De hongertochten van Rotterdamse vrouwen

De hongertochten van Rotterdamse vrouwen

De hongertochten van Rotterdamse vrouwen

3 februari 1945

“De hele dag heb ik gewacht op dit moment. Ik ben alleen op dit verlaten stuk akkerveld. Mijn handen zijn verkleumd door de kou. Het laatste streepje zonlicht is verdwenen. Mijn hart klopt in mijn keel. Voorzichtig sta ik op uit de kuil die ik vanmiddag heb gegraven. Het hooi kraakt onder mijn voeten. De adrenaline stroomt door mijn lijf. Niemand mag me zien of horen. Zonder geluid pak ik mijn fiets, ik sluip op de berg hooi af. Ik moet en zal die aardappels hebben. Mijn familie in Rotterdam komt anders om van de honger.

Behoedzaam strek ik mijn handen uit in de berg hooi, ik reik naar de grond en tast de aarde af. Een zalig geluksgevoel schiet door me heen als ik de aardappels voel. Het groepje mannen die me er vanmiddag op wees had gelijk, mijn wachten wordt beloond. Bijna wil ik een kreet slaken van geluk als ik merk dat ze klein van stuk zijn. Daarmee kom ik straks makkelijker door de controleposten van de Duitsers heen. Aardappels nemen ze in beslag, spruiten niet. Dus zolang ze niet in mijn zak kijken, maak ik ze wijs dat het spruiten zijn. Dan verstijf ik, ik voel dat ik niet alleen ben. Ik spits mijn oren en kijk schichtig om me heen, maar ik zie niemand. Ik mag niet gepakt worden. Niemand anders kan eten voor mijn familie regelen.

Thuis in Rotterdam
Als Jan, mijn geliefde, de straat opgaat, wordt hij geheid opgepakt. Mijn schoonouders en de benedenburen zijn te oud en verzwakt. Allemaal zijn ze afhankelijk van mij. Met het eten van de gaarkeukens overleef je de winter niet. Rillend van de kou staan mensen urenlang in de rij voor waterige hutspot. Niemand kijkt raar op van mensen die op straat uit vuilnisbakken graaien. Het straatbeeld is veranderd in het gezicht van de honger. Wat ik normaal at op één dag, eet ik nu in één week. Alles is aangemaakt met water, veel water. Voor het eerst in mijn leven heb ik deze winter soep gegeten van aardappelschillen. Hoe verzin je het? Er wordt bouillon getrokken uit lederen riemen. Honger maakt je vindingrijk én wanhopig. Honden en katten zie je bijna niet meer op de straat, die zijn opgegeten. Het ontbreekt de stad ook aan elektriciteit en brandstof, dus zelfs als je aardappels krijgt is het een uitdaging om die aan de kook te krijgen. Laat staan om je warm te houden. In het park worden bomen omgekapt en kinderen slopen hout uit de tramrails.

Soms durf ik te fantaseren over de zaterdagen voor de oorlog. Met de fiets naar de markt, waar marktkooplui een overvloed aan groenten, fruit, aardappelen en specerijen aanbieden. De zonnestralen schijnen warm op mijn huid, mensen lachen en een groenteboer deelt bij zijn kraam mandarijnen uit aan kinderen. Geen uitgemergelde gezichten en geen ondervoede kinderen die geëvacueerd worden uit Rotterdam. Vaak naar het bevrijde deel van Nederland: Overijssel, Friesland, Groningen en Drenthe waar nog wel genoeg te eten is. Nederland is verdeeld: bezet en bevrijd. In het bezette West-Nederland hebben ze de aanvoer van voedsel en brandstof geblokkeerd. We zijn de dupe in Rotterdam. Alleen de boeren hoeven geen honger te lijden.

Het platteland
Wekelijks waag ik de fietstocht naar de Hoeksche Waard. Duizenden vrouwen en kinderen met mij. Allemaal met de hoop op wat aardappels, groenten, brandstof of melk. Ik bluf me door de controleposten heen om vervolgens te bedelen bij de boeren. En als het je lukt, dan komt daarna het dorpsgeroddel dat je er vast ‘iets’ voor terug hebt gedaan. Ik laat ze kletsen. Ik kien de momenten uit dat ik aanbel. Een boer moet je niet storen tijdens zijn ontbijt, maar net daarvoor als hij aan het melken is. Door de ingevoerde spertijd overnacht ik vaak in de Hoeksche Waard. Na acht uur ’s avonds mag je van de Duitsers niet meer naar buiten. Het fijnste is om in de stal tussen de koeien te slapen, lekker warm en ‘s ochtends krijg je een beker melk. Als je pech hebt overnacht je in een kuil met wat hooi. Honger en onzekerheid veranderen een mens. Mij maakt het soms roekeloos.

Vanochtend overviel dat gevoel me bij de controlepost op de Barendrechtse brug. Rotterdammers onder elkaar speculeren altijd of er moeilijke Duitsers dienst hebben, maar het boeide me vandaag niet. ‘Ik ga gewoon en ik zie wel’, dacht ik. Een Duitser in naziuniform hield me staande: ‘Was machen sie?’ klonk hij streng. ‘Ich muss essen holen, ich habe vier kindr’, sprak ik vol overtuiging. ‘Fahren’, beveelde hij en knikte kordaat. Snel stapte ik op mijn fiets en trapte vluchtig door. Ik voelde me onoverwinnelijk. Vandaag ga ik eten scoren. Ik weet het zeker.

Mijn Jan
Bijna was ik mijn Jan kwijt geweest in deze oorlog. Alle jonge mannen zijn opgeroepen of opgepakt en aan het werk gesteld in Duitsland. Door een slim bedachte list wist Jan te ontkomen en stond hij na een week weer in onze woning aan de Soetendaalseweg. Ik was zo dankbaar. Voor onze veiligheid, en om te voorkomen dat de razzia hem oppakken, verhuisden we naar Jans ouders in Rotterdam West. Onder de woning leeft een ouder echtpaar, lieve mensen die geen kant op kunnen. Al hun familie woont in Brabant en niemand kan iets voor ze doen. Vorige week zag ik de hongeroedeem bij meneers erger worden. Hele dagen zit hij hulpeloos omhoog met zijn benen. Als ik voedsel of melk scoor, dan delen we dat door zessen. We moeten voor elkaar blijven zorgen, ook al is er weinig om te delen, eten smaakt beter met een schoon geweten.

Terug op het akkerveld
Nog steeds zit ik roerloos naast de berg hooi, ik hoor voetstappen. Van de schrik laat ik de aardappels uit mijn handen vallen. Ze rollen over de grond. Mijn ogen stellen scherp, voor me duikt een gestalte op. Een grote man, zijn hoofd volgt de rollende aardappels. In een mum van een seconde besef ik mijn zwakke positie als jonge vrouw in het donker op een open akkerveld. Hij kan me nu verkrachten, vermoorden, onder de grond stoppen en niemand zal het ooit weten. Vliegensvlug ga ik mijn opties af. De dichtstbijzijnde boerderij ligt zeker 500 meter verderop. Hulp roepen kan niet, het is al spertijd. Als de Duitsers me oppakken ben ik helemaal ver van huis en blijft mijn familie in onwetendheid achter, wachtend op eten.

De stilte wordt doorbroken. ‘Wees maar niet bang mevrouw, ik kom u helpen’, klinkt het. Die stem herken ik, dat is de man die me vanmiddag wees op deze aardappelberg. Waarom komt hij me helpen? vraag ik me onheilspellend af. Hij bukt en strekt zijn armen uit in de hooiberg. ‘Als het lukt, liever de kleintjes’, mompel ik zachtjes. In stilte werken we door tot de zak vol is. Ik sta op en klop zachtjes het grond van mijn handen en knieën. Hij tilt de aardappels op en bindt ze stevig vast op mijn fiets. Mijn lichaam staat strak van de spanning, ik voel dat dit niet klopt. Zijn grote klauwen houden mijn fiets nog steeds vast. Hij is niet van plan om los te laten. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes terwijl hij me lang aankijkt. ‘Nu krijg ik er zeker wel iets voor terug’, klinkt het dreigend uit zijn mond. Ik ben niet opgewassen tegen hem, hoe vaak zou hij dit al gedaan hebben? Misbruik makend van de benarde positie waarin vrouwen zich verkeren die op hongertocht gaan. Dan gebeurt het. Mijn angst slaat om in blinde woede. Wie denkt deze viespeuk wel niet dat hij is. Alles kunnen ze van me krijgen, maar niet mij. ‘Ik weet wie je bent, ik herken je stem en als jij me met één hand aanraakt dan weet morgen heel het dorp het’, sis ik hem giftig toe. Met ferme kracht ruk ik mijn fiets uit zijn klauwen. Verbouwereerd kijkt hij me aan, ik zet het op een fietsen.

Roekeloos van de honger
De vastberadenheid die ik vandaag voelde, heeft plaatsgemaakt voor roekeloosheid. Ik wil naar huis. Nu. Ook al is het spertijd, die Duitsers bekijken het maar. Ik negeer de slagboom met het waarschuwingsbord ‘Kein Zugriff für Unbefugte, sonst wirst du erschossen!’ Ofwel: geen toegang, anders word je neergeschoten. Het komt niet bij me binnen. Dit is de kortste route naar huis, naar Jan, mijn familie en mijn vertrouwde omgeving. Voor ik het besef word ik aangehouden: ‘Was machst du hier?’ vraagt de Duitser. ‘Ich habe vier kinder, Sie müssen essen!’ piep ik wanhopig. Hij kijkt om zich heen en knikt dan dat ik snel moet zijn. Ik trap door, zo hard als ik kan.”

73 jaar later
‘Die dag vergeet ik nooit meer, 3 februari’, vertelt Nel vanuit haar flat in Ommoord. ‘Wat honger en kou met een mens doen, dat kun je je niet voorstellen als je het niet hebt meegemaakt’. Ze tuurt uit het raam en neemt een slokje van haar thee. De koektrommel blijft altijd op tafel staan.

***

Nawoord

Dit verhaal is gebaseerd op de ervaring van mijn 99-jarige oudtante Nel, de oudste zus van mijn oma. Tante Nel is een verhalenverteller en dichter. Ik kan uren naar haar luisteren. Het verhaal van 3 februari veranderde mijn blik op haar. De deftige welbespraakte dame veranderde in een stoere jonge vrouw die heldendaden verrichtte. Ze is altijd mijn grote voorbeeld geweest, maar nu is ze mijn held. Mijn Rotterdamse held van 99 jaar, bijna 100.