Code Rood

Code Rood

Code Rood

Code Rood

 

Blauw staat hem best goed. Morteza trekt zijn overhemd recht voor de spiegel in de gang.  Een peertje aan het plafond in het trappenhuis begint te dansen als er iemand de steile trap af rent naar beneden. De man in trainingsbroek verliest in de vaart bijna zijn slipper. Morteza doet een stap naar voren om hem erlangs te laten, zo smal is de gang.  Altijd die haast. Terwijl Bas toch weinig reden heeft om zich te haasten, want een baan heeft hij niet. Bas vist de post uit de brievenbus en sorteert vliegensvlug de enveloppen. Hij maakt er drie stapeltjes van die hij op verschillende treden op de trap legt. Eén envelop houdt hij zelf.

“Zo buurman, in pak? Waar ga jij naar toe?”

“Afspraak met mijn advocaat.”  Zal hij er Bas iets over vertellen? Zou hij het willen weten? Hij kan met hem eigenlijk alleen maar over voetbal praten.

“Vandaag?”

“Ja vandaag, hoezo?”

“Er rijden geen bussen en trams, vanwege de wind. Code rood, weet je wel.”

“Dan ga ik lopen, het is een belangrijke afspraak.”

Niets kan hem tegenhouden. Hij moet gaan. Hij moet en zal eindelijk zijn papieren naar zijn advocaat gaan brengen. Hoe lang heeft hij wel niet moeten wachten op zijn neef die zijn vriend had gevraagd om een buurman die hij goed kende aan een oom te laten vragen om de documenten te laten versturen. Van Teheran, naar Mashhad, naar Istanbul, naar Rotterdam.

“Waar zit je advocaat?”

“Heemraadsingel.”

“Van Zuid naar de Heemraadsingel? Dat is best een eindje lopen.”

“Dan ga ik een eindje lopen.”

 

Morteza trekt de deur achter zich dicht. Een eind lopen door weer en wind is hij wel gewend. De bergen in Oost-Turkije waar hij dagenlang in het donker heeft rondgezworven waren hem bijna fataal geworden.  Nadat hij de grens van Iran in de nacht was overgestoken en via kleine bergpaadjes naar het eerstvolgende dorp probeerde te komen, was het gaan sneeuwen. Hij zag geen hand voor ogen en had geen idee waar hij was. En toch had hij het gered. Een beetje wind kan hem vandaag toch niet tegenhouden?

 

Hij klemt de plastic zak met de papieren onder zijn arm, zijn jas stevig dicht geknoopt. Hoezo wind? Niets aan de hand.  Zal hij de metro proberen? Die zal vast wel rijden. Toch maar het zekere voor het onzekere nemen. Hij wandelt de straat uit. Daar loeit niet de wind, maar een autoalarm door de straat. Morteza staat stil, als bevroren. Een Volkswagen, twee jongens die wegrennen. Gebroken glas op de klinkers van de straat. Hij ziet het amper. Het klamme zweet glijdt langs zijn rug. Teheran, hij is niet in Rotterdam, maar in Teheran. Gillende sirenes. Komen ze voor hem? Komen ze weer voor hem? Hij wil gaan rennen, ook al weet hij dat dat geen zin heeft. Dat ze altijd te snel zijn. Dat hij dan weer wordt meegenomen. Dat hij weer….

“Heb jij iets gezien?”

Morteza schrikt op. Wat?

“Heb jij gezien wie hier net dat ruitje ingetikt heeft?” 

Een grote brede man met een rond bleek hoofd staart hem aan. Morteza schudt zijn hoofd. Ruitje?

“Je moet toch wat gezien hebben?”

Had hij iets moeten zien? Heeft hij iets verzuimd? Morteza voelt zijn hart sneller kloppen, zijn benen trillen. Staan blijven. Geen zwakte laten zien. Dan wordt het alleen maar erger.

“Laat maar. Rotjongens. Altijd hetzelfde hier.”

Morteza loopt verder, de plastic tas nog steviger onder zijn arm geklemd, zo snel mogelijk langs een groepje buurtbewoners die zich nu om de auto hebben verzameld. Wegwezen. Niet dralen. Hij loopt met snelle passen door de straat, en hoort elke stap op het trottoir. Zijn ademhaling kan zijn voetstappen niet bijhouden en klinkt als een doffe bas die de maat kwijt is. Zodra hij de hoek om loopt, valt hij bijna. Een windstoot blaast hem net niet omver. Je niet omver laten blazen. Was dat niet wat zijn broer had gezegd? Als ze je gevangennemen, moet je je niet omver laten blazen. Doe net alsof je ze wat informatie geeft, houd ze bezig. Laat je niet kennen. Zijn keel wordt droog. Had hij maar volgehouden. Had hij zich maar niet laten kennen. Waar waren ze nu? Zijn vrienden. Morteza houdt zich met één hand vast aan de muur van een huis, terwijl hij wacht tot de wind weer iets gaat liggen. Doe nu een keer zoals je broer altijd heeft gezegd. Houd je rug recht. Morteza loopt weer verder tegen de wind in. Liep hij niet altijd al tegen de wind in? Het valt hem tot nu toe buiten wel mee, het zijn vooral windvlagen. Altijd hetzelfde. In Nederland is het bij het eerste zuchtje wind of een klein beetje sneeuw al snel code oranje of rood. Hij gaat wat sneller lopen, want hij mag natuurlijk niet te laat bij zijn advocaat zijn.

 

Op het plein staan een paar jongens bij het hek. Vrienden van Bas. Een jongen houdt een bal vast. Ze hebben vast niet naar het weerbericht geluisterd. Voetballen heeft vandaag geen zin. De jongen stuitert de bal met een dreun op de stenen en het echoot van muur naar muur, en van huizenblok naar huizenblok. Morteza steekt zijn hand op, maar heeft meteen twijfels. Hij kent hen wel, maar of ze hem nog kennen? De jongen met het Afro kapsel steekt zijn duim op. Toch wel. Zonder Bas en zijn vrienden had hij de Kuip nooit gezien. Feyenoord-PSV. Wat de stand was, is hij vergeten, maar wat een feest. Sinds die dag heeft Bas zijn Feyenoord shirt niet meer uitgetrokken.

“Mag ik wat vragen?”

Morteza deinst terug. Hij had de man niet gezien die bij de vuilnisbakken aan de rand van het plein rondscharrelt.  De man in een lange grijze gescheurde jas blaast een walm whisky in zijn gezicht. Zijn ogen zijn als schoteltjes en zijn haar is als een kluwen touwen. De man houdt zijn hand op.

“Man, help me toch. Ik moet toch ook eten.”

Iets anders dan yoghurt zal niet lukken met zo’n tandeloze mond. Morteza voelt twee muntstukken in de zak van zijn broek branden. Daar gaat hij vast geen brood van kopen. Toch pakt hij snel de munten en geeft ze aan de man. En nu weg. Doorlopen, alsjeblieft. Hij kan het niet aanzien. Hoe lang heeft zijn broer niet gezworven op straat in Rotterdam totdat hij was gevonden in een portiek op Katendrecht. Een overdosis. Dat zei de politie. Een overdosis? Zijn broer. Dat kon niet. Die liet zich nooit omverblazen.

 

Wat had hij graag zijn broer naar huis willen brengen om hem daar te begraven. Maar dat was veel te gevaarlijk. En wie zou er zijn om voor het graf te zorgen? Waar is iedereen gebleven? Waar is Nilofer? De gedachte aan haar is nooit ver weg en voelt als een steen op zijn hart. Waar is zij? De laatste keer dat hij haar zag, was de avond van zijn arrestatie. Ze waren met vijf mannen. Nilofer had gekookt. Ze ging naar haar zus twee straten verderop, zodat zij rustig konden praten. Politiek, dat hoefde voor haar niet zo. Ze zou later terugkomen. Dan zou ze blijven, die avond. Nilofer had de pan op tafel gezet, de geur van amandelen vulde de kamer. Ze moesten het eten niet koud laten worden, zei ze. Maar ze waren te druk in gesprek. Hij heeft haar nog even gezien voor ze vertrok. Zoals ze daar stond in de deuropening. Haar donkerrode trui en spijkerbroek verdwenen in haar zwarte chador. Ze verstopte haar zwarte lokken. Was ze nog teruggekomen?

 

Niet aan denken, niet aan denken. Hij zegt het bijna hardop tegen zichzelf. Vanaf nu zal het anders worden. Alles wat hij nodig had waren die papieren. Alles wat ze willen weten staat erin. Wie hij was. Nee, wie hij is. Zijn advocaat zal hem nu echt geloven. De IND zal hem eindelijk moeten geloven.

 

Daar is de Erasmusbrug. Mooi. Als hij aan de overkant is, is het nog maar een kwartiertje lopen. De stalen kabels trillen of verbeeldt hij het zich? Zo niet de pylonen.  Onbuigzaam en hard trotseren ze de wind. Van staal. Zoals die kerels in de haven waar hij af en toe een klus kan doen. Morteza buigt zich voorover als hij over de brug loopt, hij zoekt en tast naar de leuning. Zo hoog boven het water is de wind vele malen sterker dan op straat. Hij buigt en leunt tegen de wind. Gewoon doorlopen. Maar dat valt tegen. De wind beukt en trekt aan zijn benen. Morteza grijpt om zich heen. Hij voelt het koude staal van de brugleuning, glad en ongenaakbaar. Omlaag, hij moet verder omlaag, want voor je het weet, wordt hij nog van de brug geblazen. Voor hem valt een fietser. Een jongen van een jaar of achttien probeert onder zijn fiets vandaan te kruipen, maar blijft liggen. Moet hij er naartoe? Gaan helpen? Zou hij wat gebroken hebben? Hij doet een stap naar voren, maar daar is weer de wind. Een ruk, genadeloze wind. Morteza valt om en voelt hoe zijn hoofd de leuning van de brug raakt. Bloed sijpelt op het trottoir. Hij voelt zich duizelig, misselijk. Met veel moeite staat hij op. Zijn adem stokt. Hij tast, kijkt om zich heen, draait zich om, zoekt. Zijn papieren, waar zijn zijn papieren? De plastic tas hangt tegen één van de kabels te wapperen. Leeg. Dan ziet hij een spoor van papieren tollen in de wind, ze draaien, dansen, springen in de wind. Morteza grijpt de leuning van de brug en buigt naar voren, strekt zich uit, maar hij kan er niet bij. Eén voor één verdwijnen de papieren in het water van de rivier onder de brug.

“Nee!”

Hij hapt naar adem en staart naar het water met de witte schuimende koppen. Maar hij kijkt niet echt. Hij ziet het niet echt. En hij merkt het niet als de wind weer aanzwelt.