Niemandsland

Niemandsland

Niemandsland


‘Verdomme, normaal moeten we juist toch oprotten uit jullie land. Nou, deze vrouw wilt graag oprotten en dan mag het blijkbaar niet…’  Hoewel ik een koptelefoon op had kon ik duidelijk aan haar mimiek en bewegingen zien dat de vrouw voor mij in de rij erg boos was. Woedend zelfs. Ik zette de volume van de muziek zacht, zodat ik mee kon genieten van de felle discussie. Hier stond ik dan, te wachten totdat ik aan de beurt was bij de paspoortcontrole van mijn favoriete vliegveld: Rotterdam-The Hague Airport. De Kaapverdiaanse vrouw, met een typisch Rotterdams accent had, ging gewoon door met schelden! De vrouw werd geflankeerd door een lange sukkelige Nederlandse man die haar met zijn non-verbale communicatie probeerde bij te staan. De discussie ging blijkbaar over een oudere vrouw die naast haar stond. De vrouw, die kalm naar buiten keek alsof de ruzie niet om haar ging, deed me sterk denken aan mijn eigen moeder.  

“Mevrouwtje toch, doet u eens rustig. Ik probeer u toch ook netjes te woord te staan?’’ zei de jong uitziende medewerker van de Marechaussee op een kalme toon. Deze opmerking maakte de vrouw blijkbaar nog bozer. “Niks, mevrouwtje, jongeman. Ik ben hier gewoon NIET van gediend. Ik heb het toch al een keer uitgelegd? Heeft u soms kroketten in uw oren”. De oudere vrouw staarde nog steeds stoïcijns voor zich uit, richting het vliegtuig dat op ons stond te wachten.

De wachtrij achter me werd steeds rumoeriger omdat iedereen leek te beseffen dat deze boze vrouw de gehele rij ophield. Ik draaide mijn hoofd om, om te kijken waar de rest van mijn familie bleef. Bij Schiphol overheerste altijd de angst en stress om je vliegtuig te missen omdat je vele afstanden moest overbruggen totdat je bij je gate kwam. Hier in Rotterdam was iedereen altijd ‘relax’. Een beetje te ‘relax’ naar mijn zin. Want, waar was iedereen in vredesnaam gebleven? Mijn nichtjes stonden bij de Tax Free shop te discussiëren of ze de Guess tas zouden kopen die in de aanbieding was. Mijn zwager zat in een hoekje op zijn Ipad te staren. Mijn ijdele neefje was al twee keer zijn handen gaan wassen in het toilet vanwege zijn smetvrees. Vervolgens smeerde hij zijn handen nog één keer in met antibacteriële gel.

Ik telde op mijn vingers na of ik iedereen in mijn vizier had. Nee, ik miste nog drie familieleden. Ik keek richting de kassa van het brasseriegedeelte van de lounge.  Het loungegedeelte van dit vliegveld was erg klein maar toch was er ruimte voor een mini-brasserie, een Tax Free shop, een tijdschriftenhoek en heel veel stoelen, tafels en loungebanken. Mijn oudste zus Rosa zwaaide blij met haar linkerhand naar me, terwijl ze in haar rechterhand een dienblad vast hield met twee kopjes koffie. Eén voor haar en één voor haar man die nog steeds verveeld op zijn Ipad staarde.  Ik knikte naar haar als teken dat ik haar had gezien. Vervolgens gebaarde ik naar haar met mijn handen, waarbij ik mijn schouders optrok en tegelijkertijd een soort “Waar is Wally?” gebaar maakte met mijn handpalmen naar boven gericht. Schreeuwen had niet zoveel zin, want zo groot was de lounge ook weer niet.

Ondertussen had de Marechaussee besloten om een extra loket te bemannen. Ik voelde hoe de rij langzaam in beweging kwam, nu de rij in tweeën werd gesplitst. Het was de lange Nederlandse man blijkbaar gelukt om zijn vrouw tot rust te manen. Ook had hij uit zijn een achterzak een soort bewijsstuk getoverd. Tenminste daar leek het op. De jonge agent had ondertussen hulp gekregen van een oudere vrouwelijke agente. “Dus als ik het goed begrijp…” herhaalde de vrouwelijke agente “is deze oudere vrouw uw tante die met een drie maanden visum naar Nederland is gekomen voor een speciale medische behandeling?”  De Kaapverdiaanse vrouw knikte een paar keer, ze leek moe gestreden. Ik zat alweer helemaal in het verhaal, toen ik op mijn schouder werd getikt. Ik draaide me om en ik keek recht in het gezicht van mijn eigen zoon. ‘Waarom sta jij hier alleen in de rij?’ fluisterde hij. Hij kende mij als geen ander en hij wist natuurlijk allang dat mijn muziek uit stond. Mijn zoon David wist ook, dat ik gewoon stiekem aan het meegenieten was van het drama bij de paspoortcontrole, terwijl iedereen in de rij dacht dat ik de toerist uithing met mijn dure koptelefoon op.  Hij was ook de reden geweest dat ik niet had geschreeuwd richting mijn oudste zus. Mijn zoon irriteerde zich altijd mateloos aan mij wanneer ik te luidruchtig was. Ik probeerde me altijd een beetje te gedragen wanneer hij in de buurt was, anders kreeg hij toch gelijk! ‘Ma, kijk, tante Rosa zwaait naar je en maakt vreemde hoofd- en schouderbewegingen. Is dat een gek trekje van de familie Andrade of zo?’ Mijn zoon zei het enigszins spottend, maar ik wist dat hij het meende. “Hmmm, ik weet al wat het probleem is…” fluisterde ik terug naar mijn zoon. “Ze zoekt Wally…!” zei ik gekscherend. “Wie is Wally nou weer? Mis ik iets? Is dit een soort geheime taal van de familie Andrade en zijn jullie mij vergeten in te lichten?” Dit keer was hij serieus en terwijl hij me aankeek besefte ik dat het nu geen tijd was voor stomme grapjes. “Wally is je oom. Ik bedoel, Wally is niet je oom, maar ik bedoel je Oom Pedro. Je weet toch hoe hij is…” en ik rolde demonstratief met mijn ogen. Mijn oudste zus stond nog steeds bij de koffiehoek, met de twee kopjes koffie op haar dienblad die ondertussen vast koud waren geworden. Ze keek me vragend aan. Ik zag aan haar blik dat ze ook geïrriteerd was. Dit was echt een typische Andrade trekje, blijkbaar. Mijn zoon had gelijk over onze specifieke en vreemde familietrekjes. “Waar is oom Pedro dan?” vroeg mijn zoon naïef. “Je weet toch hoe je oom is? Hij kan niet van de sigaretten afblijven. Wedden dat hij in het toilet zijn laatste pakje aan het roken is. Ik hoop voor hem, en voor ons, dat er geen rookmelders in het toilet zijn”. Nu rolde mijn zoon demonstratief met zijn ogen.

Rosa had ondertussen het dienblad demonstratief op tafel gezet bij haar man. Hij keek verstrooid op van zijn Ipad en nam met een blij gezicht een slok koffie. Een slok die hij vervolgens weer uitproestte. Ik had toch gelijk gehad over de koude koffie! Mijn zus liep vervolgens naar de gang, richting de toiletten, om op zoek te gaan naar onze broer, Pedro. Ik draaide me om zodat ik hopelijk nog kon meegenieten van het laatste gedeelte van de ruzie bij de paspoortcontrole.  Terwijl mijn medepassagiers van rij waren gewisseld stond ik nog steeds, als enige,  gebiologeerd te genieten van hetgeen vlak voor mijn neus afspeelde.  “Dus, toen haar visum was verlopen  maar de medische behandelingen nog niet klaar waren heeft u dit speciale formulier opgevraagd?” zei de agente op een moederlijke toon.  Ze hield het ‘bewijsstuk’ demonstratief omhoog terwijl ze door ging met praten. “Ook heeft u dit aangegeven bij het boeken van de ticket en u heeft ook speciaal naar het vliegveld gebeld, toch?” Haar toon veranderde nu in een zakelijke toon. “Ik begrijp dat u boos bent, maar wij staan in ons recht. We moeten de regels handhaven en dan is het niet zo netjes dat u zo tekeer gaat tegen mijn collega’s, terwijl u eigenlijk fout bent?” De Kaapverdiaanse vrouw wilde iets zeggen, maar haar man maande haar nogmaals  tot stilte. “In ons systeem staan de gegevens van het uitgegeven visum en officieel mag uw tante nu niet het land uit. Ik ga even een paar telefoontjes plegen om te kijken wat ik voor u kan betekenen…” vervolgde de agente haar uitleg. “Echter, ze mag  ook niet HIER in Nederland blijven” concludeerde de agente kalm.  “Maar, dat klopt toch niet?” zei de Kaapverdiaanse vrouw met haar Rotterdamse accent.  Ze sprak nu rustiger dan een paar minuten geleden, maar je hoorde in haar stem een bepaalde ingehouden woede.  “Dus eigenlijk bevindt ze zich nu in een soort niemandsland? Het is blijkbaar nooit goed in dit land. Dit bedoel ik nou met oprotten. Jullie zijn ons normaal liever kwijt dan rijk. Ik neem mijn tante mee en ze komt niet meer terug hoor….alsjeblieft zeg…” Mijn zoon en ik stonden nu samen naar het schouwspel voor ons te kijken alsof het een ‘reality’ televisie programma was.  

Opeens rook ik het zacht zoete parfum van mijn beide nichtjes en ik draaide abrupt mijn hoofd naar achteren. Daar stonden ze hoor, de voltallige familie Andrade netjes achter mij in de rij. Was het dan toch goed gekomen met mijn broer? Hij stond als laatste in mijn rij samen met mijn oudste zus. Ze had  hem net niet aan zijn oren de rij in getrokken. En natuurlijk rook hij onmiskenbaar naar sigarettenrook. Ik keek naar mijn broer, ik keek naar mijn zoon en tegelijkertijd maakte ik een snuivende beweging met mijn neus. Daarna gaf ik David dat speciale zie je dat ik altijd gelijk heb’ knikje!

De ‘reality’ soap stopte abrupt. De agente sprak de verlossende woorden en zei tegen de twee Kaapverdiaanse vrouwen en de Nederlandse man, dat ze bij wijze van hoge uitzondering door mochten lopen.  De Kaapverdiaanse vrouw keek triomfantelijk naar de agente, terwijl haar man de oudere vrouw langzaam meevoerde richting de gate. Nu was het mijn beurt om mijn Nederlands paspoort te overhandigen. Dit moment deed me altijd denken aan vroeger wanneer ik met mijn ouders en het voltallige gezin op vakantie ging. Dan moesten we in het vliegtuig een speciaal kaartje invullen met de datum van vertrek uit Nederland en terug. Ook moest je altijd je adresgegevens, geboortedatum en paspoortnummer invullen. Bij het laatste vakje vulde je in of je voor werk of vakantie naar de Kaapverdische Eilanden ging. Ik vroeg me altijd af wat ze toch met deze informatie deden? Mijn moeder vroeg dan altijd aan mij  ik  haar kaartje ook wilde invullen.  Wanneer we aankwamen in Sal moesten we deze kaartjes altijd inleveren bij de douane.

Mijn moeder had altijd heimwee naar haar warme en gastvrije Kaapverdië. En toch hield ze ook van Nederland. Mijn moeder zei altijd: ‘Nederland is een goed land. Dankzij Nederland konden we jullie te eten geven, een dak boven jullie hoofd geven en jullie laten studeren en….’ Meestal onderbrak ik mijn moeder dan en zei ik: “Nou Ma, volgens mij werken jullie keihard om ons dat allemaal te geven toch?” Ze vond het nooit leuk wanneer ik tegen haar in ging, omdat ze haar best deed om me een belangrijke levensles mee te geven met deze woorden. Ze had tenslotte als kind de hongersnood meegemaakt op de eilanden en dat was een ervaring die ze nooit meer wilden meemaken. Een ervaring waarvan ze hoopten dat wij en hun kleinkinderen ook nooit meemaakten. Beleefd zijn en dankbaar zijn voor alle kansen die Nederland te bieden had, vond mijn moeder erg belangrijk. Als mijn  moeder nu bij mij in de rij had gestaan had ze de scheldpartij vast afgekeurd. We moesten van haar altijd respect hebben voor de Nederlandse overheid, want Nederland was altijd goed voor haar geweest. Althans, dat waren haar woorden geweest. Het woord ‘oprotten’ kwam niet voor in haar ‘nette mensen’ vocabulaire.

“Mevrouw, uw paspoort?” zei de agente vriendelijk. “Ma, schiet nou op, je houdt de rij op!” siste mijn zoon in mijn oor. Ik overhandigde mijn paspoort en de vrouwelijke agente bladerde zorgvuldig door het officiële document. Ze bekeek de vele stempels in mijn paspoort uitvoerig en stelde me toen de vraag die ik vroeger altijd op het kaartje invulde: “gaat u voor werk of voor vakantie naar de Kaapverdische Eilanden?” Ik keek haar strak aan en beantwoorde de vraag langzaam. Langzaam, maar wel op een nette en beleefde manier zoals mijn moeder het gewild had: “Geen van beide, mevrouw, ik ga mijn moeder begraven!”.