bot en laat zich aaien over zijn staart. Hij begint ervan te kwispelen en klauwt zich aan haar vast. Dan drukt hij zijn snuit in haar hals en voelt ze zijn opgewonden adem op haar huid. Ze klampt zich vast aan het deken en probeert niet te gillen terwijl hij volledig opgaat in het spel.

Als hij klaar is, krabbelt hij uit bed en is het niet langer Oskar die naast haar staat. Ze krijgt een vluchtige kus op haar wang. ‘Welterusten, prinses.’
Zijn vingers vormen zich tot een sleutel en draaien het slotje op haar lippen dicht. ‘Mondje dicht tegen mama. Je wil toch niet dat ze boos op ons wordt?’

Klaartje schudt het hoofd. Voor haar geen gescheiden ouders. ‘Slaapwel, papa.’