In die haven

In die haven

In die haven

Wat waren wij eigenlijk? een bonte verzameling drop outs, avonturiers, arme studenten en de mannen die van huis uit niets anders wisten dan ‘die haven’. Als een sleepboot trok tie, die haven. Goed verdienen zonder veel diploma’s. Je verhuurde je lichaam als verlengstuk van een gigantisch machien. ‘Hard voor weinig en nooit chagrijnig’ hoorde je soms. Maar daar was weinig van waar. ‘Makkelijk verdienen en altijd lopen grienen’ klopte beter. Het geld was goed, maar de arbeidsvreugd was een stuk minder.

In die haven verloor de beschaving decorum en toonde het zijn ware ruwe aangezicht. ‘Ik mot godverdomme eerst een kop koffie in me kut voordak an ut werk ga!’ Het was het allereerste wat ik hoorde in de kantine. Niemand keek op. Het was de taal van de haven. Waar de ‘meesters’ nog aan een aparte tafel zaten, als een ouderwets gilde. Veel van hen waren nog van die stokketrekkers die op zo’n ouwe topkraan hadden gedraaid. ‘Godverdomme, weer op die tyfus 12’, zei er een zonder uitdrukking op zijn gezicht en nam nog een slok inktzwarte koffie. Hij las van de indeling en tierde verder. “En Gerrit zeker weer op die 17, Die zit tur tot z’n arm in bij die Nekkesnijer. Laat ze de pleuris krijge. Ik doe rustig an’.

”Een vent met een rimpelige kop gooide een suikerzakje op het achterhoofd van een nietsvermoedende meester. De dader bleef met een stalen gezicht zitten. De meester draaide zich tierend om en richtte zijn woede op de verkeerde, die eveneens onverstoord door kaartte. “40 roem” riep hij boven het gescheld uit terwijl hij geroutineerd de Nel op tafel smeet. Ik moest ineens denken aan een schilderij van Jeroen Bosch. Duivelse koppen zonder mededogen in een deprimerende ambiance van een kale kantine bij TL licht.

De ploegleider kwam binnen. Alleen al zijn gestalte deed de menigte van hun stoel rijzen. “Naar buiten, manne. de baas zun cente benne niet van blik!”. “Mag ik de tweede taak snippere, baas. Ik mot vanmiddag afzwemmuh”, brulde een ouwe machinist door de kantine. ‘Je zwemt maar een end weg, maar na de shiftwissel, lachende klaarmaker, dat je dur bent’. De bus reed voor. Gekletter van schuivende stoelen. Wat schijngevechten en plaagstootjes en als makke lammeren stommelden ze vervolgens de bus in en lieten zich lijdzaam naar hun kraan brengen.

Het was vroeg en van moeheid rilden mijn ledematen Ik was gekoppeld aan ene Martin de Waard, las ik op de indeling. Ik liep zwijgend naar de kraan en trof daar de Waard aan. Een vent waarbij het chagrijn van zijn klus af droop. Ik liep op hem af en wilde hem de hand drukken om me voor te stellen. Dat was tevergeefs. Hij stak zijn hand niet uit, zweeg en draaide zich om. Ik bleef verbouwereerd staan. Ik wist niet wat ik daar mee moest en liep maar mee de trap op. Ik vond het sowieso al spannend. Mijn eerste dag na mijn opleiding hoogvlieger; De controleur die gezeten naast de machinist de containernummers in de computer intikte. Halverwege de trap stopte Martin leunde over het hekwerk en stak zwijgend een sjekkie op en staarde over waalhaven. Ik kon niets anders doen dan bij hem blijven staan. Ik wist de weg immers niet op zo’n kraan.. Ik stond er een beetje bij. Nadat hij zijn peuk in de haven had geschoten klom hij langzaam verder en ik er achteraan als een blinde achter zijn geleide hond. Het niveau van ongemak steeg met elk trede.

In de cabine nam ik mijn plaats als hoogvlieger in. Ik keek naar de papieren die mijn voorganger had achtergelaten en stamelde iets van ’uh, ruim 17, eerste van buiten’. Het leek alsof ik tegen de spreekwoordelijke muur praatte. Hij leunde wat achterover. En op een moment dat hij zelf bepaalde begon hij te draaien. Ik tikte het nummer van de eerste container in die hij pakte. Mijn hart bonkte in mijn keel. Moest ik nou wat zeggen of niet, deed ik het goed of niet, Zat hij met te treiteren of niet. Hij leek onverstoorbaar en behandelde mij alsof ik niet bestond. Of ik er gewoonweg niet was. Het meest vernederende wat een mens kan meemaken.

Halverwege de eerste taak was ik gewend aan wat het was. We zeiden niets tegen elkaar en deden wat we moesten doen. Ik keek steeds naar de tijd en hoopte dat het snel voorbij zou zijn. De laagvlieger ging naar de plé in het gebouwtje langs de kade. Opeens draaide de meester met een twintig voeter helemaal achterover en plaatste met een stalen gezicht de container met uiterste precisie stijf tegen de deur van het plé-gebouw en vervolgde zijn werk. Ik begreep dat dit een grap moest zijn. De laagvlieger wilde het gebouwtje verlaten maar de deur knalde tegen de stalen doos. De machinist zag het van boven even aan en haalde na een paar minuten de doos weer weg. De laagvlieger kwam naar buiten en vervolgde zijn werk. Een grap zonder lach: Niemand liet zich kennen. Zelfs de grappen waren hier geautomatiseerd.

Tijdens de schaft in de kantine zag ik dat de meester wel kon praten. Wat, hij kon zelfs lachen. Het leek of hij uit zijn stand by stand was gekomen als dat Duracell konijn. Het stond voor mij nou vast. Hij was een lul in slappe stand: Studentje pesten. Een geroutineerde vakantiewerker stootte me aan. ‘Dat doet tie bij elke student, die klootzak. Maar wij lachen als laatste. Er is een groeppie vakantiewerkers en die stuurt hem elk jaar een kaart vanuit een of ander tropisch vakantie oord. Elk jaar weer een kaart met een ezel erop zonder tekst. En hij maar draaien op die kraan. Zijn hele leven heen en weer met je kop voorover en zo’n chagrijnig mokkel thuis die elke maand je poen dur door heen jaagt.’

 Dat maakte mijn lot voor de tweede taak draaglijker. Ik vond het eigenlijk sneu voor die man en waande mezelf gelukkig met mijn plannen voor een ander leven dan dit en veel belangrijker nog: Dat het zeer waarschijnlijk was dat dit ging lukken. Opleiding Hoogvlieger afgerond, leergang leven gestart.