Proloog

Overwin mij

Proloog

Utrecht, 2 februari 2013

 

De druk op mijn borst ben ik inmiddels wel gewend. Als ik hem lang genoeg negeer, zakt hij vanzelf en dus fiets ik de Trans af en de Kromme Nieuwegracht op. Hoe vaak ik ook slik, mijn keel blijft droog aanvoelen. Het biertje dat Emma ongetwijfeld al voor me besteld heeft, zal dat probleem gelukkig snel verhelpen. De woorden van de examencommissie galmen nog na in mijn hoofd.
            ʻJe weet hoe serieus de universiteit plagiaat neemt en dus kunnen we dit niet onopgemerkt voorbij laten gaan,ʼ had de middelste van de drie mannen gezegd terwijl ik ongelovig naar de rode markeringen op mijn paper staarde. Mijn hart klopte in mijn keel. ʻTenzij je hier een goede verklaring voor hebt?’
            Een gure windvlaag droogt mijn vochtige ogen en ik sla zonder nadenken rechtsaf, waarna ik mijn stuur meteen naar links draai om de straat over te steken.
            Met piepende remmen komt een bestelbusje vlak naast mijn fiets tot stilstand. Ik kan nog net uitwijken en mijn voorwiel om de bumper van de auto heen draaien. De bestuurder vloekt en uit pure paniek druk ik mijn voeten steviger op de trappers om weg te komen. Door mijn snelle ademhaling vormt zich een kleine wolk voor mijn gezicht en bij het fietsenrek van mijn stamkroeg trap ik op de rem.
            Mijn handen trillen zo hevig dat ik de sleutel niet uit het slot van mijn fiets krijg. In mijn zak begint mijn telefoon te vibreren. Het is mijn moeder. Zij is precies degene die er altijd op gehamerd heeft dat mijn studie op de eerste plaats moest staan. Hoe moet ik haar in vredesnaam vertellen wat er zojuist gebeurd is?
            Binnen wachten mijn vrienden op me. Stuk voor stuk hebben ze een lager cijfergemiddelde dan ik, maar geen van allen hebben ze het ooit zo erg verknald dat er grote gevolgen aan verbonden waren. Hoe ben ik in vredesnaam in deze situatie beland?
            Ik stop mijn nog altijd vibrerende telefoon terug in mijn zak en blaas mijn vingers warm. Weg, is het enige wat ik nog kan denken. Ik moet hier weg. En dus grijp ik de handvatten van mijn fiets vast en stuur ik het rammelende bakbeest terug de weg op.
            Ik duw net zo lang met mijn voeten tegen de trappers tot ik alleen ben. De wind blaast mijn haren achterin mijn nek en tussen de hoge bomen voel ik me heerlijk klein en onbelangrijk. Voor het eerst sinds ik de universiteit verlaten heb, lukt het me weer om diep adem te halen.
            Ik parkeer mijn fiets tegen een bankje en begin rustig over het pad te lopen. Met elke stap voel ik de last op mijn schouders een klein beetje lichter worden. Bij de gedachte dat ik eigenlijk beter terug kan gaan omdat ik vanavond moet werken, overvalt me echter een paniekerig gevoel en lijkt het alsof mijn keel door een onzichtbaar monster wordt dichtgeknepen. Als ik mijn navigatieapp open, blijkt dat ik in noordelijke richting ben gefietst. Net ver genoeg om mijn gedachten te verzetten, maar niet om mijn problemen op te lossen. Daar zal een langere tocht voor nodig zijn.