Erasmus MC

De nieuwe nier

Erasmus MC

Erasmus MC, 25 januari 2018

“Ondraaglijk lijden? Hij kan de pot op! Ik ga dat ding er niet uit slopen, zeker niet als ie zo perfect functioneert.” Van de Velde gooit het dossier op tafel en kijkt zijn collega’s aan. Hier zit de meest ervaren transplantatieafdeling van Europa, met name als het om levende donoren gaat. Meer dan 2500 transplantaties hebben ze al uitgevoerd. Maar zo’n verzoek als dit hebben ze nog nooit ontvangen. De vergadering valt even stil.

Van de Velde staat op en ijsbeert heen en weer. “We hebben dat ding als een baby gemonitord en vertroeteld. Alles gedaan om hem weer een leven te geven en dan dit. Het is verdomme onbestaanbaar.”

De voorzitter van de vergadering knikt: “Lijkt me duidelijk, we doen het niet. Pim, stel jij de patient hiervan in kennis? Ze kijkt nog eens naar het dossier. Geef maar als reden: onvoldoende medische noodzaak.”

 

Erasmus MC, twee maanden eerder

Mijn vrienden noemen mij ‘een blije eikel’. Ik zie het leven nou eenmaal graag van de positieve kant. Te positief soms, mensen worden er wel eens moe van. Daarom gooi ik er tegenwoordig af en toe een sombere noot in. Vandaag vind ik dat moeilijk. Het is een dag nadat ik een nieuwe nier heb ontvangen. Ik lig in een ziekenhuisbed, ik heb twee plastic zakken aan mijn lijf hangen. Een met plas en een met bloed. Ik heb verse littekens, een infuus met pijnstilling en ik heb alleen nog maar een bekertje vla op. En toch voel ik me top. Echt top! Vanmorgen waren Jeanette en de kinderen op bezoek. “Papa, wat ben je rood!” riep de oudste. We schrokken allemaal. De verpleegkundige moest lachen en zei dat dit nou een normale huidskleur was. Grappig, ik ben al zo lang bleek. En moe, vooral moe. Vandaag is dat weg. Ik heb het gevoel alsof ik mijn nieuwe nier voel werken. Natuurlijk ben ik wel slap en slaperig, ik ben twee uur onder narcose geweest. Maar dat gevoel van moeheid in al je ledematen, dat zware trekkende, bijna niet te beschrijven gevoel van moeheid; dat is weg. Deze normale slaperigheid die ik nu voel is heerlijk. Ik laat me er lekker in wegzakken.

 

Geschuifel bij mijn bed. Er zit iemand, ik merk het door mijn laatste stukje slaap heen. Het is Vinnie! Loopt die al rond? “He Marco. Ook wakker? Hoe is het?” Ik schuif wat omhoog, prop een kussen achter mijn rug. “Prima, prima, zeg ik. “En jij?” Hij rolt zijn infuusstandaard naar voren: “Goed, kan niet anders zeggen. Deze mag er straks al uit.” Ik kijk naar mijn verre neef. Ik heb hem nog nooit ontmoet. Toch was hij een van de mensen die reageerden op mijn oproep op facebook een half jaar geleden. Ik dialyseerde al bijna twee jaar, kreeg steeds meer complicaties. Daarom plaatste ik die oproep voor een nieuwe nier via social media. Dat leek me beter; als je het mensen recht op de man af vraagt breng je ze in verlegenheid.  Ik had niet verwacht dat er zoveel mensen zouden reageren en al helemaal niet dat iemand als Vinnie dat zou doen. En nu zitten we hier: het ‘koppel Sanders/Torino’. Zo noemen ze een setje van een donor en een ontvanger hier in het ziekenhuis. Het gaat aan de lopende band door. Een koppel komt binnen, de donor wordt eerst geopereerd, zijn nier blijft op de OK en dan wordt de ontvanger naar binnen gereden.  De hele afdeling hier ligt vol met koppels: de ontvangers aan de ene kant van de afdeling en de donoren aan de andere.

Ik kijk nog eens naar Vinnie. Natuurlijk ben ik hem dankbaar. Dankzij hem heb ik zicht op een nieuw leven. Maar ik heb me nooit helemaal bij hem op mijn gemak gevoeld. Het afgelopen half jaar heb ik hem vaak gezien voor alle onderzoeken in het ziekenhuis. Vinnie kwam altijd met zijn halve familie. Veel ooms en heel veel broers; dat kan nooit allemaal echte familie zijn. In ieder geval behandelen ze mij alsof ik er al jaren bij hoor, met joviale klappen op mijn schouders. Gisteren kwamen ze mij en Vinnie succes wensen; vijf grote mannen in leren jasjes. Bij het weggaan draaide de grootste zich om: “vergeet het niet, straks ben je ook een stukje van ons.”

Hillegersberg