De Sambalman

De Sambalman

De Sambalman

Het is een koude dinsdagochtend. Maurice heeft zijn witte pet ingeruild voor een witte muts en zijn machtige baard valt als een deken over zijn gezicht.

“Echte Surinaamse Sambal! Een beetje heet, maar wel lekker!”

Zijn woorden lijken een magisch effect te hebben. De Rotterdammers die langs lopen doen hun oortjes uit of stoppen met het kijken op hun telefoon. Er wordt gedebatteerd over welke sambal het lekkerste is en waar je de sambal van de Sambalman het beste mee kan combineren. Een jongen en meisje hebben elkaar gevonden in de uienchutney. De vonk die tussen hen ontstaat is heter dan hun favoriete sambal. Een paar meter verderop geeft een vrouw met hoge hakken een euro aan een jongen op afgetrapte sneakers. Maurice lacht. Het feit dat zijn potjes altijd vijf euro kosten zorgt ervoor dat Rotterdam een mooiere plek wordt.  

“30.”, fluistert Maurice.

Het is het aantal potjes dat hij deze maand nog mag verkopen. Een kleine zucht verraadt de tweestrijd in zijn hoofd. Zijn ogen glijden over de 40 potjes in zijn mand.

“10 keer 5 is, 50.”

Maurice denkt aan de hoeveelheid Cayennepeper die hij met dit geld kan kopen. Het is het ontbrekende ingrediënt in zijn nog niet gemaakte sambal. Hij sluit zijn ogen en ziet de nieuwsgierigheid in de ogen van zijn klanten. Ze vragen zich af hoe deze sambal smaakt en of het goed bij een boterham met kaas past. Wie goed in de ogen van Maurice zou kunnen kijken ziet dat hij net zo nieuwsgierig is. Nieuwsgierig naar het effect van zijn sambal.

“Nog 30 potjes!”

Zijn stem werkt als de zoemer in een golfslagbad. Een stel met matchende kleding stopt bij zijn brommer.

“Welke sambal is het heetst?”

Maurice kijkt naar de man met zijn Feyenoord jas en grinnikt.

“Deze.”

“Ja, Henk, die nemen we dus niet. Je bent net ontslagen bij de RET. Weet je hoeveel een Rennie tegenwoordig kost?”

“Minder duur dan die naar komkommer ruikende inlegkruisjes van jou.”

Henk begint te bulderen.

“Zeg, doe jij eens even normaal. Mooie gek. Koop lekker wat je wil joh. Met je hete sambal. Ik ga m’n nagels laten doen bij dat kleine vrouwtje op de hoek.”

“Ja joh, tieft de tempel uit. Doe mij twee van die potjes, ze ken de pleuris krijgen.”

“Alsjeblieft.”

“Bedankt vriend! Tot volgende week.”

Maurice schudt lachend zijn hoofd en rangschikt de potjes sambal van zacht naar sterk. In zijn ooghoek ziet hij opnieuw een matchend stel aan komen lopen. Ze hebben blauw aan.

“Goedemiddag meneer. Zou u ons misschien kunnen vertellen wat u hier doet?”

“Ik verkoop mijn eigen sambal. Een beetje heet, maar wel lekker.” Het enthousiasme in zijn stem is gehalveerd.

“Heeft u daar een vergunning voor?”

“Ik, uh, heb een afspraak met de gemeente dat ik 100 potjes sambal per maand mag verkopen en.”

Maurice is even stil.

“Nee, daar heb ik geen vergunning voor.”

“Als u geen vergunning heeft dan wil ik u verzoeken om te stoppen met het verkopen van producten op straat. Doet u dat niet, dan ben ik genoodzaakt u een boete te geven.”

De ogen van Maurice gaan heen en weer tussen de grond en de ogen van de agent tegenover hem. Zijn blik is onverbiddelijk.

“Oke, ik zal mijn spullen inpakken en naar huis gaan.”

“Dank u wel meneer en een fijne dag nog.”

De mensen die aan komen lopen draaien zich om en stoppen hun euro’s beteuterd terug in hun portemonnee. Maurice draait zich ook om en start zijn brommer. De witte rook die uit zijn uitlaat komt laat weten dat er een beslissing genomen is.

Op de Coolsingel stopt Maurice. Hij kijkt van links naar rechts en denkt na over wat er zojuist gebeurd is.

“Ik heb me altijd aan de afspraak gehouden. Ik ben altijd eerlijk geweest.”, mompelt hij.

De stad die hem altijd omarmd heeft lijkt niet meer om hem te geven. Maurice staat alleen op een vlot. De kou en de gebeurtenissen van zojuist drijven hem langzaam richting Suriname. Het getik van de stoplichten verandert in het gekrauw van een familie papegaaien en het geluid van accelererende auto’s wordt overstemd door het geluid van een ruisende zee.

Achter zijn vochtige ogen draaien zijn hersenen overuren. Misschien is het tijd om terug te gaan. Maurice slaakt een diepe zucht en gaat opnieuw op zijn brommer zitten.

“Ik begrijp het niet. In hun hart, op hun brood of door de rijst. Ik wilde de mensen van Rotterdam alleen wat warmte geven.”