De opwindkikker

De opwindkikker

De opwindkikker

Alle vluchtelingen krijgen een stadswandeling aangeboden in hun gaststad. Op uitnodiging van de Gemeente Rotterdam moet ik er ook aan geloven. Te midden van een bont gezelschap slenter ik over de Blaak en luister naar de mensen om mij heen. Ik kan maar niet wennen aan de klanken van de mensen hier. Net zo min als aan de massa’s waarin zij zich voortbewegen, het drukke verkeer dat in deze wereldstad in hoog tempo voorbij raast. Het geluid vult mijn oren en neemt bezit van mijn hoofd, mijn maag draait om van de uitlaatgassen die via mijn neusgaten binnendringen en aan mijn smaakpapillen blijven kleven. Betonnen reuzen met duizenden glazige ogen torenen boven me uit, vallen op me, overweldigen me. Nietig in het niets is de zon het enige vertrouwde, het enige waar ik van geniet. De vrieslucht is koud, maar de zon schijnt tenminste. Hij straalt aan een wolkenloze hemel en doet me denken aan thuis. Thuis, toen alles nog vredig was. 
Waar ooit mijn hart zat, zit nu een gat. Ik slik. Ik slik de tranen om mijn familie weg. Alleen ben ik hier, net zo vertwijfeld, net zo versteend, net zo uitgehold als dat beeld waar de gids de groep naartoe leidt. In mijn zak speelt mijn hand met de metalen opwindkikker die ik bij me draag, sinds ik in dit land ben. "Welkom in ons koude kikkerlandje," kwaakte een lachende mond in een wit gezicht naar me, terwijl witte handen mijn zwarte hand grepen en de kikker erin drukten. Een tolk vertaalde het voor me, ik had er anders echt niets van kunnen maken. En wat moest ik, een volwassen man, met kinderspeelgoed?
Bovenaan de treden op het plein is de groep stilgevallen, mijn kaken klemmen op elkaar, ik zie dat de gids zich opmaakt om het woord te nemen. Mijn handen zijn uit mijn zakken gekomen. De ene draait rondjes, de ander houdt vast. Op het moment dat de keel van de gids kikkerklanken begint op te braken, hurk ik neer. Mijn handen laten de groengestreepte opwindkikker gaan, hupsend over de grond. De groep schrikt op alsof ze gebeten worden door een slang. De gids probeert het diertje te vangen. Ik wend mij af, heb alleen nog oog voor mijn hoogverheven broeders in het zwart en witgeel, afgetekend tegen de blauwe hemel. Even ben ik los, even ben ik vrij, even ben ik thuis.


De opwindkikker