Trots met een natte 't'

Trots met een natte 't'

Trots met een natte 't'

‘Leg nog eens uit, waarom hebben jullie Rotterdammers nou eigenlijk zo’n hekel aan ons?’ Mijn baas kijkt me met een uitgestreken gezicht aan, neemt nog een slok van zijn biertje en stoot zijn compagnon aan. ‘Snap jij het, Cor? Waarom die Rotterdammers altijd denken dat ze beter zijn dan wij?’

De serveerster van de Shabu Shabu op het Rembrandtplein zet onze gerechten op tafel. Het ruikt heerlijk, het ziet er hetzelfde uit, maar toch zit ik liever bij de Shabu op de Westblaak. Smaakdingetje?

Ik neem een slok van mijn cola en vraag me af of dit het zoveelste teamuitje wordt, waarbij ik in het hol van de leeuw gelokt ben en mezelf en mijn stad de hele avond moet verdedigen. Als ik het goed begrepen heb, staat er na het eten nog een heuse kroegentocht door de Jordaan op het programma. Leuk hoor, dat het hoofdkantoor van ons bedrijf in ‘020’ zit, maar kunnen we de volgende keer niet eens op mijn terrein afspreken?

Ik kijk rond. Mijn baas met naast zich zijn compagnon zit tegenover mij aan het andere hoofd van de tafel, links van mij Caroline en Maartje van financiën en twee man van de backoffice en rechts van mij nog drie man van de frontoffice. Stuk voor stuk rasechte Amsterdammers, met bijbehorende accenten en allen liefhebbers van het Amsterdamse levenslied. Ik verheug me nu al op die kroegentocht…

Naast mij zit Ruud, mijn enige steunpilaar binnen dit gezelschap. Maar hij is een Vlaardinger dus telt hij eigenlijk niet mee. Ik ben zwaar in de minderheid. Als Ruud me aanstoot heb ik pas door dat iedereen nog steeds verwachtingsvol naar me kijkt. Tot zover dus inderdaad mijn steunpilaar, meer een satéprikker…

Ik pak mijn stokjes op en wurm er een sushirol tussen. ‘Het is niet zozeer dat Rotterdammers een hekel hebben aan Amsterdammers, meer een gezonde afkeer.’ Ik glimlach maar niemand lacht terug. ‘Er zijn gewoon wat eh… verschillen,’ voeg ik snel toe. Gevoel voor humor is er een van, denk ik erachteraan.

Mijn baas begint te lachen. ‘Dat zeker ja, daar heb je gelijk in. Neem bijvoorbeeld om te beginnen eens het aantal keren dat óns cluppie kampioen is geworden. Een héél groot verschil met dat van jullie!’

Zijn compagnon Cor, fervent Ajax-fan, schiet ook meteen in de lach en gaat er eens goed voor zitten. ‘Ja, haha. Weten jullie wat een Feyenoorder als eerste doet nadat hij de Championsleague heeft gewonnen?’

De rest van het team kijkt hem afwachtend aan, ik incluis, al voel ik op mijn Rotterdamse sloffen aan welke kant dit op gaat.

‘Dan zet hij de PlayStation uit en gaat naar bed!’  

Iedereen lacht, ook Ruud en ik mijmer terug naar veertien mei vorig jaar. De dag van die geweldige wedstrijd met de hattrick van Dirk Kuijt, die daarmee óns cluppie na achttien lange jaren eindelijk weer trakteerde op de schaal. De eerste keer dat ik het beleefde was ik nog maar net twintig en ik moest bijna tot mijn veertigste wachten tot het weer zover was, maar wat een feest! Hoewel ik niet veel met voetbal heb, stond ik beide keren met een dikke laag kippenvel op mijn armen tussen de hossende menigte op de Coolsingel en voelde me trots!

‘Ja, en wij zijn toch de hoofdstad, ookal hebben jullie dan de grootste haven van Europa. Hier gebeurt het. Amsterdam is hip and happening.’ Caroline neemt een hap van haar sushi en kijkt de tafel rond waar de collega’s instemmend knikken.

Ik denk aan een nieuwsbericht van nog maar een paar maanden geleden. Deze ‘hip and happening’ hoofdstad bleek bij de twintig procent wereldsteden te horen die het meest te lijden had onder de gevolgen van bezoekersdrukte. Eigen inwoners zagen vooral de negatieve kanten van de toeristenstroom en weinig voordelen. Ik hoor weer het nasale langgerekte accent van de Amsterdamse die de verslaggever te woord stond: ‘We worden hier gestoord van al die holadieetoeristen. Dat komt hier om te zuipen, te blowen en een beetje hoeren te kijken. Het lijkt hier op een gemiddelde vrijdagavond “O, o, Cherso” wel.’

Even overweeg ik te vertellen over het artikel in ’s werelds populairste reisgids, een paar jaar terug alweer. Die zette Rotterdam op de vijfde plaats in de top tien van aantrekkelijkste steden, in een lijstje waarin Amsterdam toch echt niet bij de eerste vier hoorde. Tot zover hip and happening… Rotterdam werd ‘een van de opwindendste steden ter wereld’ genoemd en ‘een openluchtmuseum voor postmoderne en hedendaagse architectuur’. Toch had ik sinds die tijd geen enkele Rotterdammer horen klagen – hoewel wij daar wel erg goed in schijnen te zijn ­– over het toenemende toerisme, maar slechts trots horen praten over de aantrekkingskracht van architectonische hoogstandjes zoals de Markthal, de Rotterdam en het nieuwe Centraal Station. Ik hou wijselijk mijn mond.

Aan tafel is een geroep ontstaan over de vele Amsterdamse highlights. Gretig vullen ze elkaar aan over de grachten, het Rijksmuseum, Artis, Madame Tussauds en ik dwaal af. In gedachten zie ik het canvas dat in mijn woonkamer boven de bank hangt voor me. De bank waar ik voorlopig nog niet op neer zal ploffen maar waar ik hevig naar verlang… Het canvas erboven van ruim anderhalve meter breed, bevat de mooiste skyline van Nederland. Een prachtige foto bij nacht met daarop de Erasmusbrug, de Kop van Zuid, de Willemsbrug, de Hef, de Maasboulevard én de Kuip in één blik gevangen. Een harmonieus geheel van licht en vormen dat bij mij altijd hetzelfde gevoel oproept. Trots, pure Rotterdamse trots!

‘Ja, en de werkeloosheid is bij jullie ook nog eens veel hoger. Niet lullen maar poetsen was het toch?’ Maartje geeft me een knipoog en het gesprek aan tafel barst weer los.

Niet lullen maar poetsen. Het was de vaste uitspraak van mijn inmiddels overleden vader, een man die wist wat werken met de mouwen opgestroopt was. Toen ik een jaar of vijftien was, raakte hij na een reorganisatie zijn baan kwijt, maar weigerde pertinent WW aan te vragen. Ook weer een van de vele vormen van Rotterdamse trots. Gelukkig duurde de werkeloosheid korter dan zijn trots en vond hij snel een baan als portier bij het Groot Handelsgebouw, hét symbool van de naoorlogse wederopbouw, gelegen aan het Centraal Station. Tot aan de dag van zijn hartinfarct wees hij klanten met een glimlach de weg in het gebouw dat een stad op zich is. Gestorven in het uniform dat hem zo lief was. Zijn glimlach vormt zich nu rond mijn lippen.  

Het gesprek neemt een algemenere vorm aan, tot mijn collega Robin van de frontoffice bij het verschijnen van de derde gang weer een nieuwe bedacht heeft. Ik zie het aan zijn gezicht, hij zit te popelen om ook een duit in het Amsterdamse zakkie te doen.

‘Die Jules Deelder van jullie hè, wist je dat hij oorspronkelijk ontdekt is door een Amsterdamse dichter?’

Ik bijt op mijn lip en knik geïnteresseerd. Iets met Rotterdamse trots? Door mijn hoofd dreunt Jules’ beroemde uitspraak ‘Wie zijn ze dan metter Amsterdam dan?’ Compleet met natte ‘t’ zoals alleen wij Rotterdammers die hebben. Wat me weer doet denken aan de kraam die sindskort wekelijks op de centrummarkt staat. De kraam van Achmed, een Rotterdamse Marokkaan die verschillende artikelen verkoopt met typisch Rotterdamse teksten. Ik heb al twee linnen tasjes bij hem gekocht. De een met ‘pleurt ’t in me tassie’ en de ander met ‘tebbie daar voor lekkers?’ Ik neem me terplekke voor mijn collega’s bij het volgende uitje allemaal Achmeds mokken cadeau te doen met aan de ene kant ‘Amsterdam’ met daaronder drie kruisjes uit het stadswapen en aan de andere kant ‘Rotterdam’ met daaronder drie groene vinkjes. De blikken op hun gezicht is me het geld wel waard…

Ik neem mijn laatste hap sushi en leun achterover. Het eten heeft me in elk geval gesmaakt. ‘Zullen we het volgende teamuitje eens in Rotterdam doen?’ opper ik en ik stoot Ruud aan. ‘Boeken we een vaartocht door de haven, gaan we eten in de Euromast en nemen we nog een afzakkertje op het Stadhuisplein.’

Het valt meteen stil aan tafel en negen verschrikte gezichten staren me aan.

‘Varen over de Maas? Ik weet het niet hoor, ik word zo snel zeeziek,’ klinkt Maartje naast me. Ze roert wat door de achtergebleven rijstkorrels in sojasaus op haar bord.

‘De Euromast trekt mij niet zo. Sorry, hoogtevrees…’ Cor grijnst wat ongemakkelijk zijn tanden bloot.

‘Helemaal naar 010 is ook niet echt praktisch, aangezien wij allemaal hiervandaan moeten komen,’ vult Robin aan en wederom voel ik een glimlach over mijn gezicht glijden. Heel de avond hebben ze mijn stad af zitten zeiken, maar als het er op aankomt, zijn ze te laf om er eens naartoe te gaan. Bang misschien om erachter te komen dat Rotterdam helemaal zo ‘rot’ nog niet is?

‘Jammer hoor, jullie weten niet wat je misloopt.’ Ik sta op en schuif mijn stoel naar achteren. ‘Ik ga nu effe naar mijn eigen gezeik luisteren voordat ik die Amsterdamse smartlappen zo aan moet horen.’ Ik loop naar de toiletten terwijl ik ze achter me hoor fluisteren en giechelen. ‘Bedrijfsuitje in 010? Is ze gek of zo, mooi niet dat ik daar naartoe ga…’

Op het toilet kijk ik in de spiegel. Trots op mezelf dat ik me niet heb laten verleiden tot flauwe opmerkingen en grappen over Amsterdammers. Een Rotterdammer is trots op zijn stad, maar hoeft het nu eenmaal niet zo nodig te bewijzen, misschien is dat nog wel het grootste verschil.

Ik hoop niet dat ik mijn Rotterdamse trots ooit kwijt zal raken, ik verhuis nog liever naar 020…

Ja toch. Niet dan?