Alles, niks.

Vluchten voor Malik

Alles, niks.

Wanneer de bus het vluchtelingencentrum nadert slaat hij zijn ogen neer, kijkt doelbewust niet naar het meisje, overweegt even om enkele haltes verder uit te stappen. Maar hij drukt zijn schaamte weg, hij is wie hij is. Een asielzoeker, letterlijk: een jongeman die asiel zoekt, een veilige haven voor hem en zijn broer. Hij drukt op de bel, zegt zo: hier woon ik, in dit niemandsland. Ik. Ben. Niemand.

Als hij buiten staat zit het meisje op de plek waar hij net nog zat. Hun blikken kruisen. Het treft hem hoe zacht alles aan haar is: haar huid, haar vormen, haar blik. Ze veroordeelt hem niet, ziet hij in die seconde voor de bus weer verder gaat en haar meeneemt, ver weg, weg van hem. Ze kijkt achterom, hij voelt wat in zijn buik: hoop, beseft hij, en hij drukt het gevoel hard weg. In zijn wereld is geen plaats voor hoop.

Hij ziet zijn broertje zitten - voor zich uit starend, wachtend. Zijn hart breekt. Nu is de tijd gekomen om te doen alsof alles goed komt, alsof hij nog vertrouwen heeft. Hij graaft diep in de krochten van zijn ziel, vindt een verloren glimlach. Voor Malik. Alles voor Malik.