Lijn twee

Lijn twee

Lijn twee

“Dus we gaan naar tante Titi?”

“Ja.”

“En we nemen de Blauwe Tram?”

“Ja, dat ook.”

“En we gaan samen?”

“Ja, want het is een werkdag.”

“En wanneer gaan we dan met de Blauwe Tram?”

“We gaan morgen.”

“Dat is dus na vannacht?”

“Ja, na vannacht.”

“Dan hoef ik maar één keer te slapen.”

“Je slaapt vannacht en daarna gaan we naar tante Titi.”

“In Voorschoten?”

“In Voorschoten.”

“Met de Blauwe Tram?”

“Ja, met de Blauwe Tram.”

Die Blauwe Tram was bijzonder. Er reden veel trams in Rotterdam, bijna allemaal net als de Blauwe Tram met open instapbalkons, maar zoiets groots en kolossaals als de Blauwe Tram was er niet. En de Blauwe Tram reed ook over het platteland. De tram had een eigen trambaan die soms apart van de weg lag. Zo’n Blauwe Tram ging zijn eigen gang, onafhankelijk van het autoverkeer, de NS, Doek of zijn passagiers.

Doeks “Titatrein” leek er nog het meest op, maar dat was toch meer een kleine trein. Het moordenaartje noemden mensen die RTM-dienst naar de eilanden vanwege alle ongelukken. Maar die naam vond Doek niet zo leuk als zijn “Titatrein” die het geluid van de hoorn nadeed.

Doek schrok plotseling.

“Hoe komen we dan bij de Blauwe Tram?”

De Blauwe Tram volgde niet Doeks tram-dienstregeling. Het was een tram in een Nederland buiten het Nederland dat hij kende: de tram naar de stad of een wandeling onder de Maas door naar de noordoever. Een wereld om zijn wereld heen, die zijn wereld omvatte als een beschermend cocon maar die daar ook lag als een dreiging, een onbekende en daardoor onbeheerste grootheid.

Die wereld was er, zoals plekken als Amsterdam en Amerika. Vanuit Rotterdam voeren er schepen van de Holland-Amerikalijn naar dat Amerika: de Rotterdam en de Nieuwe Amsterdam, de Rijndam en de Maasdam. Je zag ze bijna nooit in de haven. Doek kende ze van beschuitplaatjes en de kartonnen bouwplaten die zijn broer maakte. Zoals hij de NS-treinen kende van dezelfde beschuitplaatjes in De kilometerkampioen.

“We gaan met de Hofpleintrein.”

Dingen vielen op hun plaats. Verleden keer waren ze ook met de Hofpleintrein geweest. Dat was de eerste keer dat ze die trein hadden genomen. Heel Doeks korte Rotterdamse jeugd had die geduldig staan wachten in een uithoek van het NS-net, op de vage, onbestemde verhoging achter de flauwe bocht in het treinviaduct tussen het Centraal Station en station Blaak. Een onduidelijke trein met een onduidelijke bedoeling. Naar Den Haag kon je sneller op een andere manier. Waar ging die Hofpleintrein dan heen? Wat maakte de Hofpleintrein anders? Waarom had hij een eigen station? Te veel eer voor een te kleine trein. Misschien had het te maken met stations als Delftse Poort en het Maasstation. In ieder geval wel leuk en geheimzinnig, maar ook verwarrend.

In bed deed Doek zijn tramsdienstregeling, alle haltes van lijn twee, van de hoek van de Dorpsweg en de Wolphaertsbocht waar zij opstapten, tot op de Coolsingel: langs de bioscoop en over de Pleinweg, via de Brielselaan met het goederenspoor, en langs de vestingmuur van graansilo’s bij de Maashaven. De halte aan het begin van het Varkenoordse spoorwegviaduct kon je makkelijk vergeten omdat de tram al op de brug reed als hij moest stoppen. Soms waren daar onbegrijpelijk genoeg toch passagiers.

De grote slinger over het viaduct met rechts het stadion en dan Rotterdam-Zuid, waar ze altijd op de trein stapten naar opa en oma in Dordrecht. De adem inhouden voor de gribus rond de spoorwegovergang bij de Rosestraat en het geheimzinnige beginpunt van de RTM-lijn.

Over de Maasbruggen was koninklijk. De tram kwam met een zwaai van de Stieltjesstraat en begon bij het begin van de Koninginnebrug naast de Hef een heel ander geluid te maken, bruglawaai, metaal op metaal. Metalen brugbalken flitsten langs, afgewisseld met korte doorzichten naar de rivier. Het leek eindeloos te duren want de rivier was groot. En het lawaai overstemde alle andere geluiden zodat je daar alleen was met die tram op die brug.

Misschien gingen ze morgen wel een halte verder. Ze moesten immers naar station Hofplein. Dat was verder dan de Coolsingel. Lijn twee eindigde bij het Centraal Station. Maar zover gingen ze gewoonlijk niet mee.

Doek stopte bij alle haltes, liet passagiers uit- en instappen via de lage middenbalkons. Hij belde en draaide aan de draaistang waarmee de tram in beweging kwam. De trams in Rotterdam waren groen en ze waren van de RET, de Rotterdamse Elektrische Tram. Lijn twee reed altijd met een motorwagen en een bijwagen.

Doek deed lijn twee om in slaap te komen.

De volgende dag stonden er bij de halte van lijn twee veel mensen. Nu moest hij oppassen. Het instappen was moeilijk, want eerst moesten er allemaal passagiers uit. En na het instappen reed lijn twee direct weg. Die wachtte niet op kleine jongens. Hij wilde zijn moeder niet kwijtraken, ook al kon hij zo tot de Coolsingel alleen mee. Het ging goed. Ze belandden op het middenbalkon van de bijwagen.

Doek controleerde alle haltes. Ze gingen inderdaad een halte verder. Toen moesten ze nog een stuk lopen. Om het Hofplein heen en via de voetgangerstunnels onder het hoofdspoor door naar het station Hofplein. Waarom voelde hij zich nu al moe? Ze waren nog niet eens op de Hofpleintrein.

Wat een gek station was Hofplein; alle sporen eindigden er met stootblokken. Het was een beginstation. Hun trein stond al klaar. Doek kende alleen maar doorrijdstations: Centraal, Zuid, het station in Dordrecht. Waren niet alle stations doorrijdstations?

“Wil jij bij het raam?”

“Als je me het eerste stuk vasthoudt.”

Wat was dat viaduct van dat eerste stuk hoog. Aan het raam kon hij De kilometerkampioen controleren maar keek hij recht naar beneden, alsof het viaduct onder de trein ophield en hij over de balustrade hing.

“Ik zit dicht bij je.”

“Het viaduct stopt bij station Kleiweg.”

Doek vond het eng maar ook spannend. Eigenlijk kon zo’n trein niets overkomen. Die reed hier al jaren en was nooit van het viaduct gevallen.

“Eerst krijg je Bergweg. Dat hangt aan de spoorbaan.”

“Hangt dat? Dat kan toch niet?”

“Het station zit aan het viaduct. Net als station Blaak.”

Dat trok de aandacht van hun medepassagiers.

“We zijn er bijna.”

Ze reden inmiddels rustig over het viaduct en Doek keek bezorgd maar ook opgewonden neer op de straat beneden hem.

“Die jongen heeft gelijk. Het hangt.”

Ze trokken al weer op van station Bergweg alsof de trein niet al te lang boven de wankele constructie wilde zweven.

“Waar gaat de reis naar toe?”

Doek was zijn moeder voor.

“We gaan naar tante Titi in Voorschoten.”

“Dat is een hele reis. Daar kom je met de trein alleen niet.”

“We moeten overstappen op de Blauwe Tram. Eerst uitstappen op station Voorburg. Dat is ook weer in de lucht. De tram rijdt daar onder door.”

“Hoe weet jij dat allemaal?”

“We zijn er al een keer eerder geweest. Eerst gaan we met tram twee van Charlois. Die gaat over de bruggen. Daarna nemen we de Hofpleintrein. Dat is een boemeltrein. Die stopt bij alle stations: Bergweg, Kleiweg, Wilgenplas, Berkel en Rodenrijs, nog een keer Berkel, Pijnacker, Voorburg.”

Doek moest even adem halen.

“In Voorburg nemen we de Blauwe Tram. Vandaar gaan we via Leidschendam naar Voorschoten. We stappen na de Voorstraat uit. Dat is direct na het centrum.”

Het bleef even stil.

“Wil je een stuk ontbijtkoek?”

Ja, dat wilde Doek wel.

“Gaat die jongen al naar school?”

“Volgend schooljaar, hij is nog drie.”

“Waar haalt hij het vandaan?”

“Hij heeft een goed geheugen.”

Doek had de ontbijtkoek op. Hij wilde zijn publiek tevreden stellen.

“Straks rijden we eerst langs een sloot en dan is er toch rechts de groentenveiling?”

“De groentenveiling van Pijnacker.”

“Voorbij Nootdorp gaan we weer op een viaduct. Maar dat is niet zo eng.”

Doek at nog een stuk ontbijtkoek.

“O, kijk, daar is de veiling. En nu gaan we over de autoweg. Ons station komt zo.”

Doeks moeder pakte haar grote, bruine leren hengseltas, groette de andere passagiers en ging naar het balkon.

“Het beste jongen. Succes volgend jaar op school.”

“Dank u wel, mevrouw.”

In Voorburg daalden ze van het station naar de tramhalte. Doek probeerde het haltebord te begrijpen, maar hij kon nog niet lezen.

Daar kwam de Blauwe Tram, groter en vervaarlijker dan de dubbele trams in Rotterdam. Het sterke gevaarte beschermde met zijn enorme draaistellen, zijn vierkante, krachtige kop en zijn massieve lichaam met afhangende treeplanken alle inzittenden tegen iedere dreiging van een onbekende en ongrijpbare buitenwereld. Niemand kon op tegen zo’n Blauwe Tram. Verkeer kon maar beter uitkijken en uitwijken, en de mastodont vermijden.

Ze moesten weer op middenbalkons opstappen, maar deze keer was dat veel ruimer en imposanter. De banken waarop ze gingen zitten leken gemaakt om vee te kunnen vervoeren, zo stevig waren ze, maar tegelijkertijd straalden ze een ouderwets vakmanschap uit. Zo’n Blauwe Tram zou zeker wachten tot ook een jongetje als Doek veilig op het balkon was aangeland. De Blauwe Tram had geen haast, als je maar deed wat hij wilde. Dit was een tram uit een andere tijd, een sauriër van het openbaar vervoer.

Ze reden afwisselend tussen huizen en boerenland. Doek zag kerken, koeien, kassen, kippen, tuinderijen, tuinen, theehuizen, restaurants, begraafplaatsen, inrichtingen. Deze Blauwe Tram bracht je overal naar toe. Dit was zo’n andere wereld. Je kon ver kijken en zag altijd aan de horizon kerktorentjes of de contouren van kleine nederzettingen, een rij bomen, sloten. Kwam hier maar geen einde aan.

Tante Titi was thuis. De afspraak klopte. Doek had echter net zo goed gewoon weer met de Blauwe Tram en de Hofpleintrein naar huis kunnen gaan. Het ging om het reizen.

In de buurt van tante Titi stonden alleen maar lage huizen met tuinen. Heel iets anders dan Doeks drukke Charlois in Rotterdam op Zuid. Op Zuid mocht hij niet eens van het trottoir; hier bij tante Titi kon hij gewoon buitenspelen.

Doek ging naar de spoorlijn in de verte staan kijken. Hij zag een aantal treinen maar het hoogtepunt was een D-trein getrokken door een 1100. Dat wist hij van De kilometerkampioen.

De terugweg was een film die achteruit werd gedraaid. Ze reisden terug in hun tijd. Het landschap bewoog zich achterwaarts. Alle haltes kwamen achterstevoren langs.

Ze wachtten eerst op de Blauwe Tram. Daar kwam hij, nog net zo indrukwekkend als vanochtend.

Weer reden ze door de velden, maar nu viel het licht van de andere kant. Doek was moe en kon zich moeilijker concentreren dan op de heenreis. Hij bekeek het binnenwerk van de wagen waarin ze reisden. Voor de afwerking was veel hout gebruikt en op de banken zat een soort nep-pluche. Toen buiten de avond viel en de binnenverlichting aanging, voelde Doek zich in een ouderwetse huiskamer. Dat die bewoog, deed er niet meer toe. Doek zou hier altijd kunnen blijven.

Ze moesten goed opletten om er bij station Voorburg uit te gaan. Door het duister buiten werd het moeilijker om je te oriënteren. Doek kon niet zoals in lijn twee op het knopje drukken. In de Blauwe Tram trok je aan een trouw. Dat hing te hoog voor hem.

Ze keken de grote tram na die in de verte verdween en tenslotte nog een lichtvlek was met een paar rode ogen. Doeks huiskamer verdween in het niets. Ze begonnen aan hun klim naar het station. Op het perron waren de lampen allemaal aan.

In de Hofpleintrein keek Doek door een donker raam naar buiten. Hij zag niet veel meer. Gelukkig was daarom ook het viaduct door de stad op het eind minder beangstigend. Het was ver lopen naar hun lijn twee, nog verder dan die ochtend.

Rotterdam. Thuis. Doek voelde zich erg moe. In bed begon hij de route van hun lijn twee. Hij ging de halte op het Varkenoordse viaduct zeker niet vergeten en misschien kon hij doorrijden tot voorbij de Coolsingel. Bij het goederenspoor op de Brielselaan sliep hij. Hij hoefde vanavond niet met zijn hoofd te schudden.