Ben en Arie in de penarie

Bep en Arie in de penarie

Ben en Arie in de penarie

Bep en Arie in de penarie


Tijdens het parkeren van de bedrijfswagen zie ik de voordeur al opengaan en de man des huizes met zijn stok in de deuropening verschijnen. “Bep, de opzichteres is er!” brult hij naar binnen. Hij vertelt in het halletje dat ik naar boven moet, want daar is wat aan de hand met de trap. Ik geef aan dat ik niet voor de trap kom, maar voor de huurachterstand van drie maanden. “Wat? Huurachterstand? Dat ken niet…gofferedomme nog an toe. Bep, dat mens zegt dat we een huurachterstand hebben!” Het schuim staat op zijn mond en hij trilt van nijd. Dat mens schrikt ervan.
“Arie, doe es effe rustig an en hou je bek. Denk an je hart!” sommeert Bep, die handen drogend uit de keuken komt. “Dat mens ken er ook niks an doen.”

Bep zucht en draait met haar ogen. “Sjaak hep alles geregeld. Sjaak doet altijd alles regelen,” stelt Bep mij gerust.
Sjaak blijkt de inwonende, jongste zoon van begin veertig te zijn. Ze hebben er nog een paar maar die zijn gelukkig wél de deur uit. Maar Sjaak kan maar niet aan de vrouw komen en dat is voor hen onbegrijpelijk want hij is zo’n goede jongen.
“Maar bij ons komt het geld niet binnen dus ergens gaat er toch iets fout.” Arie ontploft weer. Hoe durf ik!! Ik hoor toch dat het geregeld is!? “Heeft u misschien bankafschriften waarop ik kan zien dat de huur betaald is? Dan maak ik daar een kopie van en dan zijn we klaar.” Die hebben ze niet want die heeft Sjaak. Arie loopt driftig en al “gofferend” weg, luid stampend met zijn stok. Dat méns!

“Is hij altijd zo gezellig?”, vraag ik zacht aan Bep. Bep schudt haar hoofd, zucht en draait weer met haar ogen. Ze vertelt dat hij zes jaar geleden een ‘zware’ hartstilstand heeft gehad en dat hij eigenlijk dood had moeten wezen. Na zes weken coma en vier maanden revalidatie was hij pas weer thuis. Hij kon niks meer. Maar de oude is hij nooit meer geworden. Ze heeft een hele andere man terug gekregen. Hij mag zich niet druk maken van de dokter, maar hij doet niet anders. Dat het voor Bep niet altijd meevalt, moge duidelijk zijn.

Heel erg makkelijk in de omgang is Arie nooit geweest. Een rechtgeaarde, Rotterdamse havenarbeider, grof in de bek en sterk als een beer. Dat eerste is drastisch toegenomen en van dat laatste is niets meer over. Vroeger had hij ook wel eens last van een kort lontje maar nu heeft hij dat de hele dag door, bij alles wat hij niet kan, niet wil of niet begrijpt. En dat is veel. Heel veel.

Ze wonen al bijna veertig jaar in deze keurige eengezinswoning. De AOW en Arie’s pensioentje komen elke maand netjes binnen. Ze hebben geen schulden en hulp hebben ze helemaal niet nodig. Als het nodig is, helpen de jongens. De trap naar boven is wel lastig voor Arie, maar voorzichtig treetje voor treetje gaat het best. Arie roept een paar meter verderop dat hij er alleen tussen zes planken weggaat.
Arie’s trots is het postzegeltuintje dat is gedecoreerd met tuinkabouters, vogelhuisjes en andere prullaria. Zijn liefde voor vogels wordt door de buurvrouw niet gedeeld. De door Arie’s voer aangetrokken duiven schijten haar wasgoed en het tuinmeubilair onder. Maar als ze er wat van zegt, dreigt Arie haar met opgeheven stok met de dood en moet ze “gofferedomme” opsodemieteren. Was hij eerst een man van de wereld, nu is hij tuinman. De tuin is zijn wereld geworden en die zal hij met hand en tand verdedigen.

In de tuin is geen onkruidje of andere onregelmatigheid te bekennen. Het gras is keurig gecoiffeerd en de bloemen en planten staan onder strenge, dagelijkse controle. Tegen alle tekenen van verval wordt per direct actie ondernomen. Ik roep dat ik nog nooit zo’n prachtige tuin heb gezien! Arie glimt. Uren is hij in de tuin te vinden als het weer het toelaat. Of hij zit op het bankje in het voortuintje. Dan heeft hij aanspraak van buren en andere voorbijgangers en kan hij zich fijn druk maken over slechte parkeerders en zich misdragende kinderen.

Ter plekke wordt Sjaak gebeld en die legt mij buitengewoon vriendelijk uit dat hij zojuist bij de bank is aangekomen om alles te betalen. Er zijn een paar probleempjes geweest waardoor dat tijdelijk niet kon. Maar nu is alles weer in orde dus ik hoef me helemaal geen zorgen te maken. Alles komt goed! Dag mevrouw!
Maar alles komt niet goed. Na twee weken is het bedrag nog niet bij ons binnengekomen. De zaak wordt daarom overgedragen naar de deurwaarder. Een half jaar later krijg ik bericht dat er een ontruimingsvonnis is en dat het echtpaar plus zoon dus binnen een maand of twee zullen worden ontruimd. Bep en Arie blijken sinds mijn bezoek nooit meer een cent huur te hebben betaald. Wel is er veelvuldig contact geweest met de deurwaarder door Sjaak die telkenmale aangaf alles te hebben betaald, zonder dat overigens aan te tonen.

Dit kan zo niet langer. Ik doe een aanmelding bij het wijkteam van de gemeente en geef aan dat het urgent is en men géén hulp wil. Want waarvoor? Er is immers niks aan de hand! De wijkteammeneer neemt telefonisch contact met hen op voor een afspraak. Maar Sjaak zegt deze namens het echtpaar weer af omdat het tóch niet uitkomt. Bij de volgende afspraak zijn ze helaas ziek. De meest afspraken gaan niet door. En als ze wel doorgaan is Sjaak thuis en luidt het verhaal dat er is betaald en dat er niets aan de hand is.

Bep en Arie hebben een heilig vertrouwen in Sjaak en wat hij zegt wordt geloofd, gelijk het evangelie door een ouderling. Sjaak kan er toch ook niks aan doen dat hij geen betaalwijzen krijgt van de bank? Dan moeten we toch niet bij hen, maar bij de bank wezen! Bep verzucht hoofdschuddend: “Tis die jonge ze vak, hij is boekhouwert!”
Zijn ze eigenlijk wel op de hoogte van de dagvaarding en van het vonnis? Welnee, want de post regelt Sjaak namelijk ook. Ik geef ze een kopie van het vonnis en arceer de meest essentiële punten met een gele markeerstift. Arie krijgt het nu echt niet meer aangevloekt. “Hoe ken dat gofferedomme nou! Wat heptie gozert nou toch fout gedaan!”

De wijkteammeneer raad ik aan om niet op afspraak, maar juist onverwacht bij hen langs te gaan. Als hij aanbelt en daarna voor het raam gaat staan en vrolijk vriendelijk zwaait, wordt er vast wel open gedaan. Zo zijn ze wel want Arie is heel nieuwsgierig. En zo geschiedde het.
Hij belt mij een aantal keer op en zet de telefoon dan op de luidspreker zodat Bep en Arie kunnen meeluisteren. Sjaak zou, wederom, alles hebben voldaan. Bij ons is echter geen betaling binnengekomen en bij navraag bij de deurwaarder ook niet. Arie gaat op de achtergrond tekeer. “Hoe kén dat gofferedomme nou toch!” En hij voegt er nog wat andere verwensingen aan toe. Dit schiet niet op. Ze hebben nog aan aantal nazaten en ik bof want ik vind er één die ook een woning van ons blijkt te huren. Ik spreek eerst een kleindochter. Weten ze ook dat Bep en Arie een huurachterstand hebben en binnenkort ontruimd gaan worden? Deze informatie leidt tot grote ontzetting. Ze gaat direct haar vader bellen en of ik dat dan over een half uur wil doen. Dat wil ik.

Waarschijnlijk heeft kleindochter meer het karakter van haar moeder, want paps blijkt een aardje naar zijn vaartje te hebben en vraagt direct op luide toon waarom ik hem daar “gofferedomme” mee lastig val. Het zijn toch zeker zijn zaken niet? Of wel soms? Nou dan!
Ik leg uit dat de rechter heeft bepaald dat ze, in verband met een flinke huurachterstand, voor de Kerst op straat staan. Gezien hun hoge leeftijd en de slechte gezondheid van met name zijn vader, lijkt mij dat bijzonder onwenselijk. “Als het mijn ouders waren zou ik me grote zorgen maken dus ik dacht dat u dat misschien ook zou doen. Maar kennelijk heb ik me vergist. Mijn excuses voor het lastig vallen en een prettige dag verder!”

“Ho es effe hier,” blaft hij. Hij wil toch wel wat meer weten en bindt wat in. Ik voel ook een paar ‘gofferedommes’ opkomen, maar vertel hem toch uitgebreid wat er aan de hand is. Met tegenzin belooft hij dat hij uit gaat zoeken hoe het zit.
Het duurt nog weken voordat Sjaak met de billen bloot gaat. Sinds een klein jaar is hij werkloos geworden en dat heeft hij uit schaamte niet willen vertellen. Daarom ging hij nog steeds dagelijks de deur uit, met een pakje door Bep klaargemaakte boterhammen onder de snelbinders, fietsend over de Erasmusbrug. De gang naar het werk heeft hij echter verruild voor de gang naar de gokkast. WW heeft hij, om onduidelijke redenen, niet aangevraagd. Hij zat plots zonder inkomen én met een hele dure hobby.

Bep en Arie zijn met stomheid geslagen. Arie vergeet van schrik zelfs even te vloeken. Bep moet ervan huilen en Arie huilt met haar mee. “Je eigenste zoon, en nog wel een boekhouwert. Tis toch gofferedomme wat.”

Arie gaat alle geldzaken weer zelf regelen. Dat heeft hij vroeger ook altijd gedaan, maar tijdens zijn ziekte is Sjaak het gaan doen. Moeder en zoon gaan samen naar een cursus ‘Stop de Schulden’ en ook richting de Kredietbank voor schuldhulpverlening. Waar Sjaak van gaat leven blijft een gok, maar daar is hij gelukkig niet vies van. Arie staat erop dat en een betalingsregeling wordt getroffen waar Sjaak aan mee gaat betalen. “Ik gaat gofferedomme niet bij de ondergrondse met ook maar ene cent schuld!”