De eindbestemming

De eindbestemming

De eindbestemming

De eindbestemming

 

‘Beste reizigers, welkom in de sprinter richting Rotterdam Centraal,’ klinkt het door de intercom. ‘We komen volgens dienstregeling aan op platform twee.’

Ik ril, het is drie graden boven nul en ik ben moe van de lange dag.

‘Hier,’ zegt mijn collega, die naast me zit. Evelien drapeert haar sjaal om mijn nek en ik kijk haar dankbaar aan.

Terwijl de conducteur fluit en de deuren dichtgaan, denk ik aan onze mooie skyline en aan de Erasmusbrug. Ik woon al mijn hele leven in Rotterdam. Dit is mijn thuis.

De trein begint te rijden en ik begraaf me in mijn warme jas en de sjaal. Bij de eerstvolgende halte worden onze OV-chipkaarten gecontroleerd. Wanneer de conducteur naar de volgende rij stoelen loopt, staar ik in het donker naar buiten. Ik wil me net omdraaien, maar mijn aandacht wordt getrokken door een jongen die in het gangpad is gaan staan en de conducteur uitdaagt.

‘Doe dan. Geef me die fokking boete, gast.’

De conducteur vraagt om versterking en doet een stap naar achteren.

‘Wat wou je doen dan?’

Iedereens ogen zijn op de twee gericht. De conducteur kijkt de jongen strak aan.

‘Wacht maar,’ gaat de jongen verder terwijl hij een stap dichterbij zet. De conducteur doet tegelijkertijd weer een stap naar achteren en roept nog een keer om versterking. ‘Je bent kapot bang, hè? Ja toch?’ Hij lacht en laat zijn chipkaart zien voordat hij weer op zijn plek gaat zitten, nog steeds lachend. ‘Ik zit je te fucken, joh.’

‘Die is gek,’ fluistert Evelien. ‘Ik wil eruit.’

Ik kijk weer naar buiten en zucht. We rijden langs een weiland. Geen treinstations in de buurt… Het eerstvolgende is Woerden, en dat duurt zeker nog een minuut of tien.

‘Kom, we gaan naar een andere coupé.’

Ik knik en zonder geluid te maken verlaten we de tweede klas. De deuren naar de volgende coupé schuiven open. Hij is helemaal leeg.

‘Mooi, alle plek,’ zeg ik opgelucht. En geen psycho die de treinreis verder kan verstoren.

 

‘We naderen volgens schema station Woerden. Deze sprinter rijdt zo meteen verder naar Gouda, Capelle aan den IJssel en Rotterdam Alexander.’

Ik kijk naar de mensen op het perron. ‘Het verbaast me dat ze hem er niet uit gooien.’

‘Echt hè?’

‘Je begint al als een Rotterdamse te klinken,’ zeg ik lachend.

Evelien woont net een maand in de Randstad, in de Alexanderpolder. Haar Brabantse zachte g is ze nog niet verloren, maar ze oefent veel op Rotterdamse uitdrukkingen, omdat ze die ‘keileuk’ vindt.

Ja, ik weet het. Met dat ene woordje haalt ze heel haar geloofwaardigheid onderuit.

 

Evelien stapt uit op Rotterdam Alexander en ik moet nog een halte verder.

‘Zie je volgende week,’ roept ze terwijl ze de coupé uit loopt.

De trein komt langzaam weer in beweging en ik zwaai naar mijn collega. Bijna thuis.

Achter me hoor ik de deur opengaan en ik draai me om. Een lange, slanke jongen gaat op de lege stoel naast de deur zitten. Verder is de coupé nog steeds leeg.

Ik kijk weer vooruit en pak mijn koptelefoon. Ik word altijd zenuwachtig van stilte, dus zet ik een Spotify-playlist op. Hits Top 50. Als ik zelf een album uit moet kiezen, krijg ik last van keuzestress, dus laat de streamingdienst maar uitmaken waar ik naar luister.

Ik zet de muziek wat harder zodat ik de piepende geluiden van de trein niet meer hoor en staar in het donker naar buiten. Diergaarde Blijdorp glijdt voorbij en ik denk aan de laatste keer dat ik er ben geweest. Ik zou nog steeds een keer terug willen voor het Oceanium. Pijlstaartvissen, schildpadden, haaien…

Met een schok knal ik met mijn voorhoofd tegen de stoel voor me en in dezelfde seconde word ik terug naar achteren gelanceerd. Ik wrijf over de pijnlijke plek boven mijn wenkbrauwen en zet mijn koptelefoon af. Nog een keer kijk ik uit het raam. We staan stil. Ik draai me om en kijk de coupé door.

De stoel naast de deur.

Leeg.

‘Beste reizigers, we staan momenteel stil omdat er aan de handrem is getrokken. De trein wordt doorzocht. Blijf tot we weten wat er aan de hand is rustig zitten.’

Mijn hart klopt in mijn keel. Ik slik en haal een paar keer diep adem.

Niks aan de hand, gewoon een of andere dronken eikel. Maar waar is die jongen die achter in de coupé zat dan gebleven?

Op het moment dat ik weer achteromkijk gaat de deur open. Een mannelijke en een vrouwelijke conducteur lopen met grote passen het gangpad door. Ik wil mijn mond opendoen om te vragen wat er aan de hand is, maar ze lopen onverstoorbaar door en verdwijnen in de kleine hal en dan in de volgende coupé.

Ik kijk op mijn telefoon. Het is al over middernacht en ik ben echt moe. Hoelang gaat dit duren?

Wanneer ik weer achterover leun, doe ik mijn ogen even dicht. Had ik maar de trein van tien minuten eerder genomen, dan was ik nu allang op Centraal geweest en had ik de tram die me naar de Schiekade zou brengen gepakt.

Ik open mijn ogen.

Donker.

Ik knipper, maar zie alleen contouren. Buiten is zwak licht van een lantaarnpaal te zien.

Mijn vingers gaan naar mijn linkerpols. Boem, boem, rust. Boem, boem, rust. Boem, boem, boem, boem, rust.

Langzaam blaas ik uit, maar ik kan het opkomende zeurende gevoel in mijn onderbuik niet negeren.

Ik zit alleen in een donkere coupé, de trein staat stil omdat een of andere idioot aan de handrem heeft getrokken en het is midden in de nacht.

Gekuch. Achter in de coupé.

Ik hou mijn adem in en draai me geruisloos om. Door de spleet tussen de stoelen probeer ik iets te ontdekken.

Beweging. Ik zie iemand heen en weer bewegen.

Hij hoest en dan is het weer stil.

Oké, rustig blijven. Het is gewoon die jongen die er al eerder zat. Hij was vast even naar het toilet en is nu weer op zijn eigen plek gaan zitten.

Ik schrik op van een voorbijrazende trein. Dan is het weer stil. Op af en toe wat gekuch na.

Dat steeds dichterbij lijkt te komen.

Shit.

Met een soepele beweging zak ik van mijn stoel op de grond en ik probeer me zo klein mogelijk te maken. Ik heb donkerbruin haar, een zwarte jas aan… misschien weet hij niet dat ik hier zit. Hij loopt vast door naar de volgende coupé, waar Evelien en ik eerder vanavond zaten.

In stilte vervloek ik mijn collega omdat zij degene is die met het idee kwam om op te staan en hier te gaan zitten. Ik zit liever in een overvolle coupé dan in een lege, in een trein die stilstaat en waarvan de verlichting uit is gevallen en conducteurs op zoek zijn naar degene die het vervoersmiddel heeft gestopt.

‘We gaan zo weer rijden, hoor.’

Iets wat lijkt op een stroomstoot gaat recht door mijn lijf en ik schiet rechtop, waardoor ik weer op mijn stoel zit. Het zwakke licht van buiten laat vaag de contouren van de jongen zien, die op de stoel naast me is gaan zitten.

Slikkend probeer ik het slijm in mijn keel weg te krijgen, maar ik kan hem alleen maar zwijgend aankijken.

‘Rustig maar, meisje.’ Zijn stem klinkt raspend en ik voel zijn zweterige hand op mijn linkerwang. Strelend, aaiend. Ik schuif verder naar rechts, tot ik niet verder kan en tegen het koude raam aan zit.

‘Rot op,’ fluister ik, maar meteen word ik boos op mezelf. Niet uitdagen! Niet uitlokken! Straks steekt-ie je hartstikke neer en niemand die het ziet.

Hij lacht. ‘Ik doe je niks, hoor. Voor mij hoef je niet bang te zijn.’

Het zorgt er echt niet voor dat ik ontspan.

‘H-heb…’ begin ik, ‘heb jij aan de handrem getrokken?’

‘Ja, dat was ik,’ antwoordt hij in een zucht.

‘En het licht?’ wil ik weten.

Mijn ogen zijn al een beetje aan het donker gewend en ik zie dat hij met een zweem van een lach knikt.

‘Zo meteen komen de conducteurs deze coupé in en in de hal achter ons zullen ze het licht aandoen. Ze zullen denken dat het om een foute grap gaat en een seintje geven aan de machinist dat hij weer kan gaan rijden.’ Hij blijft even stil. ‘Dan komen we op het mooie Rotterdam Centraal aan. De eindbestemming.’

‘En dan stappen we allemaal uit en kunnen we naar huis?’ Langzaam voel ik het angstige gevoel uit me weg glijden. Zie je wel, het was een stomme grap van een… nou ja, ik kan niet zeggen dat hij dronken overkomt. Hij lijkt heel kalm en zeker. Als iemand die weet dat er straks iets veel ergers gaat… ‘Wat gebeurt er als we op het Centraal Station aankomen?’

Hij hoest opnieuw.

Dat zou ik na laten kijken, wil ik zeggen, maar alles schreeuwt dat dit code rood is.

‘Je zult er bijna niks van merken,’ zegt hij. ‘Het is snel voorbij.’

‘W-wat? Wat is snel voorbij?’

Ik voel de haartjes op mijn armen met een ruk omhoogkomen en ik ril.

‘De pijn.’

Een geladen stilte hangt tussen ons in.

Welke pijn? denk ik. Dan pakt hij mijn hand vast en ik ben bang dat ik weet op welke plek hij zo landt.

Ik wil hem een schop geven, precies daar, maar dan voel ik het. Een soort parachutestof. Vakjes.

Draden.

‘Nog voordat de deuren opengaan… BOEM,’ gaat hij verder.

Wanneer hij even stil is, zitten we gewoon naast elkaar te zitten. Alsof hij een willekeurige passagier is die de laatste lege plek in een overvolle coupé heeft bemachtigd. Niet een man die bewust naast me plaats heeft genomen. Niet een man die over enkele minuten mijn dood zal betekenen.

Voetstappen en twee bundels licht komen dichterbij. De conducteurs. Ik zie dat de jongen naast me zijn jas dichthoudt, met zijn armen over elkaar, en mijn hart begint weer sneller te kloppen, alsof hij elk moment kan exploderen. Net zoals de bom.

De jongen leunt tegen me aan en fluistert dat ik naar buiten moet kijken totdat ze aan het einde van de coupé zijn.

Het licht schiet aan en precies zoals hij had gezegd komt de trein in beweging. Er wordt omgeroepen dat het waarschijnlijk een technische storing is en dat we over enkele minuten de eindbestemming zullen bereiken.

‘Showtime,’ fluistert hij.

Ik kijk naar hem, nu het licht weer aan is. Zijn groene ogen staan vriendelijk, zijn mondhoeken wijzen omhoog. Hij heeft een nette broek en overhemd aan. Glanzende schoenen. Het is een mooie jongen.

Hij ziet de verwarring in mijn ogen. ‘Voldoe ik niet aan het beeld dat je van me had? Stel ik je soms teleur?’

Snel schud ik mijn hoofd en terwijl ik dat doe zie ik uit het raam tegenover ons het bekende groene Albeda-gebouw.

Hij staat op en loopt het halletje in. Zijn jas gooit hij op de grond en nog voordat de trein stilstaat, begint hij te roepen en loopt hij de volgende coupé in.

Door het kleine raam in de deur zie ik zijn rechterhand naar zijn buik gaan en instinctief ren ik naar achteren, zo ver mogelijk van hem vandaan.

Maar het is al te laat. Ik hoor een knal. Harder dan wat ik ooit heb gehoord. Het duurt waarschijnlijk maar een seconde, maar voor mijn gevoel is de tijd vertraagd. Een schokgolf raast door de coupé en ik voel dat mijn lichaam wordt opgetild. Ik vlieg gewichtsloos door de ruimte terwijl een hitte mijn lijf lijkt te verschroeien. Dan begint de pijn door al mijn botten, spieren en pezen te trekken, en langzaam wordt mijn val ingezet.

Ik heb de dood in de ogen gekeken, denk ik terwijl ik val, maar mijn eindbestemming heb ik nog niet bereikt. Dat kan niet. Dit is niet het einde.

 

Vond je dit een mooi verhaal? Like, volg en deel het dan met je vrienden en familie!
We zijn ontzettend benieuwd naar jouw eigen verhaal over Rotterdam! Doe je ook mee met de RotterdamSchrijft schrijfwedstrijd? Je kunt toffe prijzenpakketten winnen! Meer informatie www.rotterdamschrijft.nl