Trauma

Trauma

Trauma

Vader is een moeilijke man. Soms onvoorspelbaar en emotioneel. Zijn gemoedstoestand kan hij moeilijk in de hand houden en ontploft soms bijna letterlijk. Een ruzie tussen mijn ouders zijn stiltemomenten, waarvan de spanning te snijden is.
Als hem iets niet gelegen is, stuurt hij je met het grootste gemak de deur uit. Daar heeft menigeen kennis meegemaakt. Hij buigt niet, want hij vindt dat hij altijd gelijk heeft. Als je terug wilt komen moet jij buigen. Het ijs moet smelten en dan lijkt alles vergeten. Vergeten, niet vergeven, want dat kan hij niet. Vele malen heb ik getracht te achterhalen waar dit gedrag vandaan komt.
Ik hoor vaak zijn verhalen over de oorlog aan. Ik weet zeker dat daar de diepere oorzaak ligt van zijn grillig gedrag. Vader praat veel over de oorlog. Drie verhalen kan ik mij herinneren. Maar hij heeft ongetwijfeld meerdere avonturen beleefd.

Mijn vader komt uit een gezin met twee kinderen. Zijn zus is vier maanden geleden getrouwd. Met zijn ouders woont Vader in het centrum van Rotterdam, in de Ridderstraat, op een verdieping boven het bedrijf van Coebergh & De Bruyn. Na de MULO werkt hij daar met zijn vader op kantoor.
Op kantoor hoort Vader dat Duitsland verandert. Hitler komt bedreigend over. Vader heeft het volkslied wel eens op de radio horen schetteren. De rillingen lopen dan over zijn rug.

Vader is bijna zeventien als Rotterdam wordt gebombardeerd. Al een paar dagen zijn de Duitsers in Rotterdam, maar kunnen het verzet niet breken en antwoorden met een groot opgezette luchtaanval. Minutenlang klinkt het alarm. Hij moet vluchten. Het kantoor uit.
“De straat op!” roept zijn vader.
Vader snapt het niet. De straat op, maar waarheen dan? Op straat lopen buren angstig rond. Niet wetend waarheen zij moeten vluchten. Vader weet het ook niet. Zijn vader rent naar de voordeur van zijn huis en schreeuwt dat iedereen het huis moet verlaten.
“Waar moet ik heen?” vraagt Vader angstig.
“Naar een schuilkelder,” hoort hij zeggen.
Maar waar dan? Dan hoort hij de vliegtuigen. Vader is doodsbang en reageert alleen maar instinctief. Het gegons wordt monotoon en zwelt steeds meer aan. Hij rent onder de spoorlijn door, rechtsaf. De vliegtuigen worden luider. Hij hijgt en kan bijna niet meer. Rond hem heen ziet hij mensen in paniek rennen. Ze rennen ook dezelfde kant op, naar de Schiekade. Een man kijkt angstig en vreemd uit zijn ogen, blikt dan naar boven en weer naar Vader, maar kan geen woord uitbrengen. Vader schrikt ervan en rent weer verder, de Schiekade op.
“Waar is mijn moeder gebleven? En waar is mijn vader?” vraagt hij zich hardop af.
De vliegtuigen zijn vlakbij. Ze laten iets vallen, zouden dat bommen zijn? Vader wil nog harder rennen, maar het lukt niet. Zijn benen willen niet sneller. Dan hoort hij harde knallen. Het lijkt wel onweer, maar dan tien keer harder. Mensen om hem heen schreeuwen. Zelf wil hij ook schreeuwen.
“Mam, pap, waar zijn jullie?”
Hij ziet geen enkele bekende meer. Bij de Bergweg staat hij vertwijfeld stil. Hij ruikt brand en het ‘onweer’ is afgelopen. Nu pas durft hij om te kijken en ziet zwarte rookwolken. Hij weet niet wat hij moet doen. Het is druk op straat en iedereen kijkt richting Hofplein. Het gegons van de vliegtuigen is afgenomen en het lijkt wel of er geen geluid meer is. Terwijl er rondom hem heen veel gesproken wordt, hoort hij slechts onsamenhangende zinnen.
“Ik moet terug, naar huis!” zegt hij hardop.
Misschien wel naar zijn zus. Zij woont in Noord, een half uurtje lopen. Vader twijfelt. Hij kan zijn ouders toch niet alleen laten? Schoorvoetend loopt hij terug, naar de grote brand. Rondom hem lopen veel mensen, maar toch hij voelt zich zielsalleen. De angst groeit in hem. Waar zouden zijn ouders toch zijn? Hij kijkt over de brede Schiekade in de hoop dat hij ze ziet. Misschien zijn zij ook op zoek naar hem.
De stank van brand wordt heviger en heviger. Vóór hem brandt Rotterdam. De lucht ziet zwart van de rook. Dan ziet Vader Karel staan. Karel is een klasgenoot uit de MULO-periode en een kop groter dan hij. Karel is een aardige vent en heel slim. Karel ziet spierwit. Zo heeft Vader hem nog nooit gezien. Normaal is Karel rustig en reageert heel beheerst.
“Henk, waar kom jij vandaan? Wat is er gebeurd?”
Vader weet niet wat hij moet zeggen. Hij lijkt wel geblokkeerd.
“Ik ben gevlucht voor de vliegtuigen. Ik ben mijn ouders kwijt. Ik ga terug om te kijken of ik ze kan vinden!”
"Hoezo, kwijtgeraakt? Weet je niet waar ze zijn?”
Samen lopen ze verder. Naar huis. Vader wordt steeds ongeruster. De paniek groeit in hem. Dan komt hij een buurvrouw tegen.
“Henk! Je moeder zoekt je. Ze is erg ongerust. Ze denkt dat jou iets is overkomen.”
Gelukkig, denkt Vader. Ze moet hier dus in de buurt zijn.
“Waar is zij dan?” vraagt Vader.
“Zij stond daarnet nog vlakbij. Ook jullie huis staat in brand. De hele straat brandt.”
“Wat? In brand? Ons huis?” vraagt Vader.
Hij raakt in verwarring. Hoe moet dat nu? Waar moeten zij nu wonen?
‘Heeft u mijn vader gezien?’
‘Nee, jouw moeder is ook op zoek naar hem.’
Vader rent met Karel naar de Ridderstraat onder de spoorlijn door en ziet een hele huizenrij branden. Het lijkt de hel wel. Alle huizen branden van boven tot onder. De vlammen slaan uit de ramen en zij likken aan de naam Coebergh & De Bruyn die op het pand staat. Vader probeert er zo dicht mogelijk bij te komen, maar omstanders houden hem tegen. Karel pakt hem bij zijn jasje en trekt hem weg van het vuur.
“Kom naar achteren. Het is levensgevaarlijk!” waarschuwt hij.
“Waar zijn mijn ouders? Ik wil naar mijn ouders!”
“Blijf hier! Je kunt helemaal niets doen! Je ouders zijn in ieder geval niet in het huis. We kunnen wel beter hier in de buurt blijven, maar weg van de brand! Ik denk dat je vader en moeder hier ook naar toe komen.”
Deze beredenering stelt Vader gerust.
“Het is nu een uur of drie en nog tijd genoeg om hier in de buurt te blijven,” vervolgt Karel. “Ik moet wel nu naar mijn huis, want mijn ouders moeten ook weten dat ik veilig ben.”
Karel woont aan de Noordsingel, een paar honderd meter verder.
“Blijf hier in de buurt totdat ik terugkom. Ik weet niet hoe lang ik wegblijf, maar vóór de avond ben ik zeker terug. Wanneer je jouw ouders hebt gevonden, laat het me weten.”
“Afgesproken. Ik weet je te vinden, maar kan ik naar jullie komen als het te lang gaat duren?”
“Nee, je blijft hier, want anders zijn jouw ouders weer ongerust als ze jou niet kunnen vinden.”
Vader geeft gehoor aan het advies van Karel en blijft achter.

Na een uur heeft hij zijn ouders nog niet gezien. Karel komt ook maar niet. Hij voelt de onrust in zich groeien. Hij kan niet helder denken. Plotseling wil hij een sigaret. Zo nu en dan rookt hij een sigaret. Zal ik er gewoon een aan iemand vragen? Zijn gedachten worden afgeleid. Er komen mannen van het Rode Kruis de straat in.
Zij inventariseren de situatie en dan komen zij op Vader af.
“Woon jij hier?” vraagt een vriendelijke stem.
“Ons huis is afgebrand en ik wacht hier op mijn ouders,” antwoordt Vader met trillende stem.
“Mag ik je naam?”
Vader geeft zijn naam, geboortedatum en de namen van zijn ouders op. Het Rode Kruis zorgt ervoor dat mensen die elkaar zoeken bij hen genoteerd staan, zodat zij elkaar weer snel kunnen vinden. De man geeft hem een adres.
“Wanneer jij je daar meldt, zullen ze je wel opvangen.”
Vader knikt instemmend, maar houdt zich aan de afspraak met Karel. Hij blijft wachten. Een uur later komt zijn moeder huilend van blijdschap aanlopen. Zij vertelt dat iedereen veilig is en samen lopen zij naar het huis van zijn zus.

Twee jaar later wordt Vader opgeroepen. Hij moet voor de Duitsers werken in Friedrichshafen en zal daarvoor eerst gekeurd moeten worden. Machteloos bedenkt hij wegen om er onderuit te komen. Hij voelt zich misselijk. Dan bedenkt hij zich dat hij wel eens afgekeurd zou kunnen worden als hij doodziek is. Hij spaart de gerookte peukjes op en neemt deze een paar dagen vóór de keuring in. Hij eet een klein beetje brood en wat aardappelen, maar de sigaretten moeten het werk doen. Hij voelt zich beroerd, misselijk. Hij wordt wit van ellende en dan komt de dag dat hij gekeurd moet worden. Vader meldt zich bij de voorgeschreven arts en komt na tien minuten wachten de spreekkamer in. De arts vraagt onmiddellijk of hij zich wel goed voelt. Vader verzint de meest beroerde verhalen en de arts kijkt hem vreemd aan. Dit heeft hij nog nooit gehoord, lijkt hij te denken.
Na een paar minuten onderzoek schrijft de arts op het formulier: ‘Afgekeurd’. Zonder een spier te bewegen loopt Vader de spreekkamer uit en buiten op straat slaakt hij een zucht van verlichting.

Weer een jaar later zit Vader in een ondergrondse ruimte van de jassenkast. Hij zit daar zeker al een uur ondergedoken voor een razzia van de Duitsers. Plotseling wordt er tegen de voordeur gebeukt en hard aan de bel getrokken. De bel rinkelt nog lang na. Vader herkent de voetstappen van zijn vader. Duitse stemmen schreeuwen en gedragen zich zeer autoritair. Met grote lompe schoenen rammen de mannen tegen deuren van de voormalige bedstee, de voorraadkast, het toilet en dan de jassenkast. Vader houdt zijn adem in. De grote schoenen staan nu op het luik en stampen erop. De vloer wekt geen argwaan. Weer die stem, afschuwelijk.
“Was ist dass?” vraag de stem blaffend in het Duits.
“Alte Kleidung,” probeert zijn vader. Met een doffe klap valt het deksel terug. De grote schoenen lopen de kast uit. Vader slaakt een geluidloze zucht van verlichting. Hij transpireert vreselijk. Misschien komen die schoenen weer terug en ruiken zij de zweetlucht. Het gestommel duurt nog enige tijd. Eindelijk lopen de grote schoenen weer naar buiten. De razzia is hier voorbij. Vader moet zeker nog een tijd in die benauwde ruimte blijven. Je weet het maar nooit of ze terugkomen.

Deze oorlogservaringen hebben een negatief effect op hem als jong aanstormende volwassene. Ik ben er stellig van overtuigd dat de Tweede Wereldoorlog zijn jeugd heeft verwoest.

Inmiddels getrouwd krijg ik een verschil van mening met Vader en wil dit uitpraten. In de woonkamer praten Moeder en ik elkaar bij. Vader is op zolder bezig met zijn hobby. Ik loop naar boven, maar hij weigert mij te ontvangen. Ik spreek mijn teleurstelling uit en loop naar beneden. Ik praat nog even na met Moeder.
“Hij heeft daarvoor zijn tijd nodig,” voorspelt zij.
Ook Moeder is duidelijk teleurgesteld. Ik neem afscheid van haar. Zij zwaait mij uit. Even later belt Moeder.
“Je vader is dood.”
Als de bliksem ga ik naar Moeder. Vader was al naar het ziekenhuis vervoerd. Een fatale hartaanval. Moeder merkt dat ik mij schuldig voel en stelt mij gerust.
“Je mag het jezelf niet verwijten.”

Met veel inzet regel ik met Moeder de begrafenis. De vier dagen dat Vader nog boven aarde staat blijf ik veel bij haar. Het duurt lang voordat ik vrij ben van schuldgevoel. Ik raak het pas echt kwijt op de dag dat ik even oud word als Vader, op bijna zesenvijftig jarige leeftijd.