H1

Paars

H1

Voorzichtig liet ik mijn wijsvinger over het gladde oppervlak glijden. Een mosgroene veeg ontstond op de plaats waar mijn huid de muur had aangeraakt. De kleur werd meteen opgeslokt door alle soortgelijke tinten die eerder waren aangebracht en werd onderdeel van de grote voorstelling. Ik nam een stap naar achter, zodat ik de rol van het groen in het grote geheel kon onderzoeken. Mijn ogen gleden over het oppervlak waar de verschillende tinten samensmolten tot een bekende voorstelling. Zodra ik de contrasterende lichte accenten zou hebben aangebracht, zouden de glanzende bladeren van de groene berkenboom pas echt tot leven komen. De lichtgroene heuvels die het decor van de voorstelling vormden, leken overgoten met zonneschijn. De gouden glans die ieder grassprietje bedekte, gaf het landschap een warme gloed. Hoe langer ik naar de scène staarde, hoe echter de warmte die mijn huid streelde leek. Ik ademde diep in. Concentratie was nu van groot belang. De lichteffecten die nu moesten worden aangebracht zouden de realiteit van de beeltenis bepalen. Onbewust zette ik mijn ondertanden in mijn bovenlip en fronste ik mijn wenkbrauwen. Mijn arm werd als die van een marionet opgetild en mijn vingers strekten zich uit. Het lichte geel bereikte als eerst een van de westelijke bladeren. Langzaam verschoof ik mijn vinger een centimeter naar rechts en bewerkte ik een nieuw blad.

‘Ivanov!’ bromde een zware stem achter me.

Mijn adem stokte in mijn keel. Met alle macht probeerde ik mijn concentratie vast te houden, maar tevergeefs. De denkbeeldige verf was van de muur afgegleden alsof het was weggesmolten onder een sterke hittebron. De enige afbeelding die nu nog in mijn hersenen werd geprojecteerd, was datgene dat werkelijk via mijn netvlies naar binnen kwam: een grijze gevangenismuur.

‘Hé, Ivanov!’ galmde de stem weer door mijn kille cel.

Ik zuchtte diep en bewoog mijn kin richting mijn schouder, zodat de bron van het geluid mijn gezichtsveld in schoof. De man die me bij mijn achternaam had aangesproken was gekleed in een donker uniform. Ik herkende hem als een van de bewakers die vaak deze vleugel van de gevangenis surveilleerde.

‘Goed nieuws Ivanov, je krijgt de kans om je benen te strekken.’

Bij deze opmerking fronste ik mijn wenkbrauwen. Nog nooit eerder was ik buiten de officiële tijden om mijn cel uit geweest. Meer redenen om mijn grijze hok te verlaten dan eten en frisse lucht krijgen waren er in mijn herinnering ook niet. Wat wilden ze dan nu van me? Misschien kreeg ik een wreder vonnis dan alleen opsluiting; volgens geruchten werd er niet zuinig met marteling of zelfs executie omgegaan in de inrichting waar ik tussen andere politiek gevangenen en criminelen was vastgezet. Bovendien ging er geen rechtelijk proces vooraf aan gevangenschap zoals het mijne. Of een gevangenisstraf de enige sanctie was die aan me was opgelegd was dus nog maar de vraag.

‘Er is iemand die graag kennis met je wil maken,’ zei de man in het donkere uniform, terwijl er een grijns op zijn gezicht ontstond. ‘Graag je neus tegen de muur, evenals je handpalmen.’

Deze procedure was bekend voor me. Rustig schuifelde ik richting de muur tegenover de celdeur en ik leunde met mijn voorzijde tegen het koude oppervlak, terwijl ik hetzelfde met mijn boven me uitgestrekte handen deed. Ondertussen dacht ik koortsachtig na over de zin die vooraf was gegaan aan de bekende instructies. Deze kon van alles betekenen, al was het waarschijnlijk dat de “kennismaking” voor mij niet prettig zou worden. Wanneer er een glimlach doorbrak bij een van de personeelsleden van de gevangenis, was dit meestal vanwege het leed van een van de gevangenen.

Terwijl de bewaker en een van zijn collega’s hun handen om mijn bovenarmen klemden, flitsten beelden van donkere kamers met elektrische stoelen door mijn hoofd. Als de Russische overheid niet mijn grootste vijand was, was het wel het verschrikkelijke verstikkende gevoel dat men angst noemt. De sensatie van angst had mijn leven altijd al beheerst, ondanks het eeuwigdurende gevecht dat ik ermee aanhield. Maar ook vechten stond niet op mijn korte lijstje met talenten. Een langere lijst bestond dan ook uit iedereen en alles wat me ooit had verslagen. Angst was hier zeker een belangrijk onderdeel van; het werd vertegenwoordigd door vele verschillende tegenslagen die samen mijn verleden vormden. Het was de reden dat ik naar Ierland was verhuisd zodra ik het geld had gehad voor een vliegticket. Desalniettemin had het me ook weer terug naar Rusland gedreven. Want hoewel de band met mijn familie niet van het sterkste leer was, had de angst om mijn moeder nooit meer in levende lijven te zien me weer in oostelijke richting geduwd.

Na vele trappen afgedaald te hebben, doorkruisten we een brede hal. Het witte licht van de ochtendzon kaatste fel tegen de glanzende vloer. Ik kneep mijn ogen samen om het verblindende effect te verminderen. Onze galmende voetstappen deden een man achter een bureau opkijken. Hij begroette de heren die me begeleidden op een enigszins norse manier. Als reactie hierop kreeg hij dan ook alleen een formeel knikje van zijn collega’s.

Al snel belandden we bij een deur die ons naar een smallere gang bracht. Deze bleek onderdeel te zijn van een stelsel waar we enkele minuten door slalomden tot ik abrupt door de twee mannen werd stilgezet. De bewaker die eerder mijn concentratie had verbroken, klopte drie keer trefzeker op een houten deur die in de betonnen muur hing alsof hij daar per ongeluk terecht was gekomen.

‘Mmmh,’ klonk een diepe grom achter de deur vandaan.

De hand van de bewaker bewoog naar de deurklink alsof het deel uitmaakte van een dans die de man al weken aan het instuderen was. De deur reageerde hierop door met een diepe kraak open te zwaaien. Door de opening die ontstond, kwamen twee mannen in zicht. Ze zaten achter een houten tafel met een gammele uitstraling. De kamer die de scène omlijstte werd gevuld door de stemmen van de mannen in de vorm van een in rap gevoerde discussie. Onze binnenkomst leek het gesprek op geen enkele manier te verstoren. Ik begon me af te vragen of de grom die ons toestemming had gegeven om de kamer te betreden van één van de discussiërende mannen was gekomen, totdat mijn blik viel op een man die naast de deuropening tegen de muur geleund stond. Zijn ogen waren gevestigd op de bron van geluid, maar zijn aandacht leek er ver van verwijderd. In tegenstelling tot de twee in pak gestoken mannen die alle autoriteit naar zich toe leken te zuigen, had deze man een mosgroen legeruniform aan.

De twee handen begeleidden me een stukje dichter naar de tafel. Eén van de autoritaire mannen slaakte een diepe zucht om aan te geven dat de discussie voorbij was. Voor een paar seconden keken de mannen elkaar nog strak aan, maar al snel werd de spanning verbroken door een kuch en een blik in mijn richting.

‘Dus… Welke is dit?’ vroeg de linker man zonder oprechte interesse te tonen.

‘Mikhail Ivanov, drieëndertig jaar. Nu een jaar en negen maanden in hechtenis,’ antwoordde de bewaker die mijn rechterarm vasthield.

De man gaf een kort knikje als teken dat hij het begrepen had. ‘Reden voor arrestatie?’

‘Het maken en verspreiden van negatieve propaganda betreffende de overheid.’

Bij deze woorden verscheen er een honende glimlach om de mond van de tweede man. Waarom hij me meer zou minachten na de uitspraak kon ik niet raden, maar iets in zijn blik was zo kleinerend dat ik het liefst in rook was opgegaan. Ondertussen scande de man die de vragen had gesteld me van top tot teen. Zijn ogen waren tot spleetjes geknepen. Na zijn onderzoek schoot zijn blik richting mijn ogen, die in contrast wijd opengesperd waren. Langzaam vormde zich een vastberaden rimpel rond zijn wenkbrauwen.

‘Goed, hij zal nergens anders zinvol voor zijn. Breng hem naar vleugel K,’ mompelde hij nadat hij zijn ogen even had dichtgeknepen.

Meteen voelde ik dat één van de bewakers een ruk gaf aan mijn linker bovenarm. Met hulp van de tweede bewaker werd ik teruggedraaid, zodat mijn neus weer in de richting van de deur wees. De man in het groene uniform knikte afwezig naar de twee bewakers, die op de deur afliepen en deze in dezelfde routinebeweging weer openzwaaiden. De klap die het korte bezoek aan de kleine ruimte definitief beëindigde, galmde nog seconden na in de lege gang.

 

***

 

De zachte klik van de openende handboeien bracht me van de warrige gedachten terug naar de werkelijkheid. De weg van de dichtvallende deur naar de cel waarin ik me bevond was me volledig ontgaan. De knal had me in een trans gebracht die weer was verbroken door het soortgelijke, maar mildere geluid. De cel waarin ik me nu bevond verschilde erg van mijn eigen. Het was dan ook vreemd om na bijna twee jaar van omgeving te veranderen. Deze cel was ongeveer even groot als mijn vorige, maar was ingericht met twee stapelbedden waartussen een smalle ruimte overbleef om de matrassen te kunnen bereiken. Dit was echter niet het grootste verschil. De meest choquerende verandering was de aanwezigheid van twee andere gevangen. Op het bovenste deel van het linker stapelbed lag een kleine man in foetushouding, ogenschijnlijk in een diepe slaap. Het bed onder hem was bezet door een hoekig gekaakte vrouw die met haar rug tegen de muur tegenover me zat. Haar grijze ogen keken me uitdagend aan. Met haar gekrulde, kastanjebruine haar dat slap om haar gezicht hing en de paarse wallen onder haar ogen zag ze eruit alsof ze al maanden niet van haar plaats op het bed was opgestaan. Desondanks stak ze provocatief haar door een diepe spleet in tweeën gesplitste kin naar voren.

Achter me viel de celdeur met een zachte smak dicht. Het geluid van de voetstappen van de bewakers galmde door de gang, in de richting waar we vlak daarvoor uit waren gekomen. Toen het geluid volledig was uitgestorven, verscheen er een zwakke glimlach op het gezicht van de vrouw.

‘Goedemorgen,’ zei ze met een schorre stem.

‘Hallo,’ antwoordde ik onzeker.

De grijze ogen bleven me aanstaren, maar de bijbehorende mond leek niet meer te produceren dan de groet. Nadat ik ongemakkelijk om me heen had gekeken, schuifelde ik langzaam richting het overgebleven onderste bed. Ik zakte op de matras en werd meteen afgestraft; mijn achterhoofd ontmoette de onderkant van het bovenste bed in mijn beweging. Donkere vlekken dansten voor mijn ogen. Mijn hand rijkte naar de plek op mijn achterhoofd die nu in vuur en vlam leek te staan. Er klonk gegniffel van het bed tegenover me. De vrouw keek me met een brede grijns aan. Ik voelde mijn gezicht warm worden en was er vrij zeker van dat de toename van gezichtskleur ook zichtbaar was voor de vrouw. De gniffel veranderde in een lach. Toen mijn blik richting de vloer schoot, stierf deze echter weg.

‘Maakt u zich geen zorgen, ik kan zelf ook nogal onhandig zijn.’

Mijn blik schoot terug naar het gezicht van de vrouw. Haar gezichtsuitdrukking was nu aangenaam vriendelijk. Met veel moeite beantwoordde ik haar poging tot troost met een glimlach.

‘Komt u net terug van twee mannen die zichzelf veel te serieus nemen?’ vroeg ze met een opgewekte stem. Ik knikte en keek haar vragend aan. Blijkbaar was zij door hetzelfde proces gegaan.

‘Ik ben erg benieuwd wat ze van ons willen.’ Toen ik haar zonder enig geluid te maken bleef aanstaren, vulde ze haar zin aan met: ‘Bent u uw tong verloren?’

Ik kuchte luid voordat ik sprak.

‘Sorry, ik ben enigszins… ontregeld na de verhuizing van vanmorgen,’ zei ik zacht.

‘Ah, natuurlijk,’ fluisterde ze met een hint van spot in haar stem.

Het bleef een lange tijd stil. Ik bekeek de vrouw uit mijn ooghoeken. Het witte licht dat door het kleine betraliede raampje viel, belichtte de gezichtshelft die naar mij toegekeerd was en werd scherp door haar oog gereflecteerd. De diepe spleet in haar kin diende als een scheidingslijn die de belichtte gezichtshelft van de donkere onderscheidde. Boven haar zuchtte de slapende man diep.

 ‘Waar ben je voor gepakt?’ klonk de stem van de vrouw, hoger dan daarvoor. Hoewel het duidelijk was dat de vraag aan mij gericht was, bleef ze voor zich uitstaren.

Ik opende mijn mond en sloot hem weer, verward door de plotselinge vraag. Niet wetend hoe ik mijn “criminele daad” precies moet uitleggen, gaf ik een zachte kuch. Het hoekige gezicht viel zijwaarts en de grijze ogen staarden me aan, de ronde vorm benadrukt door twee opgetrokken wenkbrauwen. Terwijl ik naar woorden bleef zoeken, verscheen er weer een glimlach die het patroon van ronde vormen op het gezicht aanvulde. Dit verwarde me echter nog meer en de woorden in mijn hoofd begonnen langzaam weg te sijpelen.

‘Je hoeft je niet te schamen als het komt door je seksuele geaardheid hoor, ik ben niet erg Russisch als het gaat om die discussie.’ De mondhoeken van de mond waar de uitspraak was uitgekomen bewogen even verder omhoog, maar vielen snel weer terug in de zwakke glimlach.

‘Nee!’ ontsnapte harder dan bedoeld aan mijn lippen. ‘Ik bedoel… Ik ben het met je eens, maar ik ben niet…’ mijn woorden stierven weg.

Het hoofd knikte en bewoog zich weer terug in zijn eerdere positie, zodat de afwezige ogen weer naar de muur gericht waren.

‘Mij hebben ze gepakt vanwege mijn onderzoek naar hun contact met de maffia.’ Ze zuchtte. ‘Ik was zo klaar met dat geneuzel van mijn collega’s. De media worden te makkelijk beïnvloed door de overheid, net als vroeger. Als journaliste wilde ik ingaan tegen de laffe propaganda, dus ik begon mijn eigen onderzoek naar de echte bezigheden van onze overheid. Binnen twee weken zat ik in dit gehucht.’

De man in het bovenste bed was stilgevallen. De lucht in de cel leek te vibreren. Ik zoog de stoffige lucht met een zware ademhaling mijn longen binnen.

‘Ik maakte spotprenten.’

De vrouw draaide haar gezicht nu met een snellere beweging in mijn richting. ‘Wat?’ vroeg ze, één wenkbrauw opgetrokken.

‘Ik maakte spotprenten,’ herhaalde ik, geïrriteerd door haar reactie. Het gevoel dat ik niet serieus werd genomen zorgde voor een verhoging van mijn hartslag. ‘Anti-overheid spotprenten. Ik ben kunstenaar en wilde, net als jij, mijn beroep gebruiken om tegen het regime van Zima in te gaan. Ik maakte spotprenten en probeerde ze te verspreiden. Ik wilde mensen laten inzien dat de daden van onze overheid niet thuishoren in een beschaafde samenleving.’

‘Zo zo, een heuse kunstenaar,’ fluisterde de vrouw bespottend.

‘En wat maakt jouw daden als journalist beter dan mijn daden als kunstenaar?!’ riep ik, mijn stem inmiddels ook beïnvloed door mijn woede. De man in het bovenste bed was rechtop gaan zitten, duidelijk verstoord door de verhoging van volume in mijn stem. Ook de vrouw leek geschrokken door mijn plotselinge uitbarsting. Elk teken van een glimlach was van haar gezicht verdwenen en haar ogen stonden wijder open dan eerder.

‘Het spijt me. Uw werk was waarschijnlijk even moedig en belangrijk als het mijne.’ Haar toon was bloedserieus, hoewel me het niet duidelijk was of ze de uitspraak echt meende.

Ik gaf haar een afwezig knikje. Waarom de bespotting me zo had geraakt, wist ik niet. Mijn verwachtingen berustten waarschijnlijk op het idee dat ik deel uitmaakte van een soort beweging, een groep mensen die zich verzette tegen de overheid. Een bespotting van één van de leden van diezelfde beweging bracht me twijfel over mijn daden. De daden die me van het sterfbed van mijn broer naar deze hel hadden gebracht.

De man in het bovenste stapelbed kuchte luid. Mijn blik gleed over het lichaam, gekleed in een zwart gevangenisuniform.

‘Wat weet je over hem?’ vroeg ik aan de vrouw om de stilte te doorbreken. Meteen schoten haar ogen omhoog, alsof ze door de matras heen informatie over de man zou kunnen verkrijgen.

‘Hij spreekt geen Russisch,’ mompelde ze. ‘Volgens mij is het een Amerikaan, maar aangezien ik geen Engels spreek, kan ik het u niet met zekerheid zeggen.’

Ik keek haar even aan en zag hoe haar ogen fonkelden. Het oogcontact gaf me echter een ongemakkelijk gevoel en ik richtte mijn aandacht weer op het bovenste bed. Als de man inderdaad Amerikaans was, zou ik ook met hem kunnen communiceren zodra hij ontwaakte. Misschien had hij antwoorden op de vragen die al een lange tijd door mijn hoofd spookten. De oorlog die zich buiten de muren van de gevangenis afspeelde was vlak na mijn terugkomst in Rusland begonnen, waardoor ik enkel beschikking had gehad over de eenzijdige informatie van de Russische media. De verdraaide feiten over alle rechten die de EU ons had afgenomen gaven de Russen genoeg redenen om de oorlog als iets goeds te beschouwen. Bovendien was de eerste militaire aanval van de tegenstanders geweest, niet van Rusland of haar bondgenoot China. Informatie vanuit een Amerikaans standpunt zou dan ook erg waardevol kunnen zijn. Niet alleen over de gebeurtenissen voorafgaande aan de oorlog, maar ook over de staat waarin de rest van de wereld verkeerde. Zou de plek die ik voor een groot deel van mijn leven mijn thuis had genoemd nog hetzelfde zijn of was Ierland al slachtoffer geworden van de verschrikkelijke strijd?

‘Zeg, gaven die mannen die u vanmorgen heeft ontmoet enige indicatie over hun plannen met ons, meneer…?’

‘Ivanov, Mikhail,’ reageerde ik kortaf, nog afgeleid door mijn gedachten. De onzinnige vraag was als een verrassing gekomen.

‘Ruf Nikolaev.’ Ze zei haar naam met een glimlach die haar gezicht nog breder deed lijken. Ik aarzelde even terwijl ik de trotste blik bestudeerde maar beantwoordde daarna haar vraag.

‘Ik heb geen idee wat ze van ons willen. De enige woordwisseling van vanmorgen ging over mijn gegevens en over het feit dat ik “nergens anders zinvol voor zou zijn” of iets dergelijks. Waar ik wel zinvol voor kan zijn, weet ik niet.’

Ruf knikte, het glimlachje hing nog steeds rond haar mondhoeken. Ze keek me even onderzoekend aan, de fonkeling danste nog in haar ogen.

‘Ik vrees dat we dat in dat in de nabije toekomst gaan uitvinden, meneer Ivanov.’

H2