Verbroken stilte

Verbroken stilte

Verbroken stilte

Een nacht zo stil. Een deken zo dik.

De fluisterende toon verbrak het, gleed door het zware gevoel heen wat over het gebouw lag. Een klank, eenzaam en zoekende. Een eenvoudig geluid waarvan haren op de armen omhoog gingen staan. Een enkeling in de donkere nacht. 

Hetzelfde geluid klonk nog eens, vlocht zich door de echo van de eerste heen. Deze klonk harder, zekerder, alsof de speler wist waar hij naar zocht. Alsof hij wist wat er komen ging.

Een donkerdere toon daagde de herhalende klanken uit, spoorde hen aan tot meer. Heldere, tinkelende klanken huppelden het spel binnen, een voor een, vergrepen zich aan de donkere zwaarte en gleden weer uit elkaar. Ze volgden elkaar steeds sneller, joegen elkaar op. Als versplinterend glas volgden ze elkaar door het grote huis, waar deuren op een kier werden gezet om ze binnen te laten. 

Toetsen werden harder aangeslagen, met meer kracht. Krampachtig hield de speler zich aan het instrument vast, wanhoopte hij de sluimerende duisternis waarvan hij wist dat die er was. Tevergeefs probeerde hij zijn bonzende hart te kalmeren en zijn trillende vingers aan het werk te zetten. 

Woede. Verdrukking. Angst. Verdriet. Verwachtingen. Onzekerheid. 

Een voor een dwarrelden ze door hem heen, gleden via zijn vingers de piano in en kwamen tot leven, elke toon harder, gekwelder dan de vorige. Hij keek niet langer naar de toetsen: hij wist ze feilloos te vinden. Zwart, wit. Donker, helder. Traag, snel. Hard, zacht. Het was als een dans.