1. Onhandige vooroordelen en vervelende Britten

Overwin mij

1. Onhandige vooroordelen en vervelende Britten

Uppsala, 22 augustus 2013

 

Als je een goudvis koopt en in een plastic zakje mee naar huis neemt, kun je het beestje bij thuiskomst niet zomaar, huppakee, linea recta vanuit het zakje het aquarium in gooien. Doe je dat wel, dan is dat vragen om moeilijkheden en kun je er donder op zeggen dat het dier binnen de kortste keren aan de oppervlakte van het water naar adem ligt te happen. Van die basiskennis is zelfs de grootste natuurleek op de hoogte. Wat echter niet iedereen weet en ook ik vandaag pas ontdek, is dat dit principe ook voor mensen geldt.
            Ik loop op mijn kniehoge sneeuwboots door de straten van mijn nieuwe thuisstad en voel me net een guppy die genadeloos in een oceaan van nieuwheid gedumpt is. Waarom is het hier in vredesnaam zo warm? vraag ik me af terwijl ik mijn loodzware koffer over de ongelijke klinkerstraten voortduw. In de vele boeken die ik de afgelopen maanden over Scandinavië gelezen heb, werd het cliché van de eeuwige winter in het hoge noorden weliswaar ontkracht, maar dit soort tropische temperaturen had ik nu ook weer niet zien aankomen. Waar ik mijn gloednieuwe bagage over de perfect egale vloer van zowel Schiphol als Arlanda Airport moeiteloos voor me uit rolde, blijven de wielen hier bovendien om de paar meter tussen de ongelijke tegels steken. In de afgelopen tien minuten heb ik mijn koffer al zo vaak moeten losrukken dat de spierpijn in mijn rechterarm morgen niet mals zal zijn.
            Ik blijf even staan en kijk op mijn telefoon of ik nog altijd de goede kant op loop. Tientallen zwaarbepakte medestudenten lopen in dezelfde richting als ik, maar toch vertrouw ik liever op Google Maps.

            ‘Just hold it like this,’ zegt een Aziatische jongen die zelf waarschijnlijk ook nog maar net in Zweden is aangekomen, maar zich duidelijk meer een vis in het water dan op het droge voelt. Hij wijst naar zijn eigen koffer, die hij aan het uitschuifbare handvat vasthoudt en moeiteloos achter zich aan over de straat trekt.

            Ik volg zijn voorbeeld en natuurlijk gaat het lopen me meteen een stuk makkelijker af. ‘Thank you!’ roep ik hem toe. Dan versnel ik mijn pas en ga ik naast hem lopen. Ik zie dat hij een T-shirt van Superdry draagt en gebruik dat meteen om een gesprek met hem aan te knopen.

            ‘Ben je hier vandaag uit Japan aangekomen?’ vraag ik.

            Hij fronst even en volgt mijn blik naar het logo op zijn borstkas. ‘Ik kom uit Frankfurt,’ zegt hij. ‘En mijn shirt is van een Engels merk.’

            Zodra ik zijn Duitse accent hoor, beginnen mijn wangen te gloeien. Ik heb de neiging om mijn excuses aanbieden, maar wil mezelf niet nogmaals voor schut zetten en pers gegeneerd mijn lippen op elkaar. Misschien komen zijn ouders wel uit Japan en ziet hij mijn vergissing dus helemaal niet als een belediging. In de hoop dat dat het geval is, besluit ik mijn verontschuldigingen voor me te houden.

‘O, Frankfurt,’ stamel ik na een ietwat ongemakkelijke stilte. Ik probeer een aanvullende vraag of opmerking te verzinnen, maar kom vrijwel nooit in Duitsland en heb dus geen idee wat ik moet zeggen. Voordat ik het weet, rolt een van de enige woorden die ik me nog van mijn Duitse lessen op de middelbare school herinner over mijn lippen. ‘Toll.’

            Missie mezelf-niet-nogmaals-voor-schut-zetten mislukt.

            ‘Ben jij net uit Amerika aangekomen?’ vraagt de jongen met twinkelende ogen. Als ik verrast mijn wenkbrauwen optrek, knikt hij naar mijn American Tourister-koffer.

            ‘Touché,’ zeg ik lachend, opgelucht dat hij mijn overhaaste conclusie over zijn afkomst niet al te zwaar opneemt.

 

Als ik ergens een pesthekel aan heb, zijn het studentenverenigingen. Ze doen me denken aan rijkeluiskindjes, bierstank en volkomen nutteloze belangrijkdoenerij. Alle Erasmusstudenten worden vandaag echter verwelkomd op het hoofdkwartier van Östgöta Nation, een van de maar liefst zes studentenverenigingen van de universiteit van Uppsala. Om tien uur ‘s morgens zal er waarschijnlijk nog geen drankfeest of andere belachelijke activiteit aan de gang zijn, maar toch is het mijn doel om zo snel mogelijk mijn kamersleutels te bemachtigen en dan te maken dat ik wegkom.

            Eenmaal bij Östgöta aangekomen word ik blij verrast. De vereniging blijkt zich in een groot zachtgeel geschilderd gebouw te bevinden dat er vanbuiten zo mooi uitziet dat het net zo goed een chique kantoor of kunstgalerij zou kunnen zijn. Even vraag ik me af of ik wel op het juiste adres ben, maar volgens zowel de plattegrond op mijn telefoon als de vele medestudenten die met hun bagage naar de ingang lopen heb ik me niet vergist.

            ‘Välkommen,’ zegt een vrolijke Zweedse studente die me bij binnenkomst meteen een linnen tas vol informatie overhandigt. Ze vraagt naar mijn naam en wijst me vervolgens op de juiste wachtrij om mijn kamersleutels op te halen. Als ik daar meteen naartoe wil lopen, houdt ze me tegen. ‘You can put your suitcase over there,’ zegt ze in accentloos Engels terwijl ze naar de hoek van de ruimte wijst.

            Ik kijk aarzelend naar mijn koffer, die ik speciaal voor deze reis gekocht heb. Eigenlijk wil ik hem liever bij me houden. Mijn medestudenten zetten hun bagage echter zonder morren aan de kant en dus doe ik hetzelfde. Om te voorkomen dat hij wegrolt, leg ik mijn koffer voorzichtig plat op de grond.

            Ondanks de airconditioning die hierbinnen aan staat, heb ik het nog altijd bloedheet. Het zweet druipt langs mijn nek en net als ik mijn lange haar over mijn schouder leg, word ik samen met een ander meisje naar voren geroepen. We gaan naast elkaar aan een tafel zitten en terwijl een medewerkster van de universiteit ons nogmaals welkom heet, zoekt ze in een map onze huurcontracten op.

            Ik probeer oogcontact met mijn medestudente te maken, maar het meisje met perfecte donkere krullen en de langste wimpers die ik ooit gezien heb keurt me geen blik waardig. Als ze op haar telefoon kijkt, zie ik vanuit mijn ooghoek Franse woorden over haar scherm flitsen. Vandaar die arrogante houding, schiet er door mijn hoofd. Terugdenkend aan de Aziatische Duitser heb ik echter meteen spijt van die gedachte.

            ‘Tack så mycket,’ zeg ik als er een papier en een pen voor me neergelegd worden.

            In ratelend Zweeds stelt de medewerkster me opgewekt een vraag. Als ik haar verward aankijk, schakelt ze terug naar het Engels. ‘Ik vroeg of je al Zweeds spreekt,’ verduidelijkt ze.

            ‘Een beetje,’ antwoord ik en een moment later geeft ze mij en de Française naast me onze sleutels.

            Terwijl ik opsta zegt de medewerkster nog iets, maar ik versta haar niet omdat achter ons vier luidruchtige jongens de welkomsthal binnenkomen. Allemaal hebben ze een enorme backpack bij zich en zien ze eruit alsof ze zojuist een wekenlange kroegentocht achter de rug hebben. Ze praten en lachen zo hard dat hun stemmen door de ruimte galmen.

            ‘In dit gebouw zit ook ergens een bar, toch?’ hoor ik een van de jongens met een bekakt Brits accent zeggen. De groep loopt de Zweedse studente die ze hun informatiepakket wil geven straal voorbij. Een mannelijke collega schiet haar te hulp en wijst naar de hoek waar ik een minuut of tien geleden mijn bagage heb neergezet. De tassen die net nog een barricade om mijn koffer heen vormden, zijn nu verdwenen en de jongens lopen regelrecht op mijn spullen af.

            Snel sta ik op om mijn bagage te redden, maar het is al te laat. Een lange Brit met bruine krullen laat zijn rugzak van zijn schouder glijden en gooit hem vervolgens met een klap bovenop mijn koffer.

            ‘Hé!’ roep ik protesterend en de jongen draait zich verbaasd om. ‘Dat is mijn koffer,’ zeg ik terwijl ik hem fel aankijk. Hij trekt zijn wenkbrauwen op en lijkt geen enkele boodschap aan mijn woorden te hebben. Als hij geen actie onderneemt, begin ik aan zijn tas te sjorren. Dat lijkt hem eindelijk tot leven te wekken.

Let me help you, love,’ zegt hij en het feit dat hij me zo noemt, maakt me nog kwader dan ik al was. Ik geef zijn backpack een ruk en hij landt op de grond.

            ‘Ga je altijd zo lomp met de spullen van andere mensen om?’ vraag ik verontwaardigd terwijl ik mijn koffer rechtop zet en op krassen controleer. De bierwalm die om hem heen hangt, dringt nu pas tot mijn neusgaten door en maakt me op slag misselijk.

            ‘Zelf ben je anders niet veel voorzichtiger,’ zegt hij terwijl hij zijn tas opraapt en een stukje verderop tegen de muur zet.

            Ik stop mijn informatiepakket in mijn rugzak en schuif het handvat van mijn koffer uit. Met deze lomperik valt duidelijk niet te praten. Waarschijnlijk stroomt de alcohol van afgelopen nacht nu nog door zijn aderen. Ik maak aanstalten om weg te lopen, maar hij gaat pontificaal voor me staan.

            ‘Let me make it up to you,’ zegt hij glimlachend. Zijn groene ogen stralen triomfantelijk. ‘Je ziet eruit alsof je wel een drankje kunt gebruiken.’

            Mijn mond valt open van zoveel brutaliteit. Eerst sloopt hij bijna mijn bagage en nu wil hij me dronken voeren?

‘En jij ziet eruit alsof je wel een douche kunt gebruiken,’ antwoord ik. Dan stap ik om hem heen en loop ik naar buiten. Wat er het komende halfjaar ook gebeurt, bij bezopen Britten zoals deze blijf ik zo ver mogelijk uit de buurt.

2. De taalmissie