...

De poortwachter

...

Op de dijk voor onze schoenmakerij kon je drie kanten op. Linksaf, langs de molen, was het niet ver naar het Ooibosch. Daar punterden we door doolhoven van wilgen en zwarte populieren, op het bootje van de boswachter, de oom van mijn vriendje Joop. Rechtsaf, de brug over, kwam je in de binnenstad. Mijn vader zei altijd dat hij daar een winkel wilde openen, tegenover de nonnenschool waar wij katholieke middenstandskinderen naar toe gingen. Maar als je om de hoek van de schoenmakerij liep, dan stond je aan de rand van een andere wereld. Daar begon het Zakkendragersgangetje. Het daalde af naar de rivier en passeerde arbeidershuisjes, voormalige touwslagerijen waar groententuintjes welig tierden op de sappige rivierklei, donkere werkplaatsen met mannen in zwartbevlekte overalls en uiteindelijk, aan de oever van de rivier, de werven waar afgedankte binnenvaartschepen werden gesloopt. Dat is waar wij speelden.

Opa Chris had de sleutel tot deze hemel. Hij was onze Petrus. Hij zat er als het niet regende, bij het hek dat de steeg afsloot, op een oude houten stoel, zijn handen gevouwen over de knop van zijn wandelstok. Hebben jullie gebiecht, baste hij. Natuurlijk, Opa Chris. En dan knipoogde hij, stond moeizaam op en opende het hek.

We hadden ook zo’n tien meter verderop, meer was het niet, om het hek heen kunnen lopen om de hemel op eigen houtje te betreden. Een ritueel. Nu, ja nu, nu weet ik wat het was. Maar voor ons, kinderen van tien, was het een spel.