Beeldspraak

Beeldspraak

Beeldspraak

'Wat is er zotter dan in het brons op de markt te staan?' Dat had ik dus nooit zo op moeten schrijven. Het was de goden verzoeken. Voordat ik het wist werd ik met veel tamtam op de markt gebracht en neergezet als boekenwurm. Daar stond ik dan, een goedkoperen versie van mezelf, alle oprechte pogingen buiten beeld te blijven ten spijt.

 

Niettemin ben ik in de loop der tijd gehecht geraakt aan het leven als monument. Mijn mantel zit als gegoten, ik ben altijd goedgemutst, wat wil je nog meer? Dat ik een vaste standplaats heb, verhindert me niet te gaan en staan waar ik wil. In gedachten kan ik overal naar toe. Zoals de natuurfilosofen vermoedden, is in de stof een geest gevangen en die waait waarheen hij wil.

 

Op een sokkel is het ook wat makkelijker afstand nemen van het mens-zijn en dat komt mijn humeur zeker ten goede. Wat dat betreft ben ik deel van de natuur. Ga maar na: de dieren die het verst van de mens staan, zijn het gelukkigst. Huisdieren delen vaak in het leed van hun baasjes en als het echt tegenzit, worden ze zonder pardon bij het grofvuil gezet. Hoeveel aangenamer is het leven van vliegen en vogeltjes! Ze leven alleen voor het ogenblik en volgens hun natuurlijke instinct. Vraag dat maar aan die klerebeesten die me steevast te kakken zetten.

 

Niet voor niets kreeg ik vroeger op gezette tijden een stevige schoonmaakbeurt. Het heet dat Rotterdammers liever poetsen dan lullen. Nou, dat heb ik aan den lijve ondervonden. Ik weet niet wat ze op mijn giechel smeerden, maar het moet een fout goedje zijn geweest. Zo high als een papegaai werd ik ervan. Eens begon het me zo te duizelen dat ik pardoes van mijn voetstuk viel. Weliswaar wist ik er weer bovenop te komen, maar wat een modderfiguur had ik geslagen. Ik kon wel door de grond zakken.

 

In de Tweede Wereldoorlog ben ik echt ondergronds gegaan. Want vliegtuigen die bommen afwerpen, zijn wel even wat anders dan vogels die hun uitwerpselen laten vallen. Wij zijn erger dan de dieren, die niet alle strijden, alleen de wilde. Ze strijden met hun natuurlijke wapens, niet als wij met door duivelse list uitgedachte machines. Ze strijden voor hun jongen of om voedsel; onze oorlogen spruiten meestal voort uit eerzucht of toorn of begeerte, of uit een dergelijke ziekte der ziel.

Hoe het ook zij, na een verblijf van vijf jaar in de onderwereld heb ik een mooi plekje op de Coolsingel gekregen. Dus niet alleen mijn geboorte maar ook mijn wedergeboorte heeft plaatsgehad in Rotterdam en goddank is de stad met mij uit haar as herrezen.

 

Als volwassenen ophouden met nadenken en zich laten leiden door de onzin en verzinsels van een zot, zijn ze welbeschouwd weer kinderen geworden. Die laten zich ook van alles wijsmaken, weet ik uit ervaring. Door de eeuwen heen hebben ontelbare snotneuzen me aan staan gapen. Of ik zo vriendelijk wil zijn een bladzijde om te slaan, als het klokje van gehoorzaamheid slaat. Ik ben geen hond die kunstjes kan, dacht ik dan. Ga wat nuttigs doen en breng me iets te lezen. De bibliotheek is niet ver weg en dit boek ken ik inmiddels van a tot z.

 

Ach, misschien is het maar goed dat ik ze dat niet kon vragen, want het valt voor de drommel niet mee om nog iets lezenswaardigs te bemachtigen. Ik ken mijn Plato, mijn Cicero en nog vele anderen die zichzelf voortdurend kwelden met het schrijven van erudiete werken. Hoeveel gelukkiger is de schrijver in zijn dwaasheid, die zonder enige nachtelijke studie alles wat hem voor de geest komt publicabel acht en je reinste onzin op papier kliedert. Zijn dromen geeft hij meteen aan de openbaarheid prijs en daar heeft hij maar weinig papier voor nodig. Met beeldrijke taal trekt hij een pronkerige façade op, maar tussen de regels door lees je dat zijn zinnen ledig zijn.

 

Er was een tijd dat ik zonder dralen mijn scherts inktte, maar ik ben intussen aan het eind van mijn Latijn. Telkens als ik een boekje open wil doen over zondagsschrijvers sla ik dicht. Het is toch te zot voor woorden?