13 en 14 mei 1940

Het Bombardement 1940

13 en 14 mei 1940

Geschreven door: Felice de Man op 04/02/18

 

13 mei 1940

Lief dagboek,

Vandaag is er veel gebeurd. Mama is met spoed naar het Coolsingelziekenhuis gebracht met de ambulance. Ze is hoog zwanger en ik krijg dus bijna een broertje of een zusje! Dat vind ik heel erg spannend en leuk.

Het is extra spannend omdat Nederland sinds een paar dagen in oorlog is met Duitsland. De landen om ons heen voeren oorlog. Gelukkig probeert Nederland zoveel mogelijk neutraal te blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog vertelden opa en oma. Anders wordt mijn broertje of zusje in oorlogstijd geboren.

Het is zo onwerkelijk want in de stad is alles hetzelfde. Van de oorlog is amper iets te merken. Alleen bij de Maasbruggen en de Willemsbrug zien we veel mariniers met machinegeweren de wacht houden. Om ervoor te zorgen dat er niets kan gebeuren.

Als de baby komt, ben ik eindelijk geen enig kind meer. Dan kunnen we samen met mijn treinbaan spelen die ik voor mijn verjaardag heb gekregen. Of we kunnen vanaf het balkon naar de grote boten en het Noordereiland kijken.

Ik zit nu in het ziekenhuis met papa. Mama ligt op het witte ziekenhuisbed, terwijl wij naast haar bed zitten. Papa leest de krant. Het Rotterdams Nieuwsblad van 10 mei. Hij vertelt dat de Duitsers onaangekondigd met grenstroepen ons land binnen zijn gevallen. Duitse parachutisten vermomd in Nederlandse uniforms zijn in het binnenland uit vliegtuigen gesprongen en hebben Nederlandse soldaten omsingeld en vernietigd. Duitse vliegtuigen hebben geprobeerd te landen op Nederlands grondgebied. Nederland heeft goed stand gehouden. Ik ben niet bang.

Ik ben dus in mijn dagboek aan het schrijven. De zuster die net even langs kwam vertelde dat mama een nachtje in het ziekenhuis moet blijven slapen. Ze zei dat wij maar beter naar huis konden gaan en dan morgen weer langs mogen komen. Papa en ik gaan even afscheid nemen dus als ik zo thuis ben schrijf ik verder.

Daar ben ik weer. Ik zit op het balkon. Dat is mijn favoriete plekje omdat je zo’n prachtig uitzicht hebt op het Noordereiland. De boten komen constant voorbij. De zon schijnt en de wind waait zachtjes door mijn haren. Ik kan hier zo eeuwig blijven zitten. Oh, papa roept, hij zegt dat het eten klaar is. We eten aardappelen met doperwtjes.

 

14 mei 1940

Lief dagboek,

Ik ben net wakker. Ik kon gisteravond moeilijk in slaap vallen omdat ik de hele tijd aan mama moest denken. Papa en ik gaan vanmiddag pas naar haar toe. Maar ik kan niet wachten om haar te zien! Misschien krijg ik vandaag wel een broertje of een zusje! Het is Pinkstervakantie. Ik denk dat ik mijn beste vriend Jan zo even ga ophalen. Dan kunnen we misschien met mijn nieuwe treinbaan spelen. Maar eerst ontbijten en aankleden.

Vlak voordat we naar het ziekenhuis willen gaan, bonken er Nederlandse mariniers op onze voordeur. Ze komen vertellen dat ze ons huis in beslag nemen omdat ze vanuit ons huis heel goed op de uitkijk kunnen staan.  Vanaf ons balkon kun je de hele rivier en stad in de gaten houden. De zwarte duivels is de bijnaam van de Nederlandse mariniers. Stel je voor! Echte soldaten in ons huis! Wat spannend! Ik moet in de keuken blijven want ik mag niet in de weg lopen.

Het is inmiddels middag geworden. Eindelijk mogen we naar mama. Maar papa gaat alleen naar mama in het Coolsingelziekenhuis. Hij zegt dat het veel te gevaarlijk voor mij is om mee te gaan. Dat vind ik onzin want ik ben helemaal niet bang.

Ik voel dat er iets gaat gebeuren en ik wil het niet missen! Ik hoor de soldaten praten. Ik sluip naar de woonkamer zodat ik de soldaten beter kan horen praten. Ze hebben het over de Duitsers. Ze schelden. Een van de mannen met een erg zware stem zegt dat de Duitsers al onderweg zijn met bommenwerpers. Ik schrik me rot! Ik verraad mezelf bijna doordat ik mijn dagboek laat vallen. Ik kan mijn dagboek nog maar net opvangen. Het was op het nippertje.

Ik bedenk me dat boven op zolder, waar mijn treinbaan staat, een klein raampje is waar je uitzicht hebt op het balkon, de rivier en het Noordereiland. Ik zie de soldaten druk praten en ze houden de omgeving goed in de gaten. Ik vind het echt spannend.

Ik denk aan mama en papa. Zal de baby al zijn geboren? Zijn ze wel veilig? Kan ik helpen? Ik sta nu al ongeveer een halfuur uit het raampje te kijken. Het luchtalarm gaat af! En ik zie een donkergroen vliegtuig vliegen. Ik zie verderop een gebouw in puin vallen. Er is veel rook en een groot deel van de stad staat in brand. Ik hoor keiharde knallen. Ik ben heel erg bang. Er gebeurt zoveel… ik kan haast niet zo snel in mijn dagboek schrijven.

Maar waar zijn papa en mama toch? Ik durf ze niet te gaan zoeken. Misschien is het ziekenhuis ook wel gebombardeerd. Ik word hier gek! Ik weet niet wat ik moet doen en ik ben zo bang!

’s Avonds laat wordt er aangebeld. Ik zit nog steeds op zolder uit het raam te kijken. Ik zie een verwoeste stad. Alles ligt plat. Sommige gedeeltes van de stad staan nog in brand. Ik loop naar de deur en tot mijn grote opluchting zijn dat papa en mama… met de baby!!! Ik ben zo opgelucht en blij om hen te zien!

De baby ligt te slapen. Mama ligt ook te slapen. Papa vertelt mij dat ik een broertje heb! Hij heet Cornelis Pieter de Back. Papa en mama zijn vanuit het ziekenhuis gevlucht. Naar de schuilkelder. Daar is mijn broertje dus geboren. Papa vertelt ook dat de zusters in het ziekenhuis met witte vlaggen op het dak van het ziekenhuis hebben gestaan. Maar er is weinig van het Coolsingelziekenhuis over. Ik ben zo blij dat papa en mama niet gewond zijn en dat ik een broertje heb. Papa en mama zijn dus met de baby door de brandende en verwoeste stad gelopen!

Ik ben nu vooral heel erg moe dus ik ga slapen en stoppen met schrijven. Als we morgen bij oma en opa in het Noorden van het land zijn aangekomen schrijf ik verder.

 


Geschreven door Felice de Man