5 - 10

Ingeslagen weg

5 - 10

5

 

Dat mijn telefoon weer verbinding met het netwerk had, viel niet te missen. Het toestel begon zo ongeveer onophoudelijk te piepen en te trillen. Dat zorgde er samen met een zeurderige hoofdpijn voor dat het me veel moeite kostte om mijn aandacht bij de weg te houden. De sneeuwvlokken werden onafgebroken op de voorruit afgevuurd en het liefst had ik mijn ogen willen sluiten om ze even rust te gunnen. Eén rijstrook op de snelweg was goed begaanbaar en hoewel we niet hard reden, waren we in beweging. Het had zowat een uur gekost om op de snelweg te komen, iets waar ik normaal hooguit een kwartier over deed. Niet één keer kwamen we een politieauto tegen, geen enkele automobilist zag iets verdachts aan ons, terwijl ik mijn Defender in de richting van Amsterdam stuurde.

Voor de zoveelste keer werkte mijn telefoon de beltoon af. Vince keek op het schermpje. Wie probeerde me te bereiken? Roel, om te vragen waar mijn vader bleef met Bram? Of was het mijn vader zelf? Waren hij en Bram al uit de kelder?

Mijn vaders stem echode nog in mijn hoofd. Terwijl ik bij kwam van de hardhandige aanvaring met de deur had hij aan de andere kant ervan gesmeekt mijn plaats te mogen innemen. Sinds het ongeluk van mijn zus Emma had ik hem niet zo gebroken horen klinken. Vince had me zwijgend naar mijn auto gedirigeerd – de stationwagen van mijn vader liet hij links liggen – en ik had het laten gebeuren, verdoofd door de klap tegen mijn hoofd en uit angst dat hij terug zou gaan naar de kelder als ik niet deed wat hij wilde.

Gek genoeg was het een opluchting om nu alleen met Vince in de auto te zitten. Ik hoefde niet meer bang te zijn dat anderen iets overkwam en mijn eigen angst werd enigszins beperkt door het feit dat hij me nodig had. Voor dit moment tenminste.

‘Wie is Arend?’ vroeg Vince toen mijn mobiel weer begon te rinkelen.

Verrast keek ik op. ‘Mijn chef.’

‘Wat moet hij van je op vrijdagavond?’

Goeie vraag. Hij was vast bezig met het nieuws over de ontsnapping uit de Wittenberg. Misschien had hij bedacht dat ik wel even naar de gevangenis kon rijden, aangezien ik er vlakbij woonde. Dan trok hij zich blijkbaar niets aan van mijn schorsing.

‘Geen idee,’ zei ik.

‘Wat doe je voor werk?’ vroeg Vince.

‘Ik ben verslaggever bij de regionale krant.’ Althans, als mijn schorsing geen definitiever karakter zou krijgen. Dat Arend me belde was in dat opzicht hoopgevend.

Vince bleef ondoorgrondelijk voor zich uitstaren, met zijn elleboog nonchalant op het portier alsof hij een doodnormaal ritje met mij maakte. Hij was niet opgefokt of extreem zenuwachtig, zoals ik me een voortvluchtige eigenlijk voorstelde. Betekende het dat hij goed nadacht over zijn daden of verraadde het een levensgevaarlijke gewetenloosheid? Wederom spookte de vraag door mijn hoofd wat hij had gedaan om veroordeeld te worden tot een gevangenisstraf.

‘Hallo?’

Zijn stem liet me opschrikken. Ik had niet gemerkt dat hij met mijn telefoon tegen zijn oor zat.

‘Hoor je me? Ja, met mij.’ Hij lachte kort. ‘Ja, maar ik ben nog niet veilig. En ik zit met een probleempje. Ik ben niet alleen.’

Vanuit een ooghoek zag ik hem even naar me kijken. Mijn wangen begonnen ervan te gloeien. Ik was een probleempje.

‘Nee. Maar ik heb wel een idee. Waar die ouwe altijd heen gaat om te… ja, precies.’

Zonder in voor mij begrijpelijke details te treden sprak Vince af om diegene aan de telefoon ergens te ontmoeten. Het gaf me wat moed dat hij zo omslachtig omschreef waar ze elkaar zouden treffen, want als het probleempje niets wist, kon het ook niets verraden aan de politie als het werd vrijgelaten.

 

6

 

Zaterdag 21 januari

 

Stilstaan was erger dan rijden. Geen afleiding, geen doel, alleen maar wachten. En piekeren. Ik friemelde aan de sleutelhanger en probeerde mee te kijken als Vince het schermpje van mijn telefoon liet oplichten om te zien hoe laat het was. Elke minuut voelde aan als een kwartier sinds ik de Defender had geparkeerd op een lege carpoolplaats. Er was geen sneeuwgeruimd, maar de vierwielaangedreven wagen had er geen moeite mee. Bovendien lag hier een paar centimeter sneeuw minder dan thuis.

Alsof de auto onder stroom werd gezet schrokken we beiden op toen mijn telefoon de stilte doorbrak. Het toestel gleed van zijn schoot en hij bukte met een van pijn vertrokken gezicht om het op te rapen, terwijl mijn hart in mijn keel klopte. Ik hoorde een mannenstem aan de andere kant van de lijn toen Vince opnam, maar kon niet verstaan wat die zei.

‘Ja, daar is het.’ Vince’ stem klonk gespannen.

In de verte naderde een auto. Ik veerde op toen die de parkeerplaats op draaide. Was het een politiewagen?

Vince hing op en trok de autosleutel uit het contact. ‘Hoofd naar beneden,’ droeg hij me op.

Hij zette zijn hand in mijn nek toen ik niet meteen reageerde en duwde me omlaag. ‘Niet opkijken.’

Het licht van de koplampen gleed over ons heen en terwijl ik in een houding zat die ze in vliegtuigen adviseren bij een noodlanding, voelde ik paniek opkomen. In het gunstigste geval zou ik binnen een paar minuten van Vince verlost zijn, als hij zo bij zijn maat in de auto stapte. Ik stond mezelf niet toe om over het alternatief na te denken. Het feit dat ik niet mocht zien wat er gebeurde beschouwde ik als een goed teken. Hij had geen reden om me iets aan te doen, toch?

Ik concentreerde me op mijn ademhaling, zoals mijn vader me eerder op de avond had gezegd toen de paniek me had gegrepen tijdens de behandeling van Vince. De lichtbundel draaide weg en ik hoorde de motor van de auto stationair draaien. Mijn spieren stonden strak, klaar om mezelf te verdedigen als dat nodig was. Want ik zou vechten, ik liet me niet een avond lang gebruiken om vervolgens achteloos te worden weggegooid als ik niet meer nodig was.

Een windvlaag tilde mijn haar op toen Vince het portier opende.

‘Godverdomme, pik!’ hoorde ik een man zeggen.

Ik hield me krampachtig vast aan mijn knieën. Geen haar op mijn hoofd die eraan dacht om mijn natuurlijke nieuwsgierigheid te bevredigen door te kijken wie er naast de auto stond.

Geklop op schouders, geritsel van gladde stof, een kreun van Vince.

‘Jezus, gaat het wel?’ De man sprak met een zwaar Amsterdams accent.

Vince liet een kort geluidje horen dat leek op een lach. ‘Het gaat. Kom, ik wil hier zo snel mogelijk weg. We praten zo wel bij, oké?’

‘En zij?’

‘Zij blijft zitten. Sorry, maar dit is voor je eigen bestwil.’

Ik realiseerde me dat hij het tegen mij had en gluurde opzij. In een flits zag ik zijn elleboog op me af komen. Voordat ik mijn arm kon opbeuren om hem af te weren, raakte hij mijn slaap. De pijn schoot door mijn jukbeen en mijn kiezen klapten op elkaar. Even werd het zwart voor mijn ogen. Toen volgde er felle witte lichtjes. Een oorverdovend geluid als een misthoorn versterkte het bonken onder mijn schedel.

‘Verdomme!’

Er werd aan me getrokken en het geluid stopte, maar het bleef gonzen in mijn hoofd.

‘Daar loopt iemand!’

‘Godskolere. Komt hij hierheen?’

‘Ja. Help me hieruit, snel.’

Ik ging rechtop zitten en kneep mijn ogen tot spleetjes, maar de lichtjes bleven voor mijn ogen langs schieten. Op de tast zocht ik naar de hendel om het portier te openen en rolde naar buiten toen ik die had gevonden. Ik belandde hard op mijn schouder. Twee paar schoenen sjokten naar de auto die vlakbij stond geparkeerd. Ik steunde met mijn handen in de sneeuw die ook meteen in de stof van mijn brok trok. De kou prikte op mijn huid en ik rilde.

‘Alles in orde daar? Ik hoorde de claxon. Hebben jullie hulp nodig?’

Ik probeerde scherp te stellen en zag de silhouet van een man met een enorme, harige hond naderen.

‘Nee, het gaat prima. Dank u,’ riep Vince terwijl de man dichterbij kwam. ‘Doe niet, Danny. Doe het niet,’ zei hij er gedempt achteraan.

Een knal liet een schok door me heen gaan. Als in slow motion zag ik de man wankelen en op zijn knieën zakken, voordat hij helemaal onderuitging. De hond sprong en blafte, beperkt door zijn riem die de man nog steeds vasthield.

‘Fuck! Wat doe je, idioot!’

‘Jouw reet redden. Stap in.’

Met een gonzend hoofd probeerde ik te begrijpen wat er was gebeurd. Hadden ze die man neergeschoten?

‘Jezus Danny, ben je gek geworden!’

Ik keek naar Vince die met zijn maat naast de andere auto stond. Die richtte zijn blik op mij en zette zich in beweging. Nee, dit gebeurde niet echt.

‘Wat de fuck, Danny. Nee, dat doe je niet. Laat haar gaan.’

O god, ik moest vluchten, ik zou de volgende zijn. Wegwezen hier!

Snel kroop ik naar de achterkant van de auto en trok me op aan de bumper. Ik zette het op een lopen, struikelend door de gladheid en mijn onbalans dankzij de dreun van Vince. Door een waas van tranen probeerde ik iets te zien dat me bescherming kon bieden, maar achter het rijtje bomen dat de parkeerplaats omzoomde, was niets dan een witte vlakte. Toch moest ik doorgaan, ik mocht niet opgeven. Ik was nog niet voorbij de bomen toen mijn voet achter iets haakte dat verborgen lag onder de sneeuw en ik klapte op de grond. Snel krabbelde ik op, maar viel direct weer om, door een zet in mijn rug. Vingers klemden zich om mijn nek en duwde mijn gezicht in de sneeuw. Ik kreeg geen lucht. Ik vocht uit alle macht, probeerde het gewicht van mijn rug te krijgen, maar de sneeuw drong mijn mond en neus binnen. Een hand verstrengelde zich in mijn haar en maakte het onmogelijk mijn hoofd te bewegen. Mijn longen brandden. Ik stikte. O god, ik ging dood. Ik probeerde me af te zetten van de grond, maar ik had geen kracht in mijn armen. Mijn longen klapten bijna uit elkaar.

Net toen ik mezelf voelde wegzakken, werd ik overeind getrokken. Ik hapte naar adem en haalde met mijn nagels uit naar het gezicht van de man en probeerde me onder zijn hand vandaan te werken. Hij duwde me achteruit tot mijn rug een boom raakte, pakte de kraag van mijn jas beet en draaide die zo dat het me de adem opnieuw benam. Het koude staal van de loop van het pistool brandde op mijn voorhoofd. Secondenlang doorboorde hij me met een boze blik en ik zette me met mijn ogen dicht schrap voor de knal die een einde aan mijn leven zou maken.

Hij gaf me een zet in de richting van de auto’s. Ik struikelde half, maar hij sleurde me aan mijn kraag mee, terwijl ik probeerde grip te krijgen in de sneeuw. Oké, ik leefde nog steeds. Ik haalde adem en hij had me niet vermoord. Maar hoe zorgde ik ervoor dat dat zo bleef?

De hond likte aan de man die languit in de sneeuw voor de auto lag. Was hij dood?

De maat van Vince trok het achterportier van zijn auto open. Voorin zat Vince met een zorgelijk gezicht.

‘Dit moeten we niet doen, Dan. We moeten haar laten gaan,’ zei Vince. ‘Dit gaat helemaal fout.’

‘We hebben haar nodig tot we een veilig onderkomen hebben.’

Vince schudde zijn hoofd. ‘Ze zullen ons alleen maar fanatieker zoeken met haar erbij.’

‘Nee, dit houdt de smerissen wel even op afstand.’

Hij kneep in mijn bovenarm en verdraaide die tot ik op de achterbank zat. Hij smeet het portier dicht en ik krulde me op, bevend over mijn hele lichaam.

 

7

 

Ik draaide me om in het bed, maar geen enkele houding was nog comfortabel. Het vale ochtendlicht sijpelde door de versleten gordijnen. Dit zou niet meer alleen een groot artikel in mijn eigen krant opleveren, dit werd landelijk voorpaginanieuws. En niet alleen kranten, ook redacteuren van radio- en tv-nieuws zouden in de rij staan om hiervan verslag te doen. Zouden ze mijn portret al van de website van de krant of mijn profielfoto van social media hebben gehaald om de gijzeling te illustreren? Man doodgeschoten tijdens vlucht van ontsnapte gevangene, vrouw gegijzeld, haar lot nog onduidelijk. De politie vraagt het publiek alert te zijn, maar zelf geen actie te ondernemen, want de daders zijn vuurwapengevaarlijk. Heel Nederland zou zich afvragen hoe zoiets in ons land kon gebeuren en blij zijn dat het hen niet was overkomen. En als ik het geluk had om dit overleven, dan zou iedereen achter mij aan komen voor het ‘exclusieve verhaal’. En dat allemaal omdat ik me ook eens een keertje van mijn beste kant had laten zien door Bram op te halen en een vent van straat te rapen.

Hoe hard ik het ook probeerde, niets kon me afleiden van dat alles overheersende gevoel: ik móést plassen. Ik sloeg de dekens terug en ging op de rand van het bed zitten. Zo lang mogelijk had ik dit moment uitgesteld, uit angst om de twee mannen onder ogen te komen, maar mijn blaas knapte zowat uit elkaar.

Ik voelde hun blikken branden toen ik het hokje in schoot. Het kleine toilet zag er niet bepaald schoon uit en er was niet eens een kraantje om mijn handen te kunnen wassen. Een verschoten gordijn bedekte een raampje waar daglicht doorheen sijpelde. Met een vinger tilde ik het gordijn op en keek naar een roestig plezierjacht, net zo een als waar wij op zaten.

Toen de auto vannacht stopte na de rit vanaf de parkeerplaats had ik geen idee waar we waren. Al die tijd had ik liggen snikken op de achterbank, tot op het bot verkleumd, uitgeput en met een hoofdpijn die helder denken onmogelijk maakte. De auto stond vlakbij het water, zag ik toen ik uitstapte, waarin tientallen boten aan steigers of op bokken op het droge lagen, variërend van afgedekte roeiboten tot plezierjachten van een meter of vijftien. Met Vince leunend op mijn schouders volgde ik de andere man – Danny noemde Vince hem – langs de waterkant naar de achterste steiger in het haventje, waar de wat grotere schepen lagen. Soepel sprong hij over de reling van een boot; niet de nieuwste en de best onderhouden uit het rijtje, maar wel een grote. Toen hij Vince aan boord hees, lette hij even niet op mij, maar ik had de kracht niet om weg te rennen. Het leek me vrij kansloos om een ontsnappingspoging te doen op de gladde steigers met een vent die ik net iemand had zien neerschieten. Waar Vince nog wel iets sympathieks over zich had, gold het tegendeel voor Danny. Als hij naar me keek, trok hij een gezicht alsof hij iets vies rook. Van zijn permanente frons ging boosheid uit en hij leek me zo’n type die weinig aanleiding nodig had om iemand in een kroeg op zijn gezicht te timmeren of die zich op de tribunes van de harde kern van een voetbalclub uitleefde op het meubilair, of nog liever op de tegenstanders.

Op de boot filterden aftandse gordijntjes het licht van de lantaarns in de haven. Het rook er naar een mengeling van stof en motorolie. De lak op het houtwerk rondom het roer bladderde af, op de vloerbedekking was een pad uitgesleten en uit de bank puilde de vulling uit de grijzige bekleding. Danny dirigeerde me naar het voorste, lagergelegen gedeelte van de boot, met een minikeukentje en een toilethokje. Klappertandend had ik plaatsgenomen op de rand van een van de twee bedden die in de boeg met de voeteneinden bij elkaar kwamen. Op het andere bed hing Vince. Doodop en verdoofd van de kou was ik met kleren en al onder de dekens gekropen en wonder boven wonder in slaap gevallen, met Vince naast me en Danny op de bank in het hogere gedeelte van de boot.

‘Hebben we iets te eten?’ hoorde ik Vince gedempt door de dunne wandjes van de toiletruimte vragen.

‘Niet veel. Die ouwe heeft hier bijna alleen maar bier staan. Hier, neem dit.’

Er werd een blikje opengetrokken. Even bleef het stil en mijn gedachten dwaalden voor de zoveelste keer af naar thuis, aan de hel waar mijn ouders nu doorheen gingen. Mijn vader en Bram zouden nu toch wel zijn bevrijd, nam ik aan. Hoopte ik. Dan had hij mijn moeder inmiddels vast ook op de hoogte gebracht. Haar moeten vertellen dat er voor de tweede keer iets vreselijks met een van haar dochters was gebeurd. Kon ik ze maar op een of andere manier laten weten dat het goed met me ging. Nou ja, dat ik nog leefde en niets ernstigs mankeerde.

‘Bedankt voor je hulp, man. Zonder jou had ik het nooit gered. Ik ben je heel wat schuldig,’ zei Vince.

‘Ik zal het onthouden. Maar we kunnen hier niet blijven. Ik zal zo eens kijken of iemand een wat comfortabeler en veiliger adres heeft waar we een tijdje terecht kunnen.’

‘En zij?’

‘We dumpen haar als we een veilig onderkomen hebben.’

Ik luisterde ingespannen toen ik ze niet meer hoorde.

‘Ik wil niet dat haar iets overkomt,’ zei Vince. Danny reageerde daar niet op. ‘Ik vind het al erg genoeg dat ik haar hierin heb meegesleurd.’

‘We lossen het wel op.’

Ik keek nog eens langs het gordijntje. Als het al open had gekund, was het raampje te smal om doorheen te kruipen. De boot naast ons belette het zicht op de rest van de haven. Geen mens te zien. Met een zucht verliet ik de ruimte toen ik klaar was. Het liefst kroop ik meteen weer weg onder de dekens, maar ik had honger en dorst. Voordat ik Bram was gaan ophalen had ik nog een broodje gegeten, daarna helemaal niets meer.

Danny viste een knakworst uit een blikje op tafel en Vince zat naast hem een worstje weg te werken.

‘Geef haar ook wat,’ zei Vince met volle mond toen ik besluiteloos voor het trappetje naar het zitgedeelte bleef staan.

Danny slikte een hap weg. Ik onderdrukte een huivering toen hij me aan keek met een blik alsof het mijn schuld was dat we in deze situatie waren terechtgekomen. ‘O’Neill kan zichzelf wel helpen.’ Hij knikte naar een boodschappentas op de grond naast hem.

O’Neill? Wat bedoelde hij daar nou mee? Het kwartje viel toen ik eraan dacht welke trui ik droeg: de sweater die bestemd was voor een avond op de bank met daarop de merknaam in grote letters over mijn borst. Behoedzaam beklom ik het trapje en knielde naast de tas neer, alert op elke beweging die Danny maakte. Snel haalde ik een gevulde koek uit een zakje en pakte een blikje energydrink en zag vanuit een ooghoek hoe hij luidruchtig op een worstje zat te kauwen waar de druppels van het vocht uit het blikje vanaf dropen. Gruwelend trok ik me snel terug op bed, voordat mijn eetlust helemaal was verdwenen.

De smakeloze koek bleef in mijn mond plakken en ik spoelde hem weg met energydrink. Mijn god, wat had ik zin in een fatsoenlijk broodje en een bak koffie. Iets voedzaams, iets wat niet zo zoet was en mijn maag echt zou vullen zonder me misselijk te maken.

‘Ik ga naar de auto, even kijken of die goed uit het zicht staat,’ kondigde Danny even later aan. De boot schommelde licht toen hij van boord ging.

‘Er ligt een doosje pijnstillers op het aanrecht, zou je dat willen aangeven?’ doorbrak Vince de stilte na een paar minuten.

Geschrokken van het feit dat hij het tegen mij had, bleef ik roerloos zitten. Mijn eerste ingeving was om hem te laten verrekken. Hopelijk had hij veel last van zijn verwondingen. Maar misschien was het goed om vriendelijk te blijven. Als hij me aardig vond, zou hij niet toestaan dat Danny me iets zou aandoen.

Ik gleed met tegenzin van het bed af, klom met de pillen het trapje op en vermeed zijn blik toen ik het doosje voor hem neerlegde.

Hij mompelde een bedankje. ‘Ga zitten, als je wilt.’

Liever niet, maar ik nam toch plaats op het uiterste puntje van de hoekbank.

Hij schoof het blikje naar me toe waar nog één worstje in zat. Ik bedankte ervoor en hij stak hem snel in zijn mond.

‘Je hoeft niet bang te zijn dat we je iets aandoen,’ zei hij terwijl hij een pil uit de strip drukte.

Ik staarde naar mijn vingers en wist niet of er een antwoord van me werd verwacht.

Hij sloeg twee pillen achterover met een paar slokken van het vocht uit het blikje. Gatver.

‘Het spijt me dat ik je hierin meegesleurd hebt.’ Hij veegde met zijn mouw zijn mond af en schoof het blikje heen en weer over het tafelblad. Ik keek op en hij zag er vermoeid, maar verrassend onschuldig en jongensachtig uit, met zijn korte haren die alle kanten op stonden, zijn stoppelbaardje en hoodie. Het leek alsof hij zich echt rot voelde over wat hij me aandeed. Beschaamd zelfs. Misschien kon ik misbruik maken van zijn schuldgevoelens.

‘Je moet me laten gaan. Ik beloof je dat ik de politie niet zal vertellen waar jullie zitten.’

Hij trok een scheef gezicht. ‘Al zou je niet van plan zijn het te vertellen, ze krijgen het wel uit je, zo zijn ze. Maar maak je niet te veel zorgen, zodra we een veilige plek hebben gevonden, ben je van ons af.’

De stilte die viel was ongemakkelijk. Ik frommelde aan de touwtjes van de capuchon van mijn trui. Wat had deze ogenschijnlijk vriendelijke vent uitgespookt om in de Wittenberg terecht te komen? Hij zag er zo normaal uit, maar hij moest toch iets ergs hebben gedaan. Ik durfde het niet te vragen. Misschien was het beter ook maar om het niet te weten.

‘Luister, je hoeft niet bang voor me te zijn. Ik doe je niks, oké?’

‘Handig om te weten als je de volgende keer een mes op mijn keel zet.’ Het flapte eruit voordat ik er erg in had. Ik gluurde zijn kant op om te zien hoe die opmerking viel.

Hij leek niet eens geërgerd, maar zuchtte. ‘Als jij je rustig houdt, overkomt je niks. Geef Danny geen aanleiding om boos te worden. Hij heeft een kort lontje.’

Heel geruststellend.

 

8

 

De boot deinde en er gleed een schaduw over het gordijntje bij het smalle raampje boven het bed in de boeg waar ik me had teruggetrokken. De scharnieren van het deurtje op het achterdek piepten.

‘Kom even mee naar buiten.’

Na wat gestommel piepten de scharnieren nog een keer.

‘Je bent beroemd, man. Iedereen heeft het over je.’

Danny’s stem klonk gedempt, maar ik kon hem woord voor woord verstaan. Dat kon nooit de bedoeling zijn.

‘Dat zal wel. Heb je iets gehoord over die kerel op de parkeerplaats?’

‘Die leeft nog, niks aan de hand. Maar die kerel die je in de bak hebt neergestoken, ligt kantje boord.’

‘Verdomme, dat heb ik niet gedaan.’

‘Dat is niet wat ze in het nieuws zeggen.’

‘Ik zweer het je, ik héb het niet gedaan. Ik wilde niet eens ontsnappen, maar als ik was gebleven, dan hadden ze me vermoord.’

‘Waarom?’

‘Geen idee. Maar twee kerels begonnen gisteravond een vechtpartij en toen er een paar op los timmerde, pal naast me, probeerde een van de aanstichters een mes tussen mijn ribben te steken. Zonder aanleiding, want ik probeerde juist uit de buurt te blijven. Hij moest mij hebben, Dan.’

‘Heb je hem een keer verkeerd aangekeken of zo? Of ben je op zijn plek gaan zitten?’

‘Nee. Ik zweer het je, iemand probeert mij te naaien. Alweer. Het heeft dáár mee te maken, ik weet het zeker.’

Op een paar vogels na en wat auto’s in de verte hoorde ik even niets meer. Ik masseerde mijn slapen in een poging de hoofdpijn te verminderen. Een groot glas water en een pijnstiller zouden waarschijnlijk effectiever zijn. Of de warme straal van een douche in mijn nek. Ik had mijn jas aangetrokken en mijn benen onder de dekens gestoken om warm te blijven. Er was geen verwarming aan boord en stilzitten hielp ook niet echt tegen de kou. Op een normale zaterdagochtend zou ik nu een paar kilometer hardlopen, samen met Willem in het bos vlakbij het huis van mijn vader. Dat was een van mijn goede voornemens sinds ik bij Roel weg was. Ik had de laatste maanden bij Roel en in de weken vlak na de breuk niet echt goed voor mijn lijf gezorgd en dat was te merken als ik mijn broeken probeerde dicht te doen. Ik had me voorgenomen om me beter te gedragen, in vele opzichten, en dat ging best goed, tot Arend, mijn chef, me vorige week op zijn kantoor had geroepen.

Zodra hij me verzocht met hem mee te lopen, wist ik wat hij wilde bespreken. Ik kon wel door de grond zakken toen hij de deur van zijn kantoor achter me sloot en ik de bewuste krant opengeslagen op zijn bureau zag liggen. Ik was ervan overtuigd dat hij me op staande voet zou ontslaan. Ik had de grootste zonde in de journalistiek begaan en dat kon niet anders dan het einde van mijn carrière betekenen.

‘Voor zover ik heb kunnen nagaan, is dit artikel het enige. Klopt dat?’ had Arend gevraagd.

Met een hoofd als een boei van schaamte kon ik niets anders dan knikken. Tranen brandden achter mijn ogen. Het was geen kwade opzet geweest, maar de gelegenheid liet het toe en ik had het gedaan. Het had me een rotgevoel gegeven. Ik had meerdere keren op het punt gestaan om het op te biechten, maar het toch voor me gehouden in de hoop dat niemand erachter kwam.

Op die bewuste dag dat het misging, een week of drie geleden, had ik een kater van hier tot Tokio. Ik was net weg bij Roel en om me op te vrolijken had mijn beste vriendin Kimberly me de avond ervoor mee uit genomen. Ik kon me niet meer herinneren hoe en hoe laat we erin waren geslaagd om Kims huis te bereiken. Terwijl ik die dag erna over het toilet gebogen zat, hoorde ik Roels stem in mijn hoofd en even gaf ik hem gelijk. Je gedraagt je als een puber. Je gaat een paar avonden per week stappen, zuipt je een ongeluk en doet alsof dat de normaalste zaak van de wereld is op je achtentwintigste.

Nee, het was normaal om je te gedragen als een ouwe zak op je achtentwintigste, zoals hij deed, had ik geantwoord. En dan kwam hij weer met van die verstandige opmerkingen over de hypotheek, carrières en de toekomst en dergelijke. Alsof je met een hypotheek nooit meer gek mocht doen. Het was net of zijn opmerkingen over mijn gedrag het slechtste in mij naar boven haalde. Hoe meer hij klaagde over het feit dat ik geen huisje-boompje-beestje wilde, hoe meer ik me afzette tegen dat leven. Als een puber, inderdaad.

Blijkbaar had Roel met zijn ouders gepraat over onze problemen en toen zijn vader dat vervolgens doorbriefde aan de mijne en die mij als een klein kind op de kop gaf over mijn ‘onvolwassen, puberale gedrag’, was de maat vol: Roel kon beter iemand anders zoeken om vader-en-moedertje meet te spelen. Helaas was ik wel gedwongen om bij mijn onbegripvolle vader in te trekken tot ons appartement zou zijn verkocht en ik iets voor mezelf kon zoeken.

Toen ik me dus met een kop van beton naar de redactie sleepte om het paginagrote artikel voor de weekendbijlage over Oost-Europese seizoenarbeiders af te maken, kon ik niet anders dan met hem eens zijn dat het niet handig was om je zo te bezatten als je de volgende dag moest werken. Voor dat artikel had ik al de hele week allerlei mensen gebeld en was overal langs gegaan, maar ik kreeg geen enkele Oost-Europeaan te spreken om het verhaal over slechte arbeidsomstandigheden te bevestigen. En dat terwijl zij toch degenen waren die aan de bel hadden getrokken over lange werkdagen, lage lonen en slechte huisvesting. Dus toen ik die vrijdagochtend wederom niemand te pakken kreeg en de deadline naderde, bedacht ik dat zij het niet erg zouden vinden als ik het artikel schreef zonder hun bevestiging. Het was tenslotte voor hun eigen bestwil. Dus verzon ik een paar quotes over hoe erg het allemaal was om appels te plukken in Nederlandse boomgaarden en leverde het in, met de gedachte dat er geen haan naar zou kraaien.

En een week of twee ging het goed. Ik nam me plechtig voor om het nooit meer te doen en me wat beter te beheersen, in ieder geval als ik de volgende dag moest werken, en daar hield ik me keurig aan. Totdat Arend me op zijn kantoor ontbood.

Ik wilde hem uitleggen hoe het was gebeurd, maar hij wilde het niet horen. Het voelde alsof ik weer op de middelbare school zat en toegesproken werd door de rector. Alleen was deze straf iets erger dan een paar uur papiertjes prikken op het schoolplein. Ik zou nooit meer aan de bak komen als journalist als ik hierom werd ontslagen. Arend had elk artikel dat ik de laatste drie maanden had geschreven gecheckt en niets afwijkends gevonden. Daarom hoefde ik niet direct mijn bureau te ontruimen, maar werd ik geschorst, deelde hij mee. Ik was blij dat de redactie zo goed als leeg was toen ik mijn spullen pakte, de computer afsloot en vertrok. De enkeling die er zat, zou denken dat ik op pad ging voor een artikel.

Thuis had ik niets gezegd over mijn schorsing. Ik werkte net als mijn vader op onregelmatige tijden en verbleef af en toe een nachtje bij Kim, dus het viel hem niet op dat ik niet naar mijn werk ging. Komende maandag mocht ik Arend ervan overtuigen dat ik zijn vertrouwen – en dat van de lezers – nooit meer zou beschamen, anders was ik mijn baan kwijt.

Ik hoopte dat ik die afspraak zou halen.

Danny’s stem trok mijn aandacht. ‘Katia gaat kijken of we in het huis van een vriend van Radim terecht kunnen. Die moet een paar maanden zitten, dus zijn flatje staat leeg.’

‘Waar?’

‘Ergens in de Bijlmer. Ze denkt dat Radim het vandaag nog kan regelen, als die vriend er geen problemen mee heeft.’

Terwijl Vince iets goedkeurends mompelde, voelde ik mijn wangen kleuren. Als ze wisten wat ik had gehoord, zouden ze me niet meer laten gaan. Ik kreeg het heet en schopte de dekens van me af.

‘Is al bekend dat jij me hebt geholpen?’ vroeg Vince.

Er kwam geen hoorbaar antwoord.

‘En ze weten dat je dat grietje hebt meegenomen. Ze trekken alles uit de kast om haar te vinden,’ zei Danny.

Ik slikte om de brok in mijn keel weg te krijgen. Ik zat me druk te maken over mijn baan, terwijl ze thuis niet eens wisten of ik nog leefde.

‘Mijn poot doet zeer, ik moet zitten.’

Ik ging met mijn gezicht naar de wand liggen toen ze binnen stommelden, bang dat ze aan me konden zien wat ik wist.

Ik hoorde een flinke bonk en Vince vloekte. Een nog hardere klap volgde. ‘Verdomde klotezooi.’

‘Jezus man, het hoeft niet stuk. Die ouwe krijgt een rolberoerte als je wat sloopt.’

‘Ik ga verdomme níét terug de bak in,’ zei Vince met overslaande stem.

Danny humde wat.

‘Als ik nu word gepakt, is mijn leven hoe dan ook voorbij. Ik mag heel wat jaartjes extra zitten, als ze me in de bak niet omleggen.’

‘Wat dacht je van mij dan?’ viel Danny ineens uit. ‘Denk je dat ik hier ongeschonden uit kom als ze ons pakken? Ik ben nu net zo schuldig als jij. Misschien kunnen we samen een cel delen als we gearresteerd worden.’

‘Ze hebben me erin geluisd. Dat weet jij net zo goed als ik.’

‘O? Dus je bent onschuldig? Heb je dat grietje zeker ook niet gedwongen om mee te gaan? Heeft ze zeker zelf aangeboden?’

Vince slaakte een overdreven zucht. ‘Je weet best wat ik bedoel. Misschien moet ik deze kans aangrijpen om dingen recht te zetten. Proberen die klootzak te vinden die me erin heeft geluisd.’

‘En dan? Hem bij de politie afleveren met een briefje erbij dat hij het heeft gedaan? Alsof jij dan vrijuit gaat.’

Vince ging er niet op in en ze praatten verder over onschuldigere onderwerpen, terwijl mijn tranen op het kussen drupten en dat doorweekten.

 

9

 

‘Goed nieuws voor jou,’ zei Vince, terwijl hij een sliert vermicelli van zijn kin veegde.

‘Vince, houd je bek.’ Danny zette met een klap een mok met tomatensoep voor me neer. Ik kromp even in elkaar. De soep uit blik rook heerlijk en ik mompelde een bedankje. De lucht had mijn honger flink aangewakkerd toen Danny het eten op een gaspitje had opgewarmd. Het was niet bepaald een volwaardige maaltijd, maar het was de lekkerste soep die ik ooit had gegeten. Dat viel vast te verklaren door het feit dat dit mijn eerste warme en hartige maaltijd in twee dagen was. Op aandringen van Vince had Danny met tegenzin ook voor mij een beker volgeschonken. Hij vond het volgens mij al heel menselijk dat hij me een koek had gegund.

 ‘Morgen gaan we naar een andere schuilplaats. Dan kunnen we jou laten gaan,’ ging Vince onverstoorbaar verder.

‘Verdomme, praat niet tegen haar. Zo verlul je je.’

Ik begon me nog ongemakkelijker te voelen en richtte blozend mijn blik op de soep. Als ze toch wisten wat ik al had gehoord, zou Vince ook niet meer zo vriendelijk zijn.

‘Je zult wel graag naar huis willen, toch?’ Vince keek me met een glimlach aan.

Ik wierp hem een snelle blik toe en knikte.

Demonstratief gooide Danny zijn lepel in de soepkom, de spetters vlogen over de tafel. Hij sloeg zijn armen over elkaar en leunde naar achteren. ‘Gezellig hè, zo samen op de bank. Goh, waar zullen we het nu eens over hebben. Wat haar hobby’s zijn?’

‘Doe normaal, Danny. We hoeven haar niet dood te zwijgen.’

Ik deed mijn best onzichtbaar te zijn op het smalle stuk van de hoekbank en at snel door.

‘Ik snap best dat je in een goed blaadje probeert te komen bij het eerste lekkere wijf dat je ziet sinds je uit de bak bent, maar jezus, zeg. Misschien moet je O’Neill vertellen waar we heen gaan, kan ze nog een keer langs komen.’

Vince rolde met zijn ogen. ‘Doe niet zo overspannen.’

Ik wilde wel door de vloer zakken. Niet meer opkijkend lepelde ik snel de soep naar binnen, waar ik niets meer van proefde.

‘Het is goddomme ook altijd hetzelfde liedje met jou. Je werkt jezelf in de nesten en ik mag het weer oplossen. Jij leunt lekker achterover tot ik de zooi achter je kont heb opgeruimd. Voor al je problemen, bel Danny.’

‘Je hoeft me niet te helpen. Als je het niet zit zitten, stap je toch gewoon op? Je bent me niks verplicht.’

Danny slaakte een zucht en ging op iets mildere toon verder. ‘Elke keer hoop ik dat het de laatste is. Dat je eindelijk je hersens gaat gebruiken en een keer uit de problemen blijft. Hoe vaak heb ik jouw hachje nou al niet gered? Je bent een slimme jongen, je bent goed in wat je doet, maar iedere keer presteer je het weer om je in te laten met mensen die je aan alle kanten naaien. Jezus man, je had al zo veel kunnen bereiken in je leven.’

Vince sloot vermoeid zijn ogen. ‘Je bent pa niet.’

‘Alsof je daar wel naar luistert.’

Danny’s telefoon begon te zoemen. Hij graaide hem van tafel en stond op. IJskoude lucht gleed over me heen toen hij naar buiten ging.

‘Oké, mooi,’ zei Danny duidelijk verstaanbaar vanaf het dek. ‘Ja. Dus jij staat morgenvroeg op de parkeerplaats langs de A9, je weet wel, die zonder pomp, met… Ja, die.’

Mijn hartslag schoot omhoog toen Vince ineens naar me keek. Zijn opengesperde ogen schoten heen en weer. ‘Fuck,’ zei hij, zonder zijn blik van mijn gezicht los te maken.

Ik probeerde zo onschuldig mogelijk te kijken, maar mijn rode wangen verraadden me ongetwijfeld.

‘Je hebt vanmiddag alles gehoord, hè?’ zei Vince zachtjes.

Tranen vertroebelden mijn zicht. Ik zocht naar woorden om alles te ontkennen, maar aan de ernstige frons op zijn gezicht te zien had dat geen zin.

‘Ik beloof je dat ik niets zal zeggen,’ fluisterde ik snel, ‘echt waar. Ik wil alleen maar naar huis, geloof me.’

Hij sloot zijn ogen en wreef over zijn voorhoofd, terwijl Danny buiten het gesprek afrondde. Ik durfde geen van beiden aan te kijken toen Danny binnenkwam en weer naast Vince ging zitten. Ik kreeg geen hap meer door mijn keel en deed mijn best om een snik te onderdrukken, terwijl ik wachtte tot Vince Danny zou vertellen dat het op de boot nogal gehorig was.

‘Het is geregeld, morgenochtend gaan we hier weg,’ zei Danny.

Tot mijn verbazing mompelde Vince alleen maar wat in de trant van ‘goed zo’.

Als Danny het al vreemd vond dat Vince zo lauw reageerde en ik onbeweeglijk zat te janken met een halflege kop soep voor me, liet hij het voor wat het was.

 

10

 

Zondag 22 januari

 

Ik deed die nacht nauwelijks een oog dicht. Mijn rechterzij voelde een beetje verdoofd aan omdat ik urenlang in dezelfde houding lag: met mijn gezicht naar de wand om Vince, die in het bed naast me lag, maar niet te hoeven zien. Ziek van angst had ik zitten wachten tot Vince Danny zou opbiechten wat ik had gehoord, maar na een paar zenuwslopende uurtjes, maakten ze zich klaar om te gaan slapen, zonder dat Vince er iets over had gezegd.

En nu lag ik verstijfd in bed, ervan overtuigd dat Vince op zijn besluit om te zwijgen zou terugkomen. Want ik kon maar niet begrijpen waarom hij het voor zich hield. Wilde hij niet dat mij iets zou overkomen en hield hij zijn mond uit angst dat Danny me wat zou aandoen? Ik snapte er niets van. Hoewel ik hoopte dat hij uit bescherming niets had gezegd en hij nog steeds van plan was om me te laten gaan, besefte ik maar al te goed dat mijn leven gevaar liep. Danny was een driftkikker en als hij erachter kwam wat Vince had verzwegen, zou hij me vast uit de weg ruimen, zoals hij ook met die man met de hond op de parkeerplaats had gedaan.

Ik dommelde een paar keer weg en droomde over Vince die een kussen op mijn gezicht drukte en over Danny die me op de rand van de boot in het hoofd schoot, zodat ik in het ijskoude water viel. Met een schok alsof ik in een gat viel, werd ik dan weer wakker.

Toen het alarm van Danny’s telefoon de mannen wekte, was de lucht die ik onder het gordijntje door kon zien nog steeds pikzwart. Ik was al klaarwakker en stond op scherp, hoewel ik me voelde alsof ik een griepje onder de leden had. Het zou het gebrek aan slaap, eten en drinken wel zijn, in combinatie met de constante angst.

Na een karig ontbijt van een handje chips en een half blikje cola, dat een stroef laagje op mijn toch al vieze tanden achterliet, schoot Danny zijn jas aan en ging van boord.

Ik bracht een kort bezoek aan de wc, die onaangenaam rook, en maakte plaats voor Vince. Zelfs nu Danny er niet bij was, zei hij niets over het voorval van gisteren. Blijkbaar vertrouwde hij erop dat ik niet de benen nam, want hij sloot de wc-deur terwijl ik kon gaan en staan waar ik wilde. Via de buitendeur wegglippen was geen optie, die piepte als een gek. Snel begon ik te speuren naar iets dat me zou kunnen helpen bij een ontsnapping, maar er lag niets. Voordat ik bij de keukenla kon komen, kwam Vince alweer uit het hokje. Ik trok mijn jas en schoenen maar aan in voorbereiding op het vertrek.

‘Klaar?’ vroeg Danny toen hij terug was.

‘Yep.’

‘O’Neill, meekomen.’

De ijzige kou liet mijn wangen aangenaam tintelen en ik snoof de frisse lucht op toen ik achter Vince en Danny aan over de reling op de kade klom. Het was heerlijk om na bijna twee dagen op die muffe boot buiten te komen. De sneeuw glinsterde in het licht van de lantaarns en kraakte onder mijn schoenen. De horizon kleurde vaalgrijs. Heel voorzichtig begon ik me te verheugen op een terugkeer naar huis. Het maakte me niet uit dat ik dan weer mijn vader moest aanhoren die steeds maar vertelde hoe fantastisch Roel was en hoeveel ik misliep door niet met hem samen te zijn. Ik zou zelfs graag naar een feestje gaan van de familie Boomkamp, ook al zou ik de hele avond naast Roel moeten zitten. Als ik hier maar heelhuids uit kwam.

Vince kon niet ver lopen op eigen kracht, dus moesten Danny en ik hem ondersteunen. Het had niet meer gesneeuwd, maar wel flink gevroren. Danny ontgrendelde de auto en diepte een ijskrabber op.

‘Jij achterin,’ commandeerde hij Vince, ‘O’Neill voorin.’ Hij vertikte het om me bij mijn naam te noemen en sprak zo weinig mogelijk direct tegen mij, waarmee hij het gevoel versterkte dat ik overbodige ballast was. Zo anders dan Vince, die bemoedigend naar me glimlachte toen ik hem hielp instappen.

‘Nog heel even,’ zei hij zachtjes, om niet boven het geschraap van de ijskrabber uit te komen.

Ik forceerde een glimlachje als antwoord en sloeg snel mijn ogen neer. Het botte gedrag van Danny was tenminste duidelijk. Hij moest me niet en liet dat goed merken. Maar ik kon niet inschatten in hoeverre Vince’ vriendelijkheid oprecht was. Hij probeerde aardig te doen en hield nog altijd voor zich dat ik wist waar ze heen gingen. Maar hij was wel een crimineel, veroordeeld voor weet ik veel wat voor een misdaad.

Ik stond op punt om in te stappen en Danny begon net aan de voorruit toen ik iets hoorde. Danny’s blik doorkruiste de mijne en gealarmeerd door iets aan mijn gezicht stopte hij met krabben.

Een draaiende motor. Een portier sloeg dicht. Stemmen. Metaal rammelde.

Tussen de boten door zag ik iemand het hangslot van het hek af halen en het openen. Een zaklamp zette ons in helderwit licht.

‘Hé, staan blijven!’ schreeuwde iemand.

Danny vloekte. Hij duwde me ruw de auto in, smeet de deur dicht en zat twee tellen later achter het stuur. Hij startte en met loeiende motor vloog hij achteruit het parkeervak uit.

‘Godverdomme, wat nu weer!’ riep Vince. ‘Smerissen?’

Danny ramde de versnellingspook in drive en de auto sprong vooruit. ‘Geen idee. Wou je het afwachten?’

Danny had slechts een klein strookje van de voorruit ijsvrij gemaakt, aan mijn kant, dus hij reed blind op het hek af. Ik zette me schrap, met één hand op het dashboard en de andere aan het handvat boven me geklemd.

‘Hou je vast!’

Metaal op metaal, het geluid snerpte door me heen en de auto maakte een zwieper naar rechts.

‘Stop!’ gilde ik.

We botsten ergens tegenaan en ik vloog naar voren. Een dreun tegen mijn hoofd. Ik kwam half tussen de stoel en het dashboard terecht. Danny reed een stukje achteruit, gooide het stuur om, ramde tegen de pook en trapte het gaspedaal diep in. De auto gleed alle kanten op. Ik werd gelanceerd toen de wagen ergens overheen beukte en ik hoopte uit alle macht dat het geen mens was. Ik hees mezelf overeind en keek door het zijraam in het verbijsterde gezicht van een grijze man die van de grond opkrabbelde. Naast hem glinsterden de reflectors op een politie-uniform.

Terwijl Danny vloekte en schreeuwde, won de auto aan snelheid. Hij zette de blazers op volle kracht en ik trok aan de gordel die bij elke ruk blokkeerde. Steeds trok ik de riem iets verder los, totdat ik erin slaagde hem vast te maken. Danny drukte zijn neus bijna tegen de voorruit om door het kleine ontdooide gaatje dat maar heel langzaamaan groter werd de weg te kunnen zien en wonder boven wonder slaagde hij erin de auto niet te laten crashen. Hij sloeg tegen het stuur en Vince kreunde van de pijn.

Was de politie maar iets eerder gearriveerd, of wij iets later vertrokken.

Naarmate de ruit verder ontdooide, voerde Danny de snelheid op. Hij slingerde om het weinige verkeer heen en ik zette me schrap om voorbereid te zijn op een botsing. Zodra de auto op een provinciale weg kwam, kon Danny nog harder rijden, omdat er geen sneeuw lag. Een verkeerslicht sprong net op rood toen Danny een kruising overstak. Met piepende banden wist een donkere SUV ons nog net te ontwijken. Hij stoof andere auto’s voorbij, reed over uitvoegstroken en verdrijvingsvlakken om in te kunnen halen. We naderden een auto en Danny slingerde naar links. Een tegemoetkomende vrachtwagen toeterde en knipperde met zijn lichten en ik kneep mijn ogen stijf dicht. De auto maakte een slinger naar rechts en we lieten het getoeter achter ons.

‘Ik denk niet dat we gevolgd worden,’ riep Danny over zijn schouder, ‘maar we moeten dit ding kwijt.’

Vince reageerde alleen met wat gekreun.

Danny minderde vaart en paste zijn snelheid aan die van het overige verkeer aan. Ik was misselijk, van angst en het geschud in de auto. Nu de adrenaline afnam, voelde ik een zeurderige pijn onder mijn oog. Ik betastte de beurse plek op mijn jukbeen die helemaal gloeide en de pijn vlamde door mijn hoofd.

Via de zijspiegel kon ik de weg achter ons zien en ik staarde ernaar in de hoop blauwe zwaailichten te zien, maar die bleven uit.

‘We moeten van de weg af,’ zei Danny. ‘We zetten haar eruit en we rijden als de sodemieter door.’

Ja, dat klonk goed.

Vanaf de achterbank klonk een binnensmondse vloek. ‘Nee, Danny.’

‘Wat nee?’ Danny wierp een verbaasde blik in de binnenspiegel.

Ik zonk in elkaar op de stoel. Nee, nee, nee!

‘Ze heeft ons horen praten, Dan, op de boot. Ze weet genoeg om de smerissen op ons af te sturen.’

11 - 16