Picknick in het trappenhuis

Picknick in het Trappenhuis

Picknick in het trappenhuis

"Deze lift is vol. Nemen jullie kunnen die andere maar." De venijnige toon waarop de vrouw ons toespreekt past niet bij hoe ze eruit ziet. Bolle, bleekglanzende wangen en een grauwe paardenstaart boven een beige jas. Ik ken haar wel. Ze woont drie deuren voor de flat van Eileen. Op de dertiende. Achter haar staat een nors kijkende man in een zwart kostuum. Hij heeft een KOMO-zak tot voor zijn voeten gesleept, die zo volgepropt is dat het plastic in grote puisten opbolt. Volgens het bordje boven de etageknoppen is er nog ruimte voor dertien personen. 

De vrouw sluit de liftdeur met een ferme zwaai. Eileen sist: Stom mens!" Door het raampje zien we de melkflessen van de buurvrouw met het licht naar boven verdwijnen. De tweede lift staat ook stil op nul, maar die komt maar tot de twaalfde. "Ik ga niet wachten hoor", beslist Eileen. Van de twaalfde naar de dertiende lopen vind ik niet zo erg. Ik loop meestal. Van vijf naar nul, van nul naar dertien, van dertien naar vijf. De route van mijn huis naar buiten, naar het huis van Eileen en weer terug. 


Onze flat staat in Prinsenland, in een kruis met drie identieke gebouwen. Vier keer 156 huishoudens aan de rand van de Alexanderpolder, het laagste punt van Nederland, hebben we geleerd op de Jacob van Campenschool. Achter de andere flats begint het platte land. Weilanden, boerderijen en de manege van boer Slik. Wij hebben aan de voorkant uitzicht op de begraafplaats achter de singel en het basketbalveldje. Links ligt het kruispunt, waar een agent ons iedere ochtend helpt oversteken. Aan de achterkant kijken we op de speelweide met zandbak, de A16 en het Kralingse Bos. 's Avonds zien we daar de gele schelp van Shell bovenuit schijnen. Daar is De Stad.


"Wat zou er in die zak zitten?"

"Weet ik veel." Eileen strekt haar arm uit om op de bovenste knop te drukken.

"Die man is toch dood? Die met dat ene been."

"Ja, hij had K. Dat zei mijn moeder."

"Mochten we daarom niet mee?" In gedachte zie ik de man opgevouwen in de vuilniszak. Niet dat ik weet hoe een dode eruit ziet. Ik denk hetzelfde als levend, alleen dan zo slap als mijn Holly Hobbie-pop. "Maar goed dat we niet met hun mee naar boven zijn gegaan."


De lift naar de even etages is gespiegeld aan de onze. Als we 's ochtends naar school gaan, worden we daar als vee in vervoerd. Ik ben altijd opgelucht als het zo vol staat dat we gedwongen zijn de trap te nemen. Alles beter dan ingeklemd staan tussen een kinderwagen, verlegen kleuters en de dikke man met jampotglazen. Of om het gezeur aan te horen van de vaste passagiers. 'Het wordt hier steeds asocialer. Heb je dat gehoord van die Willem? En hebben jullie ook zo’n last van die knoflooklucht van die buitenlanders?' Alsof dat smeriger is dan de frituurlucht die iedere zondagavond rond een uur of negen door de muur van mijn kamer trekt. Het sein dat onze buren terug zijn van de camping. Als ik al twee uur wakker lig, voeren zij hun kinderen patat, frikadellen en kroketten. 


We passeren de tweede verdieping. Onbekend terrein. Door het langwerpige raampje komt een mislukte dia voorbij. Groen en donkergrijs achter het helblauwe galerijhek. De rubberen vloer verspreidt een vertrouwde geur, maar op de formica wanden zijn andere teksten geschreven dan in onze lift. Fuck you, met een tekening van een omhoog stekende neus tussen twee bolle ogen. Ik bedenk dat ik toch iemand ken op de tweede. Dat Pakistaanse rotjong met dat zusje. We spelen nooit met ze. Zij zwaait weleens naar me als ze in haar eentje op het balkon staat. Als hij buiten is, pakt hij onze bal af of breekt takken van de struiken die onze hut vormen.


"Ben je nog steeds bang in de lift?"

"Gaat wel." Zonder mijn vriendin was ik niet ingestapt.  

Eileen steekt haar voet uit naar de metalen balk bij de deur. "Niet doen!" Mijn bloed stopt al met stromen. 

De laatste keer dat ik met de lift bleef hangen had Stefanos van de zevende de balk met de teen van zijn kaplaars naar binnen getrokken. Ook toen raakte ik in paniek. Net als die keer dat de lift tot halverwege door de begane grond was gezonken en ik met drie vreemde volwassenen zat opgesloten. Verstijfd zag ik hoe flatbewoners door hun knieën zakten om beurtelings door het raampje naar ons te kijken. Alsof we aapjes in Blijdorp waren. 

"Ze halen ons er zo uit", beloofde de vrouw die alarmknop had ingedrukt. De andere twee probeerden me te troosten met pepermuntjes, maar die vond ik veel te heet. Ook de kushandjes die mijn moeder even later naar beneden zwaaide, stelden me niet gerust dat ik ooit nog buiten zou komen. Dat gebeurde pas tweeënhalf uur later, toen een brandweerman eerst mij en daarna mijn poppenwagen terug op aarde zette.

Eileen giechelt. "Tuurlijk niet. Grapje!"


Ik kan weer ademhalen, het ruitje van de vierde verdieping is in zicht. Onze onderburen. Sinds kort wonen daar Surinaamse mannen. Ik weet niet precies hoeveel. Mijn moeder vindt dat ze herrie maken. "Dat gebonk", noemt ze de muziek die tot in onze woonkamer stijgt. Ik vind het wel lekker. Iedere avond lig ik op de wollen vloerbedekking te luisteren. De bouclé lusjes van het tapijt kriebelen warm aan mijn oor, de donkere bastonen trillen in mijn borst en buik. Mijn hartslag verandert in een ritme dat ik niet ken, maar toch rustgevend is. 


"Zullen we gaan picknicken?", stel ik voor.

"In de regen?" Eileen speelt van ons tweeën het liefst buiten, maar van nat worden houdt ze niet.

"In het trappenhuis, dat heb ik laatst ook gedaan. Heb je ook geen last van beestjes enzo."

"Okee, dan halen we eerst lekkere dingen bij mij en dan bij jou."


Met een sprongetje stopt de lift op de zesde. Achter het glas verschijnt het hoofd van blonde Willem. In een ruk trekt hij de deur open en sluit hem weer. "Ik moet naar beneden." Eileen zwaait. Zij durft alles. En Willem zwaait terug. Van zo dichtbij heb ik hem nog nooit gezien.

"Hij is net uit de gevangenis."

"Weet ik."

"Misschien heeft hij wel iemand vermoord." Eileen gelooft het zelf ook niet.

"Hij is echt wel crimineel. Vorige week gooide hij allemaal singletjes naar beneden."

Dat laatste had ik zelf gezien. Vanaf het balkon frisbeede Willem de vinyl schijfjes krachtig richting het speelveld. Mijn vader had geroepen dat hij daarmee moest ophouden. "Wat denk je dat er gebeurt als er een tegen het hoofd van een kind vliegt?" Het had geen indruk gemaakt. "Ze zijn van mijn zus en dat is een trut."

De tussenetages vind ik het engst.  Als de lift daar onbedoeld stopt, kun je niet naar buiten kijken. Gelukkig zijn we over de helft. Bijna bij acht. Daar woont Enes.  Vorig schooljaar kwam hij bij Eileen en mij in de klas. Dat was nogal een sensatie. Lang voor de bel ging stond de halve klas tegen de ramen aan geplakt. Marieke en Liesbeth waren op ons afgerend met een onheilspellende tekst:  "Er zit een Turk in de klas, er zit een Turk in de klas." We zagen de juf in gesprek met een donkerharig jongetje en een vrouw in een groene paisley tuniek met zwarte broek. Onder haar kin de dikke knoop van een paars hoofddoekje. 'Ik voel me rijk als een Turk, ik draag een broek onder mijn jurk', zong het stiekem en beschaamd in mijn hoofd. Dat leek me geen fijne eerste schooldag.

Toen ik mijn moeder een paar maanden later vertelde dat Enes van zijn ouders niet mee mocht op werkwerk is ze naar de achtste gelopen om met ze te praten. "Zeg, als jullie erbij willen horen, laat hem dan gewoon meegaan. En als jullie het niet kunnen betalen, dan doen wij dat wel." Enes bleef de enige van de klas die Rotterdam niet uit ging. 


Op de blinde deur van de negende glijdt een rijtje onbekende woorden voorbij. 

One love
One heart
Let's get together and feel alright

Engels kan ik nog niet lezen, maar onderaan de tekst herken ik de naam Bob Marley.  

"Je moet echt snel kunnen schrijven, om dat er allemaal op te krijgen."

"Ja of ze hebben ‘m op de noodrem gezet."

Bob Marley woont bij ons op de tiende. Ze is minstens zestien, donker en heeft grappig gedraaid haar. Meestal hangt ze op het basketbalveld rond of bij een van de kelderboxen met matrassen. Eileen en ik gluren weleens naar de schimmen die op de bedden liggen te roken en zuchten.  Lang duurt dat nooit, we gruwen allebei van de scherpe, kruidige lucht die uit de kieren van de houten kelderwandjes komt. 

Eigenlijk heet het meisje geen Bob Marley, maar dat weet ik pas sinds mijn vader thuiskwam met de foto van een wildeman. Hij had zijn hoofd in zijn nek gelegd en schreeuwde het uit. Als je keek, kon je het bijna horen. Om zijn gezicht dansten lange manen alle kanten op; ze pasten maar net in de witrand.  Een collega bij de krant had hem verteld dat het Bob Marley was, een zwarte zanger. Onze Bob moest wel een groot bewonderaar zijn, dus had mijn vader de foto voor haar meegenomen. 


"Kom, we zijn er." Eindelijk, de twaalfde. Eileen duwt de liftdeur open. In de hal staan stapels verhuisdozen. Die zullen van de Italianen zijn. Twee kleine meisjes, hun vader en moeder. Ze gaan naar Groningen, vertelden ze laatst aan mijn ouders. Dat moet, omdat de vader daar bij de PTT gaat werken. Iedere week gaan er flatbewoners weg en komen er nieuwe bij. De vertrekkers verhuizen bijna altijd naar netgebouwde rijtjeshuizen in Ommoord of Capelle-Oostgaarde. De nieuwelingen komen uit Crooswijk, het Oude Westen, Suriname of een ander ver land. 


"Mijn vader en moeder zitten in een inspraakgroep", zeg ik.

"Wat is dat?"

We lopen de trap op naar de dertiende. De trap af is leuker, want dan kun bij de onderste paal zo fijn naar de overloop zwieren. Eileen en ik durven het al vanaf de zesde tree van onderen. Je moet de paal met twee handen vastpakken, goed afzetten en op het juiste moment loslaten. Dan vlieg je!

"Ze moeten iedere maand praten met mensen die ook een nieuw huis willen. Als je altijd komt, krijg je een huis met een tuin en een zolder."

"Raar", vindt Eileen.

Mijn moeder heeft heimwee naar de stad. "Ik wil het liefst op de Coolsingel wonen", zegt ze altijd. Maar de inspraakgroep is bedoeld voor een huurhuis in een wijk die nu nog niet bestaat. Nog verder van de Shell-schelp. Volgens mijn ouders is het de enige kans om weg te komen uit de flat, "die zo achteruit gaat". Een gezin met één kind heeft in Rotterdam geen recht op een rijtjeshuis. Tenzij je het wil kopen, maar daar moet je geld voor lenen en aan schulden maken doen mijn ouders niet. Door het bombardement in de oorlog zijn er te weinig huizen, zeggen ze. Mijn vader en moeder hebben de bommen zien vallen toen ze ongeveer zo oud waren als ik nu. Dat is pas raar. Ik kan me niets engers voorstellen dan in mijn eentje met de lift reizen. 

"Ongezellig als je gaat verhuizen. Dan moet ik een andere vriendin zoeken."


Op de dertiende waait het altijd harder dan bij mij op de vijfde. Maar je kunt er ook veel verder kijken. Helemaal naar de bouwkranen in de wijk die nog niet bestaat. Dichterbij zie ik piepkleine mensen lopen met een paraplu. In de bocht bij de singel rijdt een rode mini-auto. Eileen is op de galerij voor me uitgerend.  Volgens mij heeft ze niet eens gezien dat de KOMO-zak met puisten onder het keukenraam van het middelste huis leunt. Voorzichtig duw ik de punt van mijn gymschoen tegen de zijkant. Het voelt huiveringwekkend zacht.