Opa Rotjeknor

Opa Rotjeknor

Opa Rotjeknor

‘Kijk opa, dan moet deze hier en die daar.’ Bram, mijn kleinzoon, houdt de puzzel omhoog die hij in elkaar aan het zetten is. Een ingewikkeld 3-D ding. Vanmiddag kwam hij ineens met die doos onder zijn arm binnen. Ernstig keek hij me aan. Bedenkelijk keek ik terug. ‘Ben je niet een beetje te oud voor een puzzel’ vroeg ik. ‘Het is niet zomaar een puzzel, opaatje, deze is speciaal. Die heb ik met een reden voor u gekocht. Een soort….cadeau’ hij leek te twijfelen of cadeau wel de juiste woordkeus was. Met een lichte aarzeling vroeg ik naar de speciale reden van dit geschenk. Er kwam niet meteen antwoord.

Terwijl hij aan de puzzel begon zei hij voorzichtig: ‘Als hij klaar is, opa, wil ik graag dat u hem overal mee naartoe neemt.’ Aftastend keek hij me vanonder zijn blonde haarlok aan. ‘Ik kan maar één plekkie bedenken waar ik nog naartoe ga jongen’ reageerde ik op zijn woorden. ‘Weet ik toch, dat bedoel ik juist. Daar moet het mee naartoe.’ Even keek hij de andere kant uit. Beschamend? Verontschuldigend? Verdrietig welzeker. ‘Ik ga ervoor zorgen dat deze voor altijd bij u blijft, met u meegaat als u…’ weer stopte hij even, opnieuw zoekend naar het juiste woord. Toen hij het gevonden leek te hebben sprak hij het echter niet uit. ‘U weet wel, voor als het zover is.’ Stilletjes ging hij verder aan zijn werk wat klaarblijkelijk vandaag nog af moest komen. Af en toe haalde hij zijn neus op of veegde met een woest gebaar langs zijn ogen.

Woorden van Jules Deelder - Je moet heel jong dood, of net heel oud. Tussenin maakt namelijk geen indruk- vullen vanuit het niets mijn gedachten. Ik ben jong noch oud, maar mijn naderende dood zal wel degelijk indruk maken op de tiener die hier aan tafel zit. Met het puntje van zijn tong tussen zijn lippen is hij geconcentreerd bezig om de puzzelstukjes op de juiste plek te krijgen. Lieve, stoere Bram. Liefkozend noemt hij me al jaren opa Rotjeknor. Om de simpele reden dat ik in Rotterdam woon en hij niet.

Ik zie ons nog zo lopen, op weg naar zijn eerste thuiswedstrijd in de kuip. Zijn handje stevig in de mijne. We waren kameraden, Bram en opa, hand in hand voor Feyenoord 1. Bram was nog een klein ventje, die eerste keer bij de ploeg van rood en wit. Toen ik hem meenam om kennis te laten maken met de spanning en de sfeer. Mijn dochter was minder blij dat ik haar zoon al op zo’n jonge leeftijd meenam naar de kuip. Maar veel keus had ze echter niet. Als alleenstaande moeder had ze me nodig om op Bram te passen. Als zo’n oppasdag dan op zondag viel, ging hij gewoon met me mee. Want de zondag was heilig en daar zette ik niets voor opzij. Het was evengoed geen straf om Brammetje mee te nemen naar de trots van zuid. Hij zocht een plekkie in de zon en genoot van de aandacht die hij kreeg van mijn maten. ‘Hé Bram’ riepen die ‘lekker met opa mee, jongen. Nou geniet er maar van hoor. Iets mooiers dan dit zal je nooit beleven. Kijk, bram, daar komen ze op het veld.’ Het gejuich wat uit duizenden kelen ten gehore werd gebracht, deed Bram versteld staan. Zijn lipje begon te trillen bij het horen van zoveel lawaai, maar snel stelde ik hem gerust. ‘Bram, als de sterrenploeg gaat spelen dan is altijd wat je hoort, het lied van Feyenoord.’ En ook al kon kleine Bram er op dat moment nog niet veel van begrijpen, hij knikte alsof hij dat wel deed. Wat was ik trots op hem. Ik keek naar hem, hoe hij daar zo gezellig zat tussen de grote mannen op de tribune. Hoe hij keek naar de bal, die langs de lijn ging. Naar zijn genietende smoeltje als het stadion wild tekeer ging. Het zou niet lang duren voor ook Bram uit volle borst meezong met heel Feyenoord als het doelpunt werd gescoord. Nog voor Bram de leeftijd van zes jaar had bereikt was hij besmet met het virus en was hij één van de jongens. Iedere week ging hij mee en ook voor hem werd de zondag heilig. Of in de kuip of tijdens een uitwedstrijd thuis aan de radio gekluisterd om de wedstrijd te volgen. We vierden samen hoogtepunten mee en gingen door diepe dalen als het even niet zo goed ging met ons cluppie. Zijn bloed ging sneller stromen bij het horen van de naam van zijn club. Feyenoord was hem door opa met de paplepel ingegoten. Feyenoord zit in zijn bloed, in zijn hart, hij gaat ermee naar bed en staat ermee op. Net als ik.

Helaas zal er snel een dag komen dat ik niet meer wakker wordt. Noch voor Feyenoord, noch voor Bram. Mijn Feyenoordbloed zal gestold met me mee het graf ingaan. Met weemoed denk ik aan de jaren die achter me liggen. Als jonge vent met stekels en een matje in mijn nek ging ik met de tram naar centraal station. Ik woonde praktisch naast het stadion maar vond de sfeer die de stationshal domineerde prachtig en de voorpret fantastisch. Niets wilde ik ervan missen. Samen met mijn voetbalmaten stapte ik in de supporterstrein die ons naar het stadion bracht. Een aantal biertjes had ons al in jolige stemming gebracht. Of in een barse, grimmige stemming, als Amsterdam op bezoek kwam. De saamhorigheid die de kuip vulde in aanvang naar de wedstrijd bezorgde me keer op keer kippenvel. Het vak waar ik lange tijd gestaan heb, op vakkie S, stond bol van de testosteron en adrenaline. Later verruilde ik mijn seizoenkaart van S voor een ander, rustiger vak. Mijn maten verhuisde mee. We werden niet wijzer, wel ouder, en voelden ons meer op het gemak in een vak waar ook gezinnen kwamen. Het was een fijn vak om je kleinzoon mee naartoe te nemen.

‘Opa…opa’  Bram staat voor me en houdt de puzzelbal omhoog. Hij is klaar. De bal is vuurrood, met het mooie embleem van Feyenoord erop. Samen bewonderen we het pronkstuk en uiteindelijk zet Bram hem op de vensterbank. Zodat ik niet alleen ik, maar ook de mensen die langs mijn huis lopen, de puzzelbal kunnen bewonderen. Ik merk op dat hij dan misschien zal verkleuren door de zon, maar Bram haalt zijn schouders erover op. ‘Geeft niet opa, hij wordt straks toch ook lelijk, als hij heel de tijd buiten staat.’ Ik sla mijn arm om de jongen heen en trek hem tegen me aan. ‘Bedankt lieve jongen, ik ben heel gelukkig met dit bijzondere cadeau. Dat je voor mij met een speciale bedoeling hebt gekocht.’ Weer veegt Bram met zijn mouw langs zijn ogen en vraagt met overslaande stem of ik nog eens zijn favoriete verhaal wil vertellen. Ik ben eigenlijk te moe en te zwak voor dit lange verhaal. Maar voor Bram doe ik alles. Naast Feyenoord is Bram mijn grote liefde. Heel subtiel probeer ik het verhaal toch iets in te korten. ‘Het was 31 mei. De dag van de laatste, beslissende, wedstrijd om de landstitel van 1993 te behalen. We gingen met een groep naar Groningen.’ Begin ik. ‘Een grote groep, opaatje, niets weglaten hé, ik wil het hele verhaal horen. Misschien is het wel de laatste...’ midden in zijn zin stopt hij en beschuldigend kijkt hij me aan. Ik weet dat het niet om de weggelaten tekst gaat. Zijn onuitgesproken woorden hangen drukkend tussen ons in. De jongen heeft het zwaar maar doet zijn best de werkelijkheid onder ogen te zien. Vervolgens vertel ik, met alle energie die nog in me zit, het verhaal wat hij al honderden keren heeft gehoord.

‘Een van de jongens had goedkope kaartjes op de kop weten te tikken. Uiteraard bleken die bij aankomst vals te zijn maar door de chaos die rond het stadion hing kwamen we toch binnen. Niet allemaal in hetzelfde vak en een aantal zelfs in het vak van de tegenpartij. Het maakte allemaal niks uit. We waren erbij en gingen het live meemaken. In de ogen van mijn maten zag ik mijn eigen euforie weerspiegeld. Met een 5-0 overwinning voor Feyenoord begonnen we aan de lange reis terug naar Rotterdam. De trein reed over de rails met zingende, juichende, gelukzalige, blije, joelende supporters in zijn treincoupés. Ik stak mijn kop uit de trein en liet de wind met mijn lange haren spelen. Een blik bier miste op een haar na mijn hoofd. Toen ik mijn hoofd terug naar binnen trok zag ik zelfs een schoen voorbij vliegen. Halverwege de rit zakte de uitzinnige scharen fans voldaan in een overwinningsroes en liet zich gelaten in vervoering meedeinen door de cadans van de voortdenderende trein. Bij het naderende eindpunt, daar waar de indrukwekkende, markante constructies de stad Rotterdam karakteriseren, herpakten we ons buitensporig enthousiasme weer op om de huldiging tegemoet te treden. De binnenstad zinderde van onverhulde opwinding. Het feest was al in volle gang toen we eindelijk de Coolsingel bereikte. Tweehonderdduizend mensen hadden zich op die plek verzameld. Er was geen doorkomen aan. De uitzinnige menigte week niet uiteen om ons door te laten naar het speciale vak onder het bordes wat voor meegereisde supporters was vrij gehouden. Iets waar we feitelijk wel op gerekend hadden. Wij waren er immers bij geweest, in het stadion van Groningen hadden we onze mannen hoogstpersoonlijk van support voorzien. Het maakte geen indruk en van verschillende kanten werd ons bovendien toegeroepen dat we dan maar eerder hadden moeten komen, als we vooraan hadden willen staan. We besloten uiteindelijk het feest te vieren in de fontein op het Hofplein. Daar kwam ik een vent tegen met maar één schoen. Hij vertelde dat zijn andere schoen kwijt was geraakt in de trein terug naar Rotterdam. Het maakte hem niet uit, niets maakte iemand meer uit. Onbezonnen dronken we bier en ver nadat de huldiging afgelopen was ging ik voldaan en ladderzat terug naar zuid.’

Afgepeigerd laat ik mijn hoofd hangen. Een glimlach siert mijn gezicht ter nagedachtenis aan dit verhaal. Voorzichtig duw ik Bram van de bank en ga liggen. ‘De rest is je welbekend, Bram. Ik ben moe. Zo moe, ik ga slapen. Het is genoeg geweest.’ Niet veel later, of misschien toch later dan ik dacht, hoorde ik mijn voordeur voorzichtig dichtgaan.

De begrafenis vindt plaats op de laatste dag van mei. Bram vertelt zijn geliefde verhaal aan de bedroefde club mensen die allen in rood/wit aan het graf zijn verschenen. De puzzelbal is als een gedenkteken in giethars gegoten en krijgt een ereplek op het graf van zijn dierbare “Opa Rotjeknor”.