Bericht voor de deur

"BERICHT VOOR DE DEUR....."

Bericht voor de deur

Begin jaren ’80 van de vorige eeuw werkte ik als jonge politieman op politieureau Slinge in Rotterdam, de voorloper van het huidige bureau Zuidplein. In het verzorgingsgebied reden de 701, de 702 en in deeltijd, de 705 om meldingen te rijden op afroep van de politiemeldkamer. In hoofdlijnen was de 701 voor Charlois, de Tarwewijk en de Zuidpleinomgeving. De 702 reed voornamelijk op Zuidwijk, Pendrecht en het gebied rondom de Waalhaven en Heijplaat en de 705 reed op bepaalde uren als extra wagen rondom de Zuidpleinomgeving. Het was de tijd waarin de Rotterdamse politie in de alom bekende Chevrolet Custom 10 Suburban reed, kortgezegd de C10.

Mijn collega stuurde de C10 behendig door de kleine straatjes van Charlois toen uit de luidspreker van de mobilofoon “RT 0701” klonk, een oproep van de politiemeldkamer. Wij meldden ons present en beschikbaar. “701, wilt u gaan naar de Katendrechtse Lagedijk …. voor een ‘bericht voor de deur’, over…..“ “HB, dat is begrepen over…..”

‘Bericht voor de deur’, de melding die eigenlijk niemand wilde krijgen en afhandelen. Doorgaans betekent het dat je een overlijdensbericht moet gaan aanzeggen. Een enkele keer heb je geluk, dan mag je een geboorte aankondigen. Er werd voor deze manier van melden gekozen om te voorkomen dat anderen met een scanner zouden kunnen horen wat de melding betrof voordat politie ter plaatse kwam. Het gebeurde met enige regelmaat dat scannerluisteraars het nieuws van een ernstige- of spectaculaire melding al verspreidden voordat de politie ter plaatse was en kon optreden.

Binnen tien minuten waren wij op het adres en zagen dat het een bovenwoning betrof. Wij meldden ons ter plaatse bij de meldkamer. Mijn hart klopte in mijn keel. Uit de speaker klonk de melding: “701 op nummer …. heeft zich een geval van suïcide voorgedaan.” “Dat is begrepen over.” Zelfmoord dus. Je hebt bij zo’n melding een bepaald verwachtingspatroon: doorgesneden polsen, ingenomen pillen, ophanging…. Wij sloten de C10 af om de bewuste woning binnen te gaan. Ondanks het feit dat de wijd geopende voordeur ons uitnodigde het pand te betreden, belden wij aan. Er kwam geen enkele reactie. Zwijgzaam liepen wij de trap op, niet wetende hoe wij de overleden persoon zouden aantreffen. Elke stap hoger, was een stap dichter bij de dood van een medemens die een zelfgekozen einde aan het leven had gemaakt.

Op de eerste etage bevond zich een woonkamer. Wij keken deze binnen door de deuropening. In de kamer liep een jongetje rond van ongeveer vier jaar oud. Hij speelde wat en leek zich in zijn eigen kinderlijke wereldje te bevinden. De emoties in de woonkamer en onze komst leken aan hem voorbij te gaan. Op de 3-zits bank zat een huilende vrouw met in haar armen een baby die zij tegen haar borst aandrukte. Tegenover haar, in een stoel, zat een huilende man. Hij leek totaal verslagen. Hij zat voorover, zijn hoofd ruste in zijn handen. Er was duidelijk iets mis, maar wat…… De mensen reageerden in het geheel niet op onze aanwezigheid of aanspreken. Het geluid van het huilen was het enige dat de ijzige stilte doorbrak. Na een kort beraad, bestaande uit enkele gebaren en knikjes naar elkaar, besloten wij de woning te doorzoeken om het levenloze lichaam te vinden. Elke deur die wij openden en elke ruimte die wij betraden deed ons de adem inhouden. Maar vreemd genoeg werd geen enkele aanwijzing gevonden, laat staan een overledene. Als laatste controleerden wij het kleine balkon van de keuken aan de achterzijde maar niemand leek naar beneden gesprongen te zijn, althans daarvan waren geen zichtbare sporen. Eerlijk gezegd was ik op dat moment meer dan opgelucht, er was geen lijk, dus kon het alleen maar meevallen. Er zat niets anders op dan terug te keren naar de woonkamer en nogmaals te proberen een gesprek aan te gaan met de nog steeds huilende mensen.

Eenmaal in de woonkamer nam ik plaats naast de huilende vrouw op de bank. Voorzichtig raakte ik haar schouder aan om contact met haar te maken. Ik zei: “Mevrouw, ik zie dat u heel veel verdriet heeft. Wij hebben de melding gekregen dat er iemand is overleden, kunt u ons vertellen wat er gebeurd is….”

De vrouw draaide haar hoofd naar mij toe. De wanhoop sprak uit haar ogen. Tranen rolden over haar wangen. Terwijl zij mij aankeek boog zij haar armen naar voren. De baby die in haar armen lag bleek te zijn overleden. Voordat het echt tot mij doordrong dat er geen sprake van zelfdoding was maar het een overleden baby betrof, drukte zij de baby weer stevig tegen zich aan alsof zij het lichaampje nooit meer los wilde laten. De vrouw huilde nog hartverscheurender dan zij daarvoor deed. Het kindje was naar later bleek pas zes weken oud. Ik zat verstijfd op de bank naast de wanhopige moeder en vocht tegen mijn tranen. Ik kon niets meer doen, helemaal niets. Binnen luttele seconden liepen de tranen ook over mijn wangen. Ik kon het gewoon niet stoppen. De aanblik, het intense verdriet, het raakte mij zoals iets mij nog nooit geraakt had. Hierop was ik, amper 20 jaar oud, niet voorbereid.

Mijn meer ervaren collega zweeg alleen, ook hij had het moeilijk. Ik durfde hem nauwelijks aan te kijken, deels uit schaamte, doordat ik mijzelf niet meer onder controle had. Hij verzocht de recherche ter plaatse in de woning, een standaard procedure bij een onverklaarbaar overlijden. Uiteindelijk hebben wij stukje bij beetje van de vader vernomen wat er gebeurd was. De man had zijn kindje ’s nachts rond 03.00 uur een flesje gegeven. Hij wilde het nog even laten boeren en had het kind met het hoofdje langs zijn hoofd, op zijn schouder gelegd. Hij was in slaap gevallen met zijn kindje bij zich, vastgeklemd in zijn armen, zoals een vader zijn kind beschermt. Toen hij ontwaakte hield hij het levenloze lichaampje in zijn armen. Het bleek een zeer tragisch voorval te zijn.

Het wachten op de recherche duurde gevoelsmatig eeuwen. Gewoon, omdat wij machteloos stonden, verslagen waren en niet wisten wat wij verder voor de ouders konden doen. Mijn tranen bleven. En het jongetje in de woonkamer speelde onverminderd verder, zonder enig besef te hebben van wat er om hem heen gebeurde.

Eén van de brigadiers van de recherche verscheen in de woning. Wij vertelden hem over onze bevindingen. Formeel moest de dood vastgesteld worden door een arts, die inmiddels ook ter plaatse was verzocht door mijn collega. Er moest uiteindelijk sectie verricht worden op het lichaampje.

Het allerergste zou echter nog komen: de moeder wilde haar kindje niet loslaten en afstaan. Ik wilde dit nooit meer zien, nooit meer meemaken. Het moment dat je als politieman aan een moeder moet vragen om haar overleden kindje over te dragen en -voor dat moment- letterlijk los te laten, terwijl zij dit niet wil. De brigadier en ik knielden voor de vrouw. Ik deed dit in een poging om te helpen. Het bleek zinloos, het enige dat uit mijn hoofd kwam waren tranen. Voorzichtig begonnen de brigadier te praten tegen de moeder. Overigens bekommerde mijn collega zich op dat moment om de vader. De brigadier sprak tegen de moeder, heel netjes, heel respectvol, heel begripvol. En nog steeds zat ik naast hem, genageld aan de houten vloer en bleef tranen van mijn wangen vegen. Af en toe probeerde ik wat aan te vullen, tegen beter weten in. Uiteindelijk kon de brigadier de moeder bewegen haar kindje aan hem over te dragen. Hij stak, nog zittend op zijn knieën, zijn onderarmen uit naar de wanhopige moeder die langzaam maar zeker het kindje in zijn armen legde. Dat moment was onbeschrijfelijk. Het was zo definitief…. Mijn collega, de brigadier heeft een diep, diep respect bij mij afgedwongen. Ik was nooit en te nimmer in staat geweest om dit op zo’n manier mooie, serene manier te doen. Mijn collega had inmiddels twee witte lakentjes gevonden en legde één van deze lakentjes op de bank naast de moeder. De vrouw volgde elke beweging en handeling van de brigadier en mijn geüniformeerde collega. Heel rustig, heel netjes, heel voorzichtig legde de brigadier het kindje op het lakentje, naast de moeder. Alsof het kindje zojuist in slaap gevallen was en niet wakker mocht worden. De brigadier pakte een tweede lakentje en dekte het kindje af. De moeder bleef huilend naar het witte lakentje staren waaronder haar overleden kindje lag, maar accepteerde wat er gebeurde. Het wachten was op de arts om formeel de dood te constateren en een begrafenisondernemer, om het kindje over te brengen naar het mortuarium.

Wij vroegen de ouders of wij familie konden waarschuwen. Dit bleek al gebeurd te zijn. Na ons diepe medeleven betoond te hebben namen wij afscheid van de ouders. Ik bleef nog even stilstaan bij het kindje en nam in stilte afscheid. Daar sta je dan, als grote stoere politieman. Onbeholpen, huilend. Mijn collega had inmiddels ook rode ogen. Op de trap naar beneden werd het ook hem teveel. Het was een hele rare gewaarwording om beiden met betraande ogen uit de woning te komen en het samengestroomde publiek tegemoet te treden. Tientallen geschrokken en verbaasde blikken keken ons aan. De brigadier zou achterblijven in de woning om de schouwarts en begrafenisondernemer op te vangen en te begeleiden.

Even zwijgzaam als wij kwamen, vertrokken wij weer. Het in Rotterdam zo bekende geluid van de C10 was het enige geluid dat de stilte doorbrak….. Wij meldden ons nog niet bij onze meldkamer, we moesten even tot onszelf komen. We zochten een plek op, buiten de drukte en bebouwde kom. Praten lukte niet, het was alleen rijden, zwijgen en onszelf herpakken. Na wat rondgereden te hebben en elkaar gevraagd te hebben “of het ging”, zochten wij contact met de meldkamer. Wij meldden ‘het incident’ af en vervolgden onze surveillance, op weg naar een volgende melding.

Deze melding en de aanblik van zoveel intens verdriet zullen altijd deel blijven uitmaken van mijn leven. En opvang? Dat was er dus niet of nauwelijks in de jaren ’80. Er heerste een zekere machocultuur: je bent toch een stoere vent, je wilde toch bij de politie? Dan moet je niet zeiken en gewoon doorgaan! En dat deed je dan ook: “RT 0701, wilt u gaan voor een onenigheid naar…….” “Begrepen HB”.

Theo Bakx