De hemel is nabij

De hemel is nabij

De hemel is nabij

Mijn vrouw heeft een idyllisch plaatsje aan de Franse kust uitgekozen. Het onmetelijke strand strekt zich voor ons uit, er is geen kat te bekennen. De luchtige wolken kussen mijn vrouw in haar uitnodigende hals. Ons zevenjarig dochtertje Klaasje danst als een gouden letter kalligrafisch tegen het ondergaande zonlicht. En dan overkomt het me. Opnieuw. Als een slang in het paradijs besluipt me de angst dat deze twee engelen op een onbewaakt moment uit mijn leven weggegomd worden. Een achteloze veeg uit het niets. Pats. Boem. Weg.
‘Je mag me weer uitgraven,’ zeg ik tegen Klaasje. Ik spuw wat plakkerig zand uit.
‘Misschien,’ zegt ze.
‘Maar straks ben ik dood,’ zeg ik.
‘Dat is niet erg.’
‘Niet erg? Wie zal er dan voor je zorgen?’
‘Tony,’ zegt ze.
‘Tony?’
‘Ja, maar dat mag jij nog niet weten. Eerst jouw begrafenis.’
‘Mijn begrafenis?’
‘Alles is geregeld,’ zegt Klaasje.
Ik kijk mijn vrouw vragend aan.
‘Niets bijzonders. Dat doet toch iedereen? De muziek, het eten, die dingen,’ zegt ze met een rode blos op haar wangen.
‘Ik ben in blakende gezondheid!’
‘Ik mag toch mijn voorzorgen nemen? Dat is een zorg minder voor later. Je weet wel, dat is altijd een hectische tijd met dat verdriet en zo.’
‘En er zullen sandwiches met choco zijn,’ roept Klaasje vrolijk uit.
‘Is er nog iets dat ik moet weten?’ vraag ik.
Mijn vrouw tuurt onbewogen naar de horizon.
‘De datum ligt ook al vast,’ zegt Klaasje en begraaft mijn gezicht onder het zand.