De Passagier

De Passagier

De Passagier

Achteraf denk ik dat ik al verloren was toen ik de passagier vanaf de kade van de Waalhaven onwennig de smalle gangway op zag lopen. Even later keek ik in haar ogen en veranderde mijn wereld. 

Ik was 2e officier aan boord van de Atlantic Orchid, een oude feeder die voor een Hamburgse rederij een verbinding onderhield tussen Rotterdam en Portugal. Met een vijftienkoppige bemanning - werktuigkundigen uit Oekraïne, Indiase officieren, een Russische kapitein, en een deck crew uit de Filipijnen – vervoerden we containers tussen de havens van de Maasstad en die van Leixões en Lissabon. Soms voeren er passagiers mee, rustige mensen die bewust de leegte van de zee zochten.

Melanie was anders. In haar hut op het C-deck beende ze meteen naar de patrijspoort aan de boegzijde.
“Wat hoog! Vallen ze niet om?” De containers stonden als enorme legoblokken op het laaddek gestapeld.
“Geen zorgen juffrouw. Ze kunnen een tilt van veertig graden zonder problemen aan.”
Ze stak haar hand uit.
“Melanie, niet juffrouw,” zei ze met een stralende lach en een Rotterdamse tongval.
“Tim, 2e officier, aangenaam”.
Ze was klein van stuk, met halflang bruin haar in een staartje. Haar ogen hadden de kleur van hazelnoten en haar oogopslag was zacht, fluweel bijna. Met stoere schoenen, een jeans en een winddichte zwarte jas was ze gekleed op de reis. Ik legde de boordroutine uit en liet haar toen alleen. Maar al na een kwartier kreeg ik een oproep van de brug.
“De passagier loopt tussen de lading, Tim. Doe jij er even wat aan?”
Ik haastte me naar beneden en vond haar midschips. Haar staartje stak speels onder een gele veiligheidshelm uit. Ze duwde tegen een veertigvoets-container alsof ze wilde checken dat die goed vast stond.
Ik legde haar uit dat de laadvlakte in de haven alleen voor de bemanning toegankelijk is. Melanie luisterde glimlachend, knikte, en klopte haar hand tegen de container.
“Wat zou erin zitten Tim? Zullen we hem openmaken?”
“Dat is absoluut verboden,” antwoordde ik dommig.
Ze schaterde het uit.
“Dat weet ik. Ik was gewoon benieuwd of je bereid bent de regels te breken.”
“En?”
“Je twijfelde. Maar nog niet genoeg.” Ze legde even haar hand op mijn bovenarm.
Toen we langs de bakboordreling terugliepen zag ik hoe ze om zich heen keek en alles in zich opnam. 

Volgens de Chief Officer hadden we geen Atlantische storm meer nodig; die was met Melanie al aan boord. Ze had een kinderlijke nieuwsgierigheid, verpakt in het prachtige lichaam van een volwassen vrouw. Ze wilde alles weten en bevroeg iedereen, kapitein en deck cadet. Iedereen maakte tijd voor haar. Achter haar charme, haar vasthoudendheid en haar honger naar feiten ging een diepe menselijke interesse schuil. Oscar, de Filipijnse kok, liet haar zelfs toe in de kombuis. Ze dreef Evgeni, onze chief engineer, tot wanhoop met haar technische vragen over de motoren. “Crazy woman!” riep de technicus vertwijfeld uit. Dat zorgde zelfs voor een glimlach op het gezicht van onze kapitein, de nurkse zeeman uit Vladivostok. Melanie zocht contact en iedereen liet zich raken. Vooral ik. 

Toen ik op de derde avond mijn dienst overdroeg hoorde ik gelach uit de crew mess. Met twee dagen varen tot Leixões in het vooruitzicht ontspanden de mannen zich. Ik was net op tijd om te zien hoe Melanie een slok wijn nam en onder gejoel de karaokemicrofoon oppakte. Een van de fitters reikte me een biertje aan. De Filipijnen zijn fanatieke karaokezangers en ook al verstaan ze niets van kakkerlakken in de midscheeps, een melancholieke melodie is universeel. Melanie’s vertolking van Ketelbinkie deed hen even beseffen waar ze waren: duizenden mijlen van huis. Haar hazelnootogen waren op mij gericht. Toen de muziek verstomde was er applaus en gelach. De fitter boog zich naar me toe.
“Ze vindt je leuk, you lucky bastard.”
Ik begeleidde Melanie naar haar hut. De zeegang was behoorlijk en ze wiebelde giechelend de smalle trappen op. Ik opende de deur van haar hut.
“Ze wilden me onder tafel zuipen. Kansloos.”
Ik was net op tijd haar op te vangen: alcohol en deining zijn geen goede vrienden. Ze greep zich aan me vast.
“Oeps. Sorry.”
“Geeft niet,” zei ik. Ik bedoelde wat anders.

Val om zovaak je wil. Ik vang je op. Laat me niet los.

Ze gaf me een kus.
“Welterusten Tim.” 
Ik lag tot diep in de nacht wakker en hoopte dat haar geur voor altijd bij me zou blijven. 

Op de brug is het gebrul van de scheepsmotoren niets meer dan een zachte brom in de verte. Weer en wind zijn buitengesloten, het uitzicht is fantastisch. Ik stond over de zeekaart gebogen toen de deur openging.
“Mag ik?”
Melanie stond in de deurpost.
“Graag,” zei ik.
Zwijgend keek ik toe hoe ze de brug verkende, van de wing aan bakboord, langs het console, naar de vleugel aan stuurboord. Ze liet haar hand over het interieur glijden, alsof ze niet alleen wilde kijken maar ook moest voelen. Toen keek ze naar de oranje kleuren aan de horizon in het westen.
“Wat mooi,” zei ze. “De zon gaat onder.”
Ik ging naast haar staan.
“De zon is al onder.”
Ze keek vragend opzij.
“Hoe bedoel je?”
“Als de zon de horizon raakt is ze al verdwenen. De atmosfeer buigt het licht, waardoor we om de bolling van de aarde heen kijken.”
Ze zweeg een moment, kneep haar ogen tot spleetjes en staarde naar het licht.
“Dat is mooi,” zei ze zacht. “Altijd is de zon te fel om te bekijken. We zien haar pas goed als ze weg is.”
Terwijl het schip voorstampte legde ik haar de werking uit van de belangrijkste navigatiemiddelen. Melanie luisterde aandachtig. Af en toe bracht ze haar slanke vinger dichtbij een knopje op het console.
“Wat gebeurt er als ik hier op druk?”
“Niet doen Melanie. Dan zinken we.”
Haar lach blies het stof weg dat zich op mijn hart had verzameld.
Samen keken we uit over de containers, die als een muur boven de zee uitrezen.
“Jij bent een stille, Tim. Wat zoek je op zee?” vroeg ze zacht.
Ik dacht een moment na.
“Mijn eigen wereld. Ik vind het moeilijk aan wal mijn draai te vinden. Ik draai wel, maar niet snel genoeg. En jij?”
Ze staarde naar de horizon en zuchtte.
“Ik heb lang naar geluksmomenten gezocht. Tevergeefs. Tot ik me realiseerde dat het de zoektocht zelf is die geluk herbergt. Sindsdien ben ik op reis, met of zonder koffer, met Rotterdam als anker. Het vinden van de schat is onbelangrijk, maar de zoektocht moet je nooit uitstellen. Alles duurt al zo verdomde kort, Tim.”
Ik liep met haar mee naar de deur van de brug. Ze omhelsde me, dit keer niet gedwongen door de deining. Want de Golf van Biskaje was, anders dan mijn hart, rustiger dan ooit. 

In Leixões manoeuvreerde de loods het schip behendig naar zijn berth aan de kade. Het laden en lossen zou zes uur duren. Ik maakte me op om een paar uur te slapen, maar ik was nog maar net in mijn hut of er werd op de deur geklopt. Melanie had een zonnebril op haar voorhoofd en een rugzakje om. Ze pakte mijn hand.
"Kom,” was alles wat ze zei.
We liepen de gangway af en wandelden over de kade, langs oude trucks en roestige kranen. We zwegen duizend woorden in de verstrengeling van onze vingers, dwalend over de ongelijke trottoirs van het stadje dat tevergeefs leek te wachten op verdwaalde gasten.

De man van het hotel had een geoefend oog.
“We verhuren niet per uur,” zei hij zonder dat ik iets had gevraagd.
Ik betaalde de prijs voor een nacht en kreeg een kamersleutel. Melanie en ik liepen de trap op. Het sprak vanzelf; het waren treden die voor ons bedoeld waren. Toen de kamerdeur in het slot viel stopte de tijd. Met elke kus leek de aarde een klein beetje langzamer te draaien, iedere streling dreef ons dichter naar het middelpunt van de wereld. Melanie had de splinter in mijn ziel gevonden en wrikte die nu los, met haar lippen, haar handen, haar nagels, haar aanmoedigingen. Flarden van laat zonlicht vielen door de kieren van de raamluiken in dunne lijntjes op haar bezwete lichaam. We verloren ons in de ruimte en in elkaar. Ze greep zich vast in mijn haar en dwong me haar aan te kijken. De splinter was los, maar Melanie liet me hem zelf uitspugen, daar, in het zalige niets, in het centrum van alles. 

Lissabon was onvermijdelijk als de wisseling van het tij. Melanie ging in de Portugese hoofdstad van boord en reisde over land verder. Het schip en mijn hart zouden leeg zijn zonder haar. Ik klopte op de deur van haar hut. Ze deed open en glimlachte. Haar koffer stond klaar.
“Het is tijd, Melanie. De taxi is er.”
“Laten we hier afscheid nemen, Tim.”
We kusten elkaar. Ze gaf antwoord op mijn vraag zonder dat ik die stelde.
“Over een maand ben ik terug in Rotterdam. Ik wil je weerzien. Wil jij dat ook?”
Ik knikte en kuste het zilte vocht uit haar ooghoeken.
“Meer dan alles,” zei ik zacht.
“Niet vergeten,” fluisterde ze. “Geluk is niet het vinden van de schat. Geluk ligt in het zoeken.”
Ze streelde mijn wang en stapte haar hut uit. Aan dek was het opvallend druk met bemanningsleden die afscheid wilden nemen. Zelfs de kapitein was even naar beneden gekomen en Melanie gaf hem een zoen. Er was hartelijkheid en gelach. Voor het eerst in lange tijd wilde ik zo snel mogelijk weer thuis zijn, in Rotterdam. 

Toen was er een scherpe knal van metaal. 

Eén van de trossen, die door een lier langs de randen van het kluisgat strak worden gespannen, bezweek onder de enorme trekkracht. Melanie stond in de snap back area. De vuistdikke kabel zwiepte met grote snelheid tegen haar aan en ze werd als een pop met haar hoofd tegen de dekreling gesmeten. Toen ik me over haar bebloede gezicht boog wist ik al dat het mis was. Er was paniek. De Chief deed verwoede pogingen het bloeden te stoppen. Ik probeerde mezelf wakker te schreeuwen uit een afschuwelijke droom. Pas toen de ambulance haar met loeiende sirene afvoerde realiseerde ik me dat het allemaal echt gebeurde.
Verdoofd en machteloos keek ik toe hoe een golf van bureaucraten het schip overspoelde. De veiligheidsinspectie, de politie, de agent van de reder, zelfs de havenpastor. In de avond nam de kapitein in de Ship’s Office het telefoontje aan.
“Ik begrijp het,” sprak hij. “Dank u.”
Hij keek me aan, sloeg zijn ogen neer en schudde het hoofd. Ik verborg mijn gezicht in mijn handen en huilde als een kind. Even later had het slechte nieuws ook de crew mess bereikt. De tonen van Ketelbinkie klonken, zacht en zonder begeleidende zang dit keer. Het was het eerbetoon van de pezige, stoere mannen uit de Filipijnen, ver van huis. 

***

Ik verlengde mijn contract niet, Lissabon had de zee besmeurd. Tevergeefs zocht ik mijn geluk aan de Rotterdamse wal. Maanden later kreeg ik een telefoontje van de kapitein van de Atlantic Orchid.
“Kom naar de Waalhaven, Tim. Ik moet je iets laten zien.”
We spraken af in een café vlakbij de kades en praatten beleefd bij. We vermeden het ongeluk, maar het hing als een geest boven ons gesprek.
“Wat wilde je me laten zien, captain?”
“Kom,” zei hij.
We liepen de kades op en ik herkende de contouren van mijn oude schip in de verte. Voor de boeg hielden we halt en de kapitein wees omhoog.
“Het kostte wat overtuigingskracht, maar ze hebben in Hamburg toegestemd.”
De kapitalen ATLANTIC ORCHID op de grijze romp van het schip waren verdwenen. In plaats daarvan stond er nu een naam in wit:

MELANIE

Ze staat weer naast me, starend naar de zonsondergang. Soms zie je dingen pas echt helder als ze er niet meer zijn.