Boven water

Boven water

Boven water

Ik begin mijn brief met een groet. Maar wie groet ik? De blauwe zee voor me golft zachtjes het stuk strand voor me glad. Naast me ligt de glazen fles die ik een paar minuten geleden gevonden heb. Zijn het wel minuten? Ik weet het niet meer. Het enige wat ik weet is dat ik hier ben. Ik weet niet hoe, ik weet niet waarom.

Er stond een fles op het zand. Een glazen fles met één vel briefpapier. Was het beschreven? Nee. Toen ik een potloodje in de fles zag zitten wist ik genoeg. Hoe ga ik uitleggen waar ik ben als ik het zelf niet eens weet? Er is in de verste verte geen land te zien, naast het eilandje waar ik me momenteel op bevind.

Alleen. Ik ben alleen. Voel ik me alleen? Nee. Ik begraaf mijn vingers in het zand terwijl ik geniet van het zachte briesje dat mijn gezicht koelt. Ik sta op en sluit mijn ogen. Voel ik me alleen? Ik voel me vrij. Ik pak de glazen fles op en smijt hem naar het water. Wanneer ik de fles naar de bodem zie zakken kan ik mijn lach niet inhouden. Misschien is dit wel mijn lot.

De zon zakt onder water, ook al zal het daar altijd donker blijven. Ik geniet met volle teugen van mijn privacy. Misschien overleef ik het niet, maar ik heb me nog nooit veiliger gevoeld. Ik zit op het land, veilig boven water.