Hoofdstuk 1 ~ Samira

De boer op

Hoofdstuk 1 ~ Samira

Meneer Snoetje ligt nog op de vensterbank te slapen als ik met een thermoskan vol gemberthee in mijn ene hand en met een sporttas in mijn andere de voordeur achter me dichttrek. De wereld buiten is nog donker. Niet omdat ik zo vroeg opgestaan ben, nee – omdat op een wietzolder een paar straten hiervandaan de stoppen vannacht zijn doorgeslagen en nu de hele wijk zonder stroom zit.

En. Dat. Natuurlijk. Alleen. Vandaag.

Een zucht wind giert langs me af en de deur valt hard in het slot. Kut, boven staat nog een raam op een kier. Jammer dan. Geen zin en geen tijd om daarvoor terug naar binnen te gaan. Ik draai de sleutel een paar keer om, werp een snelle blik in de brievenbus en loop naar mijn auto. Gelukkig zit er geen vorst op de voorruit; dan had ik moeten krabben en was ik nóg later geweest. Ik leg mijn sporttas voor de kickboksles van vanmiddag op de achterbank en kruip achter het stuur. De paarse dobbelstenen onder de achteruitkijkspiegel bungelen als ik met mijn billen op het zitvlak neerplof. De thermoskan zet ik in een bekerhouder en ik start de motor. Mijn telefoon frot ik in de carkit en mijn schoudertas gooi ik op de bijrijdersstoel. Ik zie nog net hoe Meneer Snoetje één oog opent en me oordelend nakijkt als ik mijn auto achteruit steek en van de parkeerplaats af rijd. Rotkat.

Ik rijd de wijk uit. Eindhoven uit. De file in. Net voordat ik het industrieterrein op rijd, belt Ans van Administratie voor de tweede keer in een half uur tijd. De eerste keer was toen ze me uit bed belde om te vragen of ik al van de stroomuitval had gehoord. Welke stroomuitval? had ik geeuwend geantwoord.

Ans begroet me kort en steekt meteen van wal. ‘Ik heb de ordner gevonden.’

‘Hè? Wat? Welke?’ vraag ik afwezig terwijl ik in mijn spiegels kijk en mijn knipperlicht aanzet om uit te voegen. Ogen open, Sami. Dat Golfje achter je zit te bumperkleven.

‘Die voor je promotie. Je vroeg er vanochtend nog om.’

‘Oooo!’ Dé ordner. Dé promotie. De promotie die ik helemaal niet krijg als ik nog te laat kom ook. Nee, adem in, adem uit, Sami. Je komt nóóit te laat. Dat de buren een wietzolder hebben, is niet jouw schuld. Je doet je werk toch altijd goed? Je hebt deze maand al twintig overuren gemaakt. En je hebt bijna geen concurrentie – met uitzondering van Patrick, maar die is niet langer dan drie maanden in vaste dienst. Kom op, negeer de zenuwen. Iedereen gunt het je. Die promotie is zo goed als binnen. Jij. Krijgt. Die. Promotie.

‘Zal ik ‘m op je bureau leggen?’

De promotie? O, de ordner natuurlijk. ‘Graag, Ans. Tot zo.’ Ik hang op. Alert blijven, Sami, je bent er bijna. Nu tegen een andere weggebruiker aan rijden zou desastreus zijn. In de verte toornt het kantoorpand boven de andere gebouwen uit. De rand van het dak is fel verlicht. LMA-Tec. Bijna tweehonderd medewerkers in Eindhoven, en nog drie vestigingen in het buitenland, ook met elk ruim honderd medewerkers. Ruim tachtig procent mannelijk. Eenmaal in de parkeergarage ren ik naar de liften. En weer terug naar mijn auto als ik tot de ontdekking kom dat ik mijn gemberthee ben vergeten. Klasse. Zelfs een kip zonder kop rent gerichter op haar doel af. Ik druk op alle knopjes, maar het is spitsuur in de liften en de dichtstbijzijnde bungelt ergens tussen de tiende en de elfde verdieping. Ik hinkel van het ene op het andere been terwijl ik de dop van de thermoskan opendraai en mijn ogen geen seconde losscheur van de liften. Ik kuch. Mijn keel voelt nog verschrompelder aan dan een gedroogde abrikoos. Het zijn de zenuwen, besef ik, en neem een slok thee. Heet, heet! Een dun straaltje glijdt mijn decolleté in en met mijn mouw veeg ik de theedruppels van mijn kin. Uit mijn schoudertas pak ik een tissue die ik tussen mijn borsten prop zodat de theedruppels niet in mijn blouse trekken. Gelukkig heb ik geen vlekken op mijn witte blouse gemaakt, maar voor de zekerheid maak ik het bovenste knoopje open en ik blaas mijn decolleté droog.

PING. De rechter lift komt tot stilstand en de deuren glijden open. Ik wurm me naar binnen nog voordat de deuren volledig geopend zijn en ik druk met geweld op het knopje voor de zesde verdieping. Natuurlijk stopt de lift op elke verdieping tot de zesde en schuiven mensen treuzelend in of uit de muffige metalen kooi. Met de trap was ik sneller geweest, bedenk ik zuchtend wanneer ik ein-de-lijk de gang van de zesde verdieping op storm, maar aan de andere kant: dan zou ik ook met een hoofd als een gloeilamp en een rug als een klamme vaatdoek die presentatie moeten geven. Al snelwandelend vis ik mijn telefoon uit mijn broekzak. Gemiste oproep van Ans; ik loop straks wel even naar haar bureau. Nog een kwartier voordat de vergadering begint. Meneer Van Diepenbeek zal de vergadering openen, daarna houd ik mijn presentatie en na mij komt Patrick. Als laatst mag de afdeling stemmen welk plan ze het best vinden – dat van mij, hopelijk. Nee, niet “hopelijk”. Ik weet het gewoon. Ik heb er wekenlang van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat aan gewerkt.

De deur naar mijn gedeelde kantoor staat op een kier. Sanne zit op het puntje van haar bureaustoel met een mok koffie zo groot als een vissenkom naar haar computer te staren. Ze omklemt de mok met beide handen en blaast zachtjes. De voorste lokken van haar schouderlange, donkerblonde haar heeft ze achter haar oren gestoken. Zonder van haar scherm op te kijken, zegt ze: ‘Jij bent laat.’

‘Goed geobserveerd, Sherlock.’ Ik plof mijn schoudertas op mijn bureau, zet mijn thermoskan ernaast en hang mijn jas aan de kapstok. De donkergroene ordner ligt kaarsrecht naast mijn toetsenbord. In feite ligt alles op mijn bureau kaarsrecht. Een georganiseerd bureau is een georganiseerd hoofd, heeft een of andere wetenschapper ooit gezegd, en het is een goede manier om te laten zien hoe serieus ik mijn werk neem. ‘Er was een stroomuitval. Ik heb me in het donker moeten aankleden en het water voor de thee heb ik in een steelpannetje op het gasfornuis moeten koken.’ Ik pak mijn thermoskan en ga in mijn bureaustoel zitten. Even op adem komen.

Sanne kijkt me meelijwekkend aan en zet haar vissenkom-slash-mok neer. ‘Je hebt mascara op je wang. Hier.’ Ze wijst de plek aan en gooit me een make-updoekje toe.

‘Bedankt. Het was zo hectisch vanmorgen. Meneer Snoetje! Shit, ik ben dat beest vanochtend vergeten te voeren.’ En dat is niet de eerste keer. Stiekem hoop ik dat dat mormel op een dag beseft dat hij ergens anders beter af is en hij zijn kans schoon ziet wanneer ik thuiskom en de voordeur op een opzettelijk grote kier laat staan.

‘Dat arme beestje! Ik snap niet dat Milan hem zomaar achter kon laten.’ Dat was ik even vergeten. Sanne is dol op katten. Ze heeft er drie of zo.

‘Ik geef het niet graag toe, maar ik snap Milan wel. Die rotkat krabt, bijt en hij plundert mijn keuken. Ik moet de stoelen voor de kastjes schuiven omdat dat gedrocht anders elke kruimel oplikt die hij tegenkomt.’

‘Dan moet je hem ook niet vergeten te voeren.’

‘Hij is nog ronder dan een voetbal. Een dieet zou juist goed voor hem zijn.’

‘Hé,’ gaat Sanne verder, ‘als ik jou was, zou ik naar die vergadering gaan.’

‘Ik heb nog tien minuten.’ Ik neem een slok thee. Mijn keel is nog steeds gortdroog. Misschien moet ik tegen Sanne zeggen dat ik even stop met praten. Ze kijkt me met opgetrokken, perfect geëpileerde wenkbrauwen aan. ‘Ans heeft je toch gebeld? Van Diepenbeek heeft het druk en wil eerder beginnen.’

‘Wát?’ zeg ik en ik verslik me. Tering! Wat heb ik vandaag? Misschien is het karma omdat ik die kat laat verhongeren. Nog hoestend gris ik de map en mijn tas van het bureau en haast me naar de vergaderruimte aan het eind van de gang. Ik voel de theedruppels vanuit mijn luchtpijp mijn slokdarm in glijden en schraap mijn keel een keer grondig. Ik knik naar Pieter en Harold bij de snackautomaat, kam een keer met mijn vingers door mijn haar en blijf stokstijf voor de gesloten deur staan. Binnen klinkt gepraat. Gelach. Zouden ze het over mij hebben? Lachen ze me uit? Stop. Stop. Zo moet ik niet denken. Misschien zijn ze nog niet begonnen met vergaderen. Net wanneer ik op de deur klop, klinkt er een applaus dat mijn geklop overstemt. Misschien zijn ze zo druk bezig met applaudisseren dat het niet eens opvalt als ik nu aanschuif. Ik plaats mijn hand op de klink – oké, nu! – en open de deur. Van Diepenbeeks zware stem buldert door de vergaderruimte. ‘Wat een geweldige bijdrage. Bedankt, Patrick – Aha! Daar zal je mejuffrouw El Hamdaoui hebben. Ans vertelde al over de stroomuitval. Was dat wietzoldertje van jou, Samira?’ Hij lacht zijn koffiebruine tanden bloot.

‘Nee, meneer.’ Ik schuifel onhandig naar de enige lege plaats aan de tafel. Ik glimlach, althans, dat probeer ik, want de zenuwen steken weer de kop op en een gespannen giechel rolt in mijn keel omhoog. Ik weet nooit zo goed hoe ik op Van Diepenbeek moet reageren. Hij is een vieze, vuile, gore, xenofobe seksist – en ook mijn baas. Ik gluur even naar de andere kant van de tafel waar Patrick een schouderklopje krijgt van Hans. Patricks grijsblauwe ogen zijn groot van verwondering en hij glimlacht opgelucht. Als hij een staart had gehad, zou hij nog kwispelen ook. Ik kijk naar Patrick alsof ik verwacht dat Hans hem zo een aai over zijn bol geeft.

‘We hebben de presentatie van Patrick maar voor laten gaan.’ Als een zelfvoldane walrus gaat Van Diepenbeek achterover in zijn bureaustoel hangen, zijn worstvingers vouwt hij ineen op zijn welvaartsbuik. ‘Je was de presentaties toch niet vergeten, hè? Heb je je wel voorbereid voor vandaag?’

Ik knik hevig. Ik bereid me al weken voor. Dit is mijn grote dag. Ik pak mijn usb-stick uit mijn tas, klem de ordner onder mijn arm, loop naar de computer en start de presentatie op. Tweeëntwintig paar mannenogen staren me aan. Meer dan de helft van de gegadigden ken ik niet eens bij naam.

‘Dus, eh,’ begin ik en ik schraap mijn keel nog eens.

Hoofdstuk 1.2 ~ Samira