Waar ben ik?

Waar ben ik? #RotterdamSchrijft Ambassadeursverhaal

Waar ben ik?

Erasmus opent langzaam zijn ogen. Hij boert, zijn maag is van streek en hij ziet vage beelden. Beelden die hem ergens niet onbekend voorkomen. Als in zijn allervroegste herinneringen staat hij voor een grote deur. Geen hout, realiseert hij zich, maar brons, met raadselachtige afbeeldingen. Hij kijkt langzaam omhoog om het gebouw beter te bekijken. Nee, deze toren is veel hoger dan hij zich herinnert. Dit is niet de Laurenskerk uit zijn kinderjaren.

Het licht rond de toren doet hem pijn, hij sluit zijn ogen weer en gaat langzaam zitten op de stoep van de kerk. Met zijn hoofd op zijn knieën voelt hij zich misselijk. Hij richt zijn hoofd weer op als hij mensen hoort lopen. Een volwassen mannenstem en daarna een lachende kinderstem. Hij luistert met zijn ogen dicht. Nee, dit klopt ook niet. Dit is geen taal die hij ooit eerder gehoord heeft. De mensen passeren hem en hij opent zijn ogen – schimmige beelden van een man met aan zijn hand een kind. Hij schrikt want dit zijn de vreemdste kleren die hij ooit gezien heeft. Nu weet hij zeker dat hij niet weet waar hij is. Erasmus is bang, het zweet breekt hem uit – hij is op slag kletsnat en hij bibbert van de kou. De vage beelden worden helderder. Hij ademt snel en met iedere ademhaling ziet hij meer. Voor zich een wereld die hij nog nooit gezien heeft. Overal glas, overal hele hoge gebouwen. In de verte gebouwen die nog veel hoger zijn dan de toren van de kerk. Van alle kanten hoort hij harde geluiden, er komen veel meer mensen voorbij op het plein vóór hem. Ze praten hard in zichzelf. Sommigen rijden op tweewielige dingen van kleurig metaal en vallen niet om. Als door de slag van een ezelhoef tegen zijn hoofd wordt opeens de werkelijkheid duidelijk. Hij is in de hel. Hij, Erasmus Roterodamus, is in de hel beland.

Wat is er dan gebeurd dat hij hier kan zijn? Hij herinnert zich dat hij vanmorgen in alle vroegte op het paard stapte van zijn vrienden die hem vergezelden naar de boot die hem naar de Nederlanden zou brengen. Daar was geen brandstapel bij. Daar had hij wel over gedroomd, want zijn Novum Instrumentum was in de ogen van veel autoriteiten te kritisch. De fouten die in de gangbare bijbelvertalingen waren geslopen, door eeuwen overschrijven en becommentariëren, waren in de ogen van deze mensen net zo heilig als de minder gehavende teksten. Het opnieuw vertalen van het Nieuwe Testament vanuit de bronteksten en het weghalen van deze fouten was voor sommigen regelrechte heiligschennis en meer dan genoeg voor de brandstapel. Maar een brandstapel kon hij zich niet herinneren van die ochtend. En toch lijkt hij in de hel te zijn. Een hel die hij in zijn ergste nachtmerries niet zou kunnen bedenken.

Een rare hel ook. En niet eens bijzonder warm, want waarom zou hij dan nu klappertanden. Het is duidelijk ochtend en het waait zacht op de trappen van de kerk waar hij zit. En het ruikt naar niks. Hij verwacht brandend teer en kwalijke dampen in de hel. Dat heeft hij zelf al eens beredeneerd maar hier is alleen maar gewone lucht. Geen stinkende rivier, geen afval in de hoeken. Geen uitwerpselen overal, geen schurftige honden. Niet eens rotte vis. Alleen maar heel veel mensen die haast lijken te hebben en allemaal in zichzelf praten. In een taal die hij niet verstaat. De hel heeft het niet zo op hem, realiseert hij zich, want voor hem staat boven al die mensen en tussen die grote gebouwen, een standbeeld. En het hoofd van dat beeld lijkt verdacht veel op het portretje van hemzelf in zijn tas, een cadeau voor zijn vrienden in Antwerpen waar hij naar op weg is. Nee, dit ziet er niet goed uit: hij wordt al verwacht in de hel.

Erasmus staat op, maar wordt opnieuw overvallen door een golf van misselijkheid. Hij draait naar de muur van de kerk en geeft over. Hij zoekt in zijn jas naar zijn maagpoeder maar vindt het niet. Het moet in zijn tas zitten maar die is kennelijk niet mee naar de hel gegaan. Als hier iets tegen zijn bedorven maag bestaat, moet hij ernaar op zoek. Erasmus recht voorzichtig zijn rug, trekt zijn mantel recht en loopt langzaam richting het standbeeld. Niemand trekt zich iets van hem aan. Maar niemand lijkt zich überhaupt iets van anderen aan te trekken. In de hel lijkt iedereen alleen te zijn. Op een paar meter van het beeld blijft hij staan en kijkt zichzelf in het gezicht. Hij leest de tekst die op de sokkel is aangebracht en schrikt opnieuw. Nu geen angstzweet maar een soort verstijving. Hij leest dat hij inderdaad is overleden, en wel op 12 juli 1536. Wat is er aan de hand? Zojuist zat hij nog op een paard en nu is het al minstens twintig jaar later en is hij hier. Veel tijd om er aan te wennen krijgt hij niet want hij wordt bijna omver gereden door een vrouw op een tweewielig ding dat met een noodvaart langs hem heen schiet. Zij laat een stinkende blauwe walm achter waarvan hij moet hoesten. En dan dat hoofd, met een kogelrond glimmend omhulsel. Ook dit belooft niet veel goeds.

Erasmus draait zich om en gaat het plein af, om de kerk heen. Hij loopt tussen vreemde huizen door en staat plotseling in een drukke straat. Mensen schieten langs hem heen in de raarste uitdossingen en lopen huizen in waar veel spullen voor de ramen staan. Hij herkent er niets van. Geen kleding die hem zou passen, geen boeken, geen poeders en medicinale drankjes, geen huisraad en zelfs geen eten. Niets waar hij iets mee kan en niets om te willen hebben. Met een dof gevoel in zijn hoofd loopt en kijkt hij rond. Sommige gebouwen zijn zo hoog dat ze de wolken bijna raken. Gelukkig zijn er wolken. Wolken geven iets vertrouwds aan de omgeving. Wolken zijn bijna het enige waarbij hij zich iets kan voorstellen.

Dan vallen hem details op van een vreemd wit gebouw met veel glas en met grote gele buizen. Er staan teksten op. Hij prevelt de letters die hoog op het gebouw staan: ‘Heel de aarde is je vaderland’. Zijn hoofd doet nu pijn maar hij probeert desondanks te vertalen wat daar staat. Het lijkt op de taal die hij als kind leerde, maar ook weer niet. En dan realiseert hij zich dat zijn eigen naam eronder staat. In zijn eigen handschrift. Hij heeft de spreuk vaak gebruikt om zichzelf maar vooral anderen te overtuigen dat je overal, zelfs ver van huis, thuis kunt zijn. Even neemt de misselijkheid iets af. De spreuk heeft nu bijna een troostend effect: een gebouw dat Erasmus’ citaat uit de Oudheid citeert is eigenlijk bijna zíjn thuis.

Maar dan nadert in de verte een gillend geluid. Erasmus houdt zijn handen voor zijn oren en rilt. Het geluid wordt snel steeds harder. Hij vlucht naar de gevel van het gebouw met de buizen. Met een enorme snelheid en een onaards gebrul komt een monsterlijk groot rood gevaarte voorbij rijden. Als de duivel zelf. Zonder na te denken volgt Erasmus de mensen door een grote, langzaam draaiende glazen deur de veiligheid van het gebouw in. Alles beter dan nog langer op straat zijn.

Erasmus staat stil en neemt de ruimte in zich op. Hij wordt door de rust in de grote hal waar hij nu is wat kalmer. Niets is wat hij van de hel verwacht maar ook niets komt hem bekend voor. Om zich heen kijkend ziet hij mensen rondlopen met boeken. Hij volgt enkele jongeren op een wonderlijke trap die vanzelf omhoog gaat en verbaast zich er vooral over dat hij zich steeds minder verbaast. Ergens aan het einde van zo’n trap struikelt hij en ligt hij plat op de grond. En dan gebeurt er iets merkwaardigs. Voor het eerst lijken de mensen om hem heen zich om hem te bekommeren. Ze helpen hem overeind, en dan wijst iemand op hem en daarna op de afbeelding op een plakkaat op een zuil. Hij kan er niet omheen dat de afbeelding opnieuw op hem lijkt. Zijn gezicht, de mantel en vooral de muts, hij is de enige hier die zo’n muts draagt. Een man spreekt hem aan en noemt zijn naam. Desiderius Erasmus Roterodamus. Hij gaat overeind zitten. De angst ebt weg want de mensen lijken minstens zo verbaasd als hijzelf. Vertwijfeling flitst opnieuw door hem heen. Waar in Godsnaam ben ik beland? Een plaats met zo veel boeken en aardige mensen kan toch niet in de hel zijn.

Even later loopt hij met een paar mensen mee naar een plaats die ze Erasmus Experience noemen – zo staat het op de borden. Dat woord ‘experience’ kent hij wel. Het is Latijn, maar dan natuurlijk fout geschreven. Of zou het Frans zijn – maar zo klinkt hun taal ook niet. Maar het is wel treffend, want hij, Erasmus, beleeft op dit moment de meest bijzondere ervaring van zijn leven. Vóór hem liggen zijn eigen boeken, staan zijn eigen spreuken. Hij staat letterlijk oog in oog met zijn eigen leven.

Is hier dan het begin van zijn hiernamaals? Wordt hier straks over hem geoordeeld? Dan zou nog niet alles verloren zijn. Maar het is allemaal zo verwarrend, want nu tonen ze hem achter een kluisdeur een bibliotheek met boeken uit zijn tijd. En met boeken die hij zelf geschreven heeft. Er staan ook heel veel boeken met zijn naam erop die hij beslist niet herkent en die hij niet geschreven heeft. Hij bladert en leest flarden uit boeken die ze hem voorhouden. Intrigerende titels, prachtige taal, schitterend woordgebruik – hij herkent zijn eigen stijl maar schrikt van de inhoud die hij niet kent. Het wordt nog raadselachtiger als hij hier en daar zelfs commentaren in de kantlijn ziet staan van lezers die denken dat ze het beter weten. En in de gauwigheid meent hij zelfs een handschrift te herkennen. Wie zijn hier dan nog meer beland?

Ze tonen hem een lange rij boeken met op de rug ‘Erasmi Opera’. Zijn complete werk dat veel omvangrijker is dan waar hij weet van heeft. Wat gaan ze hem, juist nu!, in de schoenen schuiven? Erasmus wordt overvallen door een verlammende vermoeidheid. Alles wordt zwart om hem heen, hij zakt op de grond en sluit zijn ogen. En opnieuw is daar die misselijkheid. Hij moet braken, maar proeft vooral gal. En weer zijn er stemmen, ongeruste stemmen nu. Hij wil ze niet horen, maar is toch verrast dat hij deze stemmen vaag herkent. Ze roepen zijn naam, een naam die alleen zijn vrienden gebruiken. Hij herkent ook de taal. Ze spreken zijn taal. Iemand slaat hem in zijn gezicht. En nog een keer. Pas bij de derde keer kijkt hij op. Zijn zicht keert terug. Wat gebeurt er toch, waar zijn de boeken? Erasmus zit met zijn rug tegen een boom en kijkt in de bezorgde gezichten van zijn vrienden. Ze poetsen zijn kleren schoon en geven hem wat te drinken. En langzaam dringt de realiteit tot hem door.

Hij heeft een hekel aan vis, vooral als ontbijt en was blij met ieder alternatief. Maar hij had vanochtend nooit de paddenstoelen moeten eten die de onbekende bediende hem voorzette.

Vond je dit een mooi verhaal? Like, volg en deel het dan met je vrienden en familie! We zijn ontzettend benieuwd naar jouw eigen verhaal over Rotterdam! Doe je ook mee met de RotterdamSchrijft schrijfwedstrijd? Je kunt toffe prijzenpakketten winnen.