KOOS

KOOS #RotterdamSchrijft Ambassadeursverhaal

KOOS

“En voor even ben ik niemand, want ik snap het allemaal.” Hij ademt zwaar en voelt een traan over z’n wang lopen. Hij wil het uitschreeuwen, weg schelden, stuk vloeken, maar de buren.

Wie had gedacht dat het zo ver zou moeten komen? Hij. Hij had er zeker weleens aan gedacht. Niet voor niets had hij z’n voorzorgsmaatregelen getroffen. Maar gedachten komen en gaan, als golven. Soms is het eb, soms overvloed. Dat laatste kende hij nog niet zoals hij het nu beleefde. Hij had er zeker weleens aan gedacht. Maar de daad bij het woord voegen, dat was anders. Het moest hier stoppen, hier en nu. Al was hij onderwijl vergeten waar het ooit begonnen was. Ja, ooit had hij het uit moeten pakken. En hij mocht het niet weggooien, Koos. Hij moest er zelfs blij mee zijn. Maar hij zag het als een cadeautje waar hij nooit om had gevraagd, het leven. Hij had het echt wel geprobeerd hoor, blij zijn. Bij het uitpakken was dat niet eens zo heel lastig. Ontdekken hoe mensen zijn en hoe de wereld in elkaar zit, doet niet meteen pijn. De pijn kwam later pas. De pijn van in de steek gelaten worden, van de schuld krijgen waar het niet zijn schuld was. De pijn van aangeleerd en afgeleerd, opgebruikt en afgedankt, opgelicht en erin gestonken. Koos had al vrij snel door dat dit in het klein, de basis was voor héél veel in het groot. De wereld was fantastisch, het leven een wonder op zichzelf; de mens had alleen mechanismen bedacht die het slechtste in de mens naar boven brachten. En Koos ging niet zo lekker op de uitwassen van een systeem dat leek ontworpen om te doen vernietigen. “In ongelijkheid worden we geboren, in ongelijkheid sterven we. Inleiding, afleiding, einde. Onderweg wordt iedereen op verschillende manieren uitgeperst en uitgevent.” Koos vertelt het zichzelf nog maar eens. De overpeinzingen die hem jarenlang uitputten.

Hier moest je werken, want je wilde. Je moest willen, want je miste. Je miste wat een ander had. Een ander was altijd beter, dichter in de buurt van perfectie dan jij. Omhoog kruipen, omlaag spugen. De echtst lijkende illusie voor velen. Misleiding met voorbedachte rade. Nee, Koos was niet gemaakt voor de tijd waarin hij was geboren. Hij voelde veel te veel. En over wat hij voelde, kon hij dan weer uren piekeren. Koos kon niet meekomen met publieke opinies en algemene opvattingen. Kijken naar het nieuws, deed Koos pijn. Hij wilde niet mee met de waan van de dag. Hij wilde een samenleving zien, in plaats van een maatschappij. Een maatschaapij, vol kuddedieren. Koos was geen kuddedier. Koos keek nooit, Koos zag. Hij hoorde niet, hij luisterde. Hij dacht altijd twee keer na, in plaats van dingen zomaar aan te nemen. Hij wenste namelijk niet te spreken, maar dingen te vertellen. Leerzame dingen, mooie dingen. Lieve dingen. Arme Koos. Hij was geen geboren pessimist, maar een gedesillusioneerde optimist. Die zijn nog veel erger.

Koos werd geboren in een stelsel dat draaide om presteren. Zakelijk en financieel presteren, hogerop komen. Scoren. Eigenlijk vroeg iedereen constant het uiterste van zichzelf en van anderen, alsof de maatschappij zichzelf op die manier een vette worst voor hield. Men staarde zich blind op materie. Al vrij snel zag Koos de gevolgen van deze manier van denken en handelen. Zijn tijdperk kenmerkte zich door moreel verval, door mentale leegte. Hij had gezien hoe mensen slechts harder en dommer leken te worden. Koos kon niet genieten van oppervlakkig entertainment, Koos kon geen respect opbrengen voor machtsmisbruikende autoriteiten. Hij kon niet kijken naar de eenzijdige belichting van het nieuws, naar mensen die elkaar de hersens insloegen. Hij wilde niet luisteren naar hypocriete regeringsleiders. Verdelers, verbinders; verziekers. Hij kon, wilde en zou nooit begrijpen hoe de wereld zo ontzettend ziek was geworden. Hoe mensen zich konden gedragen, zoals ze zich gedroegen. In een wereld die de verzadiging voorbij leek te zijn. Niemand leek zich druk te maken om wat er van de wereld terecht zou komen. Gáán, daar ging het om. “Gáán!” Alsof de wereld zijn voetbalvader was. En Koos een jongetje zonder benen.

Koos wilde terug naar vroeger. Vroeger maakte je voor het eten niet eerst een foto van je eten, alsof eten naar je lacht. Vroeger ging je gewoon eten. Vroeger beweerde je niet met een stalen gezicht tegenover je digitale omgeving dat je het keihard naar je zin had op een feestje. Vroeger had je het binnen je fysieke omgeving veel te druk met het naar je zin hebben op een feestje. Vroeger was talent een vereiste succes te hebben. Bekendheid was beroemdheid en beruchtheid tegelijk. Bekendheid was een product van succes, beroemdheid niet een doel op zichzelf. Vroeger was leedvermaak zielig. Vroeger was lief zijn een deugd, inmiddels was het meer een handicap. Vroeger was inhoud belangrijker dan vorm. Vroeger degradeerde je met klootzakkengedrag, inmiddels vierde je er een kampioenschap door. En Koos was het zat. Helemaal zat. Vaak had hij geprobeerd het bespreekbaar te maken, maar mensen vonden hem overdrijven. Of ze snapten hem niet. Of hij zeurde maar wat. De hele wereld was van plastic, maar Koos niet! Nee, Koos was de beste, Koos had het allemaal door. Koos deed alles lekker wél goed. Beter dan het klootjesvolk. Koos was de enige die wakker was tussen alle zombies. Ja hoor, hij wel. Mensen lachten Koos een beetje uit of ze begonnen opzichtig te gapen op het moment dat hij tegen ze sprak. Koos was een hippie, een mislukte wereldverbeteraar met ijdele hoop. Een ietwat pedante, pretentieuze, eigenlijk hele zielige verschijning. Een rare vogel. En hij wist het. Koos voelde zich helemaal niet beter dan een ander, hij dacht alleen dat de wereld een stuk mooier zou kunnen zijn als iedereen na zou denken en wat verder zou kijken. Als we met z’n allen een stapje terug zouden doen. Als we even één moment stil zouden staan bij waar we nu eigenlijk met z’n allen aan het doen waren. Maar hij wist dat het niet zou gebeuren. Hij wist dat het aan hem lag, dat hij een aparte vent was. Dat hij afweek van de norm. Dus heeft hij lange tijd geprobeerd om mee te doen.

Mee met huisje, boompje, baantje. Mee met brood en spelen. Mee met presteren en consumeren, mee in de gevangenis die mensen ‘vrijheid’ zijn gaan noemen. Mee in de competitie, mee in de concurrentie. Het afzeiken, het opbieden. Het aanhoudende uitjouwen. Mee met voor, mee met tegen, mee met het verschil tussen goed en kwaad zelf niet meer weten. Mee met on- en offline discussiëren tot beledigen het wint van betogen. Mee met preken voor eigen parochie, de dood aan alle vormen van oneens. Mee met al het mooie lelijk en iedereen-behalve-ik-de-tyfus. Middenin de mallemolen, vrij omdat de baas dat zegt, vrij als aaneenschakeling van met sociale verplichtingen volgestopte momenten, soms extra gezellig gemaakt met een flinke dosis drank of drugs. Koos wilde heus, maar hij kon het niet. Of hij kon het wel, maar wilde niet. Hij kon niet gewoon de knop omzetten, gewoon meedoen en gewoon leven. Gewoon een papiertje halen en gewoon een baantje nemen. Gewoon iemand uitzoeken en daar gewoon gelukkig mee worden. Het ging Koos allemaal niet lukken en dat maakte hem buitengewoon ongelukkig. Hij wilde niet mee in al het niets; alles leek andermans idee. Het stemde hem verdrietig, intens verdrietig. Verlichten ging niet meer, allang niet meer. Koos was radeloos. Ontsnappen in zijn eigen droomwereld leek lang een goed werkend kogelvrij vest, zijn glimlachend masker was lang een gedegen pantser gebleken. Hij zocht de natuur op, vond moois in oppervlakkige maar vriendelijke interactie met wildvreemden, verloor zich in prachtige schilderijen en fantastische muziek. Koos putte inspiratie en levenslust uit mensen die het lef hadden om hun dromen te volgen en daarmee de allerdikste maar tegelijkertijd de allermooiste middelvinger opstaken naar wat de wereld in zijn ogen was geworden: een vergaarbak van enerzijds onmenselijk onrecht, anderzijds afgestompte zombies en middenin wat volksmenners en droomverkopers die vechten om de restjes, terwijl het duister zich een breuk lacht. Het onbegrip, de druk, de ogenschijnlijk blinde en maar al te hoorbaar dove medemens, het leven, de wereld: ze vormden het pistool tegen Koos z’n hoofd. Tot hij zo’n negen millimeter verwijderd was van genezing van zijn syndroom van clown. Alleen, eenzaam, in het donkerste hoekje van zijn brein, in het donkerste hoekje van zijn kamer, ergens aan de rand van een superchill gegentrificeerde wijk in het überhippe Rotterdam, op de bodem van het leven en het randje van de dood, koos hij. Koos.

En voor even was hij niemand, want hij snapte het allemaal. Hij had meer gemeen met iedereen dan wie dan ook zou willen.

Vond je dit een mooi verhaal? Like, volg en deel het dan met je vrienden en familie!
We zijn ontzettend benieuwd naar jouw eigen verhaal over Rotterdam! Doe je ook mee met de RotterdamSchrijft schrijfwedstrijd? Je kunt toffe prijzenpakketten winnen! Meer informatie www.rotterdamschrijft.nl