Thuisreis

Thuisreis

Thuisreis

Een vonk lichte opwinding ontspringt in mijn buik zodra ik de trein voel afremmen en ik de conducteur op verveelde toon door de intercom hoor mompelen dat het volgende station Rotterdam Centraal is. Heerlijk om weer thuis te zijn. De trein komt tot stilstand en samen met mijn mederotterdammers stommel ik de trein uit. Hoewel het een heerlijk weekend was bij de ouders, overspoelt het gevoel van vrijheid mij als ik de stationshal binnenloop. De hal ademt mogelijkheden.

Met mijn tas over een schouder wandel ik richting de metro en daal ik af naar het perron. Ik was liever met de tram gegaan, dan zie je tenminste wat. De metro is echter de snelste route. Beneden is het leeg en tochtig. Nog vier minuten wachten, ik laat mijn ogen over het spoor glijden en kijk naar de gezichten tegenover mij. Vermoeide ogen staren de verte in, diep weggestopt in hun capuchons en sjaals. Het is laat. Krijsend komt er een metro tot stilstand, mensen stappen in en uit. De metro vertrekt en het tegenoverliggende perron is weer verlaten. Nog drie minuten, waarom lijkt de tijd hier onder de grond altijd te vertragen?

Achter mij jengelt een kind, ik kan niet verstaan wat het kind tekort komt. Moet dat kind niet gewoon naar bed? Nog twee minuten, hij is er bijna.

Ik word uit mijn gedachten gewekt doordat mensen om mij heen in beweging komen. Iedereen begint met de afremmende metro mee te hobbelen, in de hoop voor een deur uit te komen. Rare gewoonte, je kunt veel beter blijven staan en dan pas naar een deur toe lopen, dan weet je tenminste waar je heen moet. Maar goed, de metro is er.

Het jengelende kind zit aan de andere kant van het gangpad. Naast hem zit een man. Grijze haren pieken alle kanten op, zijn gezicht getekend door diepe rimpels. De man hoest. Het kind kijkt me aan en zegt: “Opa is ziek, ziet u?” Ik knik. Opa kijkt van zijn zoontje naar mij: “Ja kind, ik heb het aan mijn longen, de dokter zeg dat het bijna afgelopen is. En dat terwijl ik nog nooit een peuk heb aangeraakt!” “Ze zegge dat het de lucht is, de kleine heb ook al vanalles. Astma denken ze.”

Stadhuis. De metro remt weer af, deuren gaan open, mensen stappen in en uit. Aan de hand van de moeder komt een klein meisje binnen. Haar broekspijpen eindigen te hoog boven haar sneakertjes. In haar kroezige haar een versleten HelloKitty speldje. Mijn ogen dwalen over het afgematte gezicht van de moeder terug naar de opa en kleinzoontje. Het kind ziet er inderdaad bleek en mager uit. Uit de oortjes van iemand achter mij schalt rapmuziek. “Maar ja he, wat kenne we eraan doen?” Opa kijkt mij vragend aan. Ik zeg dat hij er inderdaad niet zo veel aan kan doen, dat die rol bij de gemeente ligt. “Ja maar hun doen niets! Ja die milieuzone misschien, maar nu is m’n kleine al ziek!” Hij hoest weer. Het jochie kijkt mij aan.

“Station Beurs, U kunt hier overstappen op metro lijnen A, B en C en op tram en bus. Station Beurs.” Ik sta op en sjor snel mijn tas op mijn rug. Ik glimlach vluchtig naar het kind en knik naar de oudere man. Ik wens ze een goede avond toe.

Ik sta stil op het perron. De windvlaag van de vertrekkende metro waait in mijn gezicht. Het ruikt naar metro, stof met uitlaatgassen. Plots worden de tunnels van de metro mij te benauwd. Ik wil naar boven, frisse lucht in mijn neus voelen.

Buiten wacht de koude avond mij op. Ik haal diep adem en steek over, richting de trams. De verlichte tekst van een reclamescherm op een opticienzaak prikt in mijn ogen: “Is de winst solide? Dan wordt het tijd voor een grote bedrijfsbolide!” “Rotterdamse wereldhavendagen” De tram komt tot stilstand en ik stap in. Nog een paar haltes en dan ben ik thuis.

Vanuit de tram zie ik de hijskranen van de Leuvehaven en de Erasmusbrug, trots verlicht tegen de donkere achtergrond. De oevers van de Maas zijn altijd een vruchtbare grond geweest voor wilskracht. Vierhonderd jaar geleden vertrokken onverschrokken zeevaarders naar het verre Indië op zoek naar winst. Schuddend gaat de tram de bocht door langs het Scheepvaartmuseum richting de Blaak. De zwarte gestalte van de Stad Zonder Hart is moeilijk te onderscheiden in het donker. Hoe de stad zich telkens heeft herpakt is te danken aan de mentaliteit die haar inwoners eigen is.

De tram rijdt onder de Blokkenwoningen door, de conducteur vraagt om mijn kaartje. Ik glimlach en geef mijn kaartje. Nog twee haltes en dan ben ik thuis. Rotterdam voelt al jaren als mijn thuis. Langzaam is de stad in mijn hart geslopen, als een onverwachte vriend. Rotterdam is een stad bomvol kansen. Het is een harde stad, de kansen zijn niet altijd eerlijk verdeeld.

De tram komt tot stilstand op Oostplein. Ik stap uit. Het miezert. Als ik mijn voet op het zebrapad zet, scheurt er een scootertje langs. Van schrik hap ik naar adem en stap achteruit. De uitlaatgassen prikken in mijn neus. Ik hoest en steek het zebrapad over richting mijn huis. Morgen weer hard aan de studie.

 

 Emma Clemens


Vond je dit een mooi verhaal? Like, volg en deel het dan met je vrienden en familie!
We zijn ontzettend benieuwd naar jouw eigen verhaal over Rotterdam! Doe je ook mee met de RotterdamSchrijft schrijfwedstrijd? Je kunt toffe prijzenpakketten winnen! Meer informatie www.rotterdamschrijft.nl