Bakstenen en Beton

Ieder mens zal in zijn leven een huis bouwen

Bakstenen en Beton

Ieder mens zal in zijn leven een huis bouwen.

Gedurende jouw tijd zul je overtreffen, onderschatten, ervaren en afzien, en met elke traan en elke dag streef je vooruit, ontwikkel je door. Deze deeltjes, fragmenten van het leven – korreltjes van slaap in ooghoeken, pleisters op ontblote knieën, spieren die schreeuwen uit inspanning – klompen samen, ervaringen bij elkaar geplet, groter en groter, totdat stevige stenen ontstaan. Deze stenen zijn de bakstenen waaruit je een huis zult bouwen, een prachtig huis met grote ramen die de kamers vullen met levenslicht, leidingen vol met warm stromend water, knusse slaapkamers met grote bedden om te springen en spelen; maar voordat dat gereed is, zul je eerst jaren moet zwoegen, reinigen, metselen, afkitten, tillen, dichten, ga zo maar door en door; want dit huis zal heel belangrijk zijn – op een dag zal jouw ziel, vermoeid maar voldaan, daar binnentreden en zijn eeuwige rust vinden.

Het was tussen de glazen gevels en gemeten bakstenen – een hele andere, hele werkelijke soort bakstenen – van de befaamde Coolsingel dat ik merkte dat mijn huis aan het inzakken was. Mijn trouwe waterpas had zijn klein belletje gekanteld, wat het hopeloze einde van mijn woning moest voorstellen. De eerste inwendige barsten toonden hun boze koppen, maar ik was nog niet radeloos; ik draaide me om en vergat het, ik begon de schilverende muren te verfen, een dunne laag op het oppervlak.

Het vergeten was niet genoeg om het te doen verdwijnen. In Schiedam beleefde ik een woeste winter, en de meest eenzame van mijn jonge leven. Vlokjes sneeuw en ijs bevroren en barstten de leidingen open en overstroomden mijn knullig hutje in zo’n troosteloze zee waar ik, bevangen in lethargie, niet uit kon ontsnappen. Met de lente in zicht sloeg ik de deur wijd open in een poging de ijzige wateren te doen verdwijnen; tevergeefs, de sponzige muren konden de klap niet aan, wanneer ik in mijn fysieke gedaante een huurwoning in Zuid mijn podium van schaamte vormde, waarop ik marcheerde en genadeloos mijn eigen zorgvuldig gelegde bakstenen kapotsloeg.

Hoe kon dan mijn beschadigde steigers de overtreffende klap weerstaan die galmde rond het Oude Haven – het geluid van uiteengespatte hopen en dromen rinkelt nog in mijn oren. Twee maskers zaten bij mij aan tafel, bevroren glimlachjes, maar ik voelde ook de pijn die ikzelf had aangericht. Ik zakte in elkaar, ik en mijn huisje beiden, en we bleven maar liggen, want wat kon ik anders doen? Samen lagen we daar, een mens van steen en een huis van puin, beiden onbewoonbaar.

Tegenwoordig zit ik met gevouwen benen in Noord, in het as van mijn leven, hopend op een beter lot; goede vrienden, talenten en tijdsbestedingen glijden door mijn vingers als zand dat zich niet tot beton laat ompraten. Ik kan niet op anderen bouwen, noch mezelf; toch kan ik niet anders dan mijn zoekende vingers spreiden in de ruïne, omwentelend en graaiend in het onherbergzame modder en grint, op zoek naar de eerste steen waarop ik mijn leven kan bouwen.